24 juni 2014
Opinie
door: Jeroen van Tets
De zeepbel in Almere is uiteindelijk dan toch uiteen gespat. De plannen voor een Icedôme staan op losse schroeven, althans op de wijze waarop deze tot nu toe waren gepresenteerd. Vrijwel niemand is echt verbaasd. Als je de verhalen in deze 'continuing soap' las of hoorde, met geheime investeerders (??) en een initiator, die in het verleden al eerder aan luchtkastelen bouwde en nu 'van de dokter geen commentaar mag geven' (eigen citaat), dan voel je toch aan je (ijs)water dat er iets niet in de haak kan zijn. Maar zelfs als dat wel het geval was geweest, dan nog was er reden voor grote twijfel, met name vanwege de financiële rekensommen. Zelfs al zou het geld voor een investering van € 183 miljoen zijn gevonden, dan nog vormde een exploitatie van € 15 miljoen per jaar, gebaseerd op geraamde bezoekersaantallen van 1,2 miljoen (!?), een groot financieel risico.
Laten we het hier echter niet meer hebben over de zeperd in Almere. Het bouwconsortium heeft vooralsnog aangegeven zich te beraden over het vervolgtraject van de plannen voor een multifunctioneel ijscomplex. Met nóg een 400 meter-baan (in Dronten) en een onlangs nog ingekrompen buitenbaan van 3 kilometer (Flev-O-nice) in de nabije omgeving wensen we hen veel succes. Beiden banen in Flevoland hebben overigens al de nodige exploitatie-ellende meegemaakt.
Voor de rest van schaatsminnend Nederland geldt nu: 'what happens next?'. Want er liggen nog twee andere plannen op tafel, waarvan er eentje sowieso doorgaat, te weten de 'vernieuwbouw' van Thialf. Daarnaast hebben we het 'Transportium' in Zoetermeer, dat eveneens haar kansen ziet stijgen, te meer omdat dit project bij de eerdere beoordeling door KNSB en NOC*NSF op de tweede plaats (achter Almere) was beland.
In Zoetermeer mogen ze dan ook hopen dat zij nu automatisch worden uitverkoren, maar zo simpel ligt het toch niet. Het is 'nieuwe rondes, nieuwe kansen'. Alles ligt weer open (in principe) en zelfs een nieuwe kandidaat kan zich nog zomaar aan het firmament melden. Waar nu dringend behoefte aan is, is een gezonde dosis nuchter verstand die wordt aangewend om de diverse, op zich goede en creatieve ideeën met elkaar samen te brengen tot een goed totaalplaatje. Daarbij gaat het niet om ‘groot, groter, grootst’, maar om realiteit en vooral toepasbaarheid in de regionale Nederlandse situatie.
Ambitieuze visie
Op zich zijn de bedenkers van het Transportium zonder meer te prijzen voor hun brede ambitie en integrale visie. Het project is een totaalconcept, dus veel meer dan schaatsen alleen en hanteert als belangrijkste kenmerken onder meer: sportontwikkeling, innovatieve technologie, duurzaamheid en veilige bereikbaarheid. Het project in zijn huidige omvang omvat: twee 400 meter-banen, vier shorttrackbanen, een medisch centrum, een multifunctionele sporthal, een (zorg)hotel en een 'Avenue of Innovation' (wow!). Prachtig allemaal, maar je voelt de jeuk al weer opkomen.
En inderdaad, als we de cijfers van het Transportium nader onder de loep nemen, dan komen we zelfs nog grotere getallen tegen dan in Almere: de investeringskosten bedragen zelfs meer dan 200 miljoen (!), mede vanwege een flinke post aan grondkosten. In tegenstelling tot Almere schijnt dit bedrag wél gegarandeerd op tafel te liggen. Dat is fijn, maar daarmee zijn we er natuurlijk nog lang niet. De jaarexploitatie zou in Zoetermeer maar liefst de 20 (!) miljoen moeten halen, ook hier weer gebaseerd op zelfs zo’n 1,5 miljoen bezoekers (schaatsers, toeschouwers en anderen), later zelfs 'oplopend naar 2,5 miljoen bezoekers per jaar'(?!), aldus hun eigen website. Dat is nog meer dan de 2,2 miljoen die het Rijksmuseum in het afgelopen topjaar 2013 – na de heropening – binnenhaalde van over de hele wereld. En wij wonen in een landje met nog geen 17 miljoen inwoners, om nog maar te zwijgen hoeveel daarvan (nog) kunnen schaatsen. Toegegeven, de agglomeraties van Rotterdam en Den Haag tellen zeker mee, maar als dergelijke grote getallen in Almere beschouwd worden als luchtfietserij, dan zou op z’n minst ook in Zoetermeer moeten worden onderzocht, of ze niet vooral bedacht zijn om de rekensommetjes kloppend te maken.
Thialf besloot op basis van jarenlange eigen ervaring het aantal bezoekers te begroten op circa 450.000 per jaar. Dat lijkt in de vergelijkingen zelfs conservatief, maar is eigenlijk al vrij optimistisch, als we weten dat tot nu toe de oude Jaap Eden-baan de enige is die meer dan 400.000 bezoekers per jaar weet te trekken, mede dankzij de Amsterdamse agglomeratie en de ouderwetse ‘koek en zopie’-sfeer. Dit is dus wel gebaseerd op echte schaatscijfers. Voor Zoetermeer zou het betekenen dat meer dan een miljoen bezoekers voor andere activiteiten naar het Transportium moet komen; en dat dan ieder jaar weer! En met Marco Borsato in het Gelredome, Guus Meeuwis in het Philips Stadion, Lee Towers in Ahoy en de Toppers in de ArenA gaan we toch niet weer een illusie kweken over het aantrekken van nog meer concerten en ander ‘super entertainment’ naar een schaatshal, die daarvoor niet is ontworpen?
Achterstevoren
Het lijkt wel alsof er een 'achterstevoren redenering' wordt gevolgd: omdat een ‘gewone’ ijsbaan moeilijk te exploiteren valt, maken we een veel groter totaalproject. Door de hoge financieringslasten moeten we ook een veel hogere exploitatie draaien. Een gezonde business case is dan echter nog steeds mogelijk (op papier), mits het ons lukt om veel meer mensen aan te trekken. Om die hogere bezoekersaantallen te kunnen halen hebben we natuurlijk een grote tribunecapaciteit nodig (> 20.000?), dus moeten de internationale wedstrijden naar Zoetermeer komen en daarnaast nog veel meer andere evenementen. Tot zover deze op zich logische, kloppende, maar tegelijkertijd ook ‘oplopende’ redenering. Natuurlijk leveren de andere elementen - zoals hotel, wooneenheden, medisch centrum en wat al niet meer zij - ook een bijdrage aan de exploitatie, maar de grote inkomstenbron blijkt toch weer die wedstrijdbaan te moeten zijn. Pas dan kloppen uiteindelijk de getallen.
En toch, proeven we hier ook niet een flinke dosis wishful thinking? Bij de burgemeester speelt dat geen rol, want die heeft geen enkele twijfel 'omdat het de gemeenschap geen cent overheidsgeld hoeft te kosten'. Als anderen op de fles gaan is dat niet ons probleem. Tja, waar hebben we dat eerder gehoord?
Nieuwbouw duurder dan vernieuwbouw
Ondertussen is het duidelijk dat we bezig zijn appels met en peren te vergelijken. Thialf bouwt beperkter en hoofdzakelijk voor de schaatssport en bouwt voort op reeds bestaande faciliteiten. Er ligt reeds een baan met tribunes - die weliswaar dringend modernisering, kwaliteitsverbetering én uitbreiding nodig heeft - maar dat blijft natuurlijk altijd veel goedkoper dan complete nieuwbouw van alles wat nodig is. Ook als bestaand Centrum voor Topsport en Onderwijs (CTO) beschikt men reeds over diverse faciliteiten, zodat een programma van (nieuwe) eisen bescheiden kan blijven. De investering in Heerenveen is met € 80 miljoen ook niet niks, maar toch minder dan 40% van die in Zoetermeer, mede omdat er naast de vernieuwbouw nog slechts één baan gebouwd hoeft te worden. Een gevolg van dit alles is dat de jaarexploitatie slechts een kleine € 5 miljoen bedraagt. Wat een verschil.
Dus toch maar Heerenveen kiezen? De diverse emotionele en nostalgische argumenten, over unieke schaatssfeer, schaatsprovincie e.d. hebben we nog niet eens meegenomen. Maar ook hier behoort het nuchter verstand te prevaleren. Het grote verschil in de financiële plaatjes (en derhalve in de risico’s) hoeft nog niet te betekenen dat men maar beter sowieso voor Thialf kan kiezen. Vanwege de reële, ja zelfs noodzakelijke behoefte aan een goed schaatscentrum in die andere schaatsprovincie (Zuid-Holland) en vanwege de diverse goede inhoudelijke, creatieve ideeën die men in Zoetermeer heeft geëtaleerd, verdient het aanbeveling om beide projecten op een realistische basis van de grond te krijgen. Een Transportium met één goed geoutilleerde ijsbaan kan misschien prima dienen als aanvulling op Thialf (bijv. op gebied van innovatie en ontwikkeling), terwijl het nog maar half zoveel zou hoeven kosten. Wanneer in een goede onderlinge samenwerking zeer secuur wordt gekeken naar welke activiteit goed zou passen op welke plaats, dan hoeft er niks dubbel gebouwd te worden en zou Nederland straks maar liefst twee geweldige schaatcentra rijker kunnen zijn. Een coördinerende rol lijkt weggelegd voor de KNSB, die zich daarmee meteen kan revancheren voor haar eerdere simplistische aanpak.
Durf daarbij ook kritische vragen te stellen, zoals: moet het Nationale Trainingscentrum wel bij de internationale wedstrijdbaan liggen? Moeten alle (inter)nationale wedstrijden wel op één en dezelfde locatie worden gehouden? Als er al een Leisure Stad vlakbij ligt, met onder meer de huidige ijsbaan Silverdome waarmee men zegt te willen samenwerken, dan kan de doelstelling van het Transportium, die veel meer is dan schaatsen alleen, toch net zo goed gerealiseerd worden met een iets bescheidener ijsbaanprogramma? En meer van dergelijke nuchtere vragen.
De suggestie om samen te werken en gezamenlijk te kijken naar wat voor de gehele Nederlandse schaatswereld nodig, dan wel overbodig is, kan zelfs leiden tot een viervoudige win-win situatie voor Heerenveen, Zoetermeer, de KNSB en vele Hollandse schaatsliefhebbers. En misschien ook nog voor Almere, wanneer ze uiteindelijk hun gewone ijsbaan hebben, in plaats van een ‘witte olifant’.
Jeroen van Tets is sinds 2011 freelance debat-/ discussieleider en dagvoorzitter (‘Mr. Speaker’). Daarnaast schrijft Van Tets ook columns en opiniestukken in diverse media (‘Mr. Write’). Van Tets was van 2005 tot en met 2010 programmamanager Ruimte & Accommodaties bij sportkoepel NOC*NSF. Daarvoor werkte hij als manager gebiedsontwikkeling bij Arcadis Bouw en als sales manager bij Desso DLW Sports Systems. Voor meer informatie: jvantets@planet.nl of 035-623 2907/06-5335 5755.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.