10 november 2009
Opinie
Bertus
is al sinds mensenheugenis lid van de club en er meerdere keren in de week aan
te treffen, soms lijnentrekkend, dan weer met materialen of papieren in de weer
of met een biertje in de kantine met zijn maten, verhalend hoe het vroeger was.
De typische Utrechtse volksclub zit in zwaar weer, zowel financieel en
bestuurlijk als om de jeugdafdeling in stand te houden. Blanke kinderen en hun
ouders zijn bijna allemaal vertrokken, naar de buurclub. Het is lastig om de
ouders van de allochtone kinderen erbij te betrekken. Externe ondersteuning,
inclusief de gemeente, dringt aan op samenwerking met de veel grotere, wat
‘groenlinksige’, buurclub. Simpel gezegd, een ander slag mensen. Hoewel beide
clubs in eerste instantie positief reageren op intensievere samenwerking,
eventueel uitkomend in gezamenlijke nieuwbouw waar ook ruimte komt voor
kinderopvang, blijkt dit gaandeweg toch gevoeliger te liggen. Bertus is
uiteindelijk helder in zijn standpunt: ‘desnoods ben ik de laatste die straks
het licht uitdoet en de deur achter zich dichttrekt, samen met die club, dat
nooit’. Bertus blijkt te spreken voor verreweg het grootste deel van zijn
clubleden.
Bertus is het prototype vrijwilliger dat iedereen kent en waar veel sportverenigingen - nog steeds - zwaar op leunen om te overleven. Het zijn de mensen die zich sterk identificeren met hun club en voor wie er eigenlijks niets belangrijkers bestaat, gedreven door de passie, samen met soortgenoten, op vrijwillige basis: het wezenskenmerk van het Nederlandse sportverenigingsleven.
Externe ontwikkelingen zetten dit verenigingsleven onder druk en de vraag is of we dit tij kunnen en moeten keren, voor het te laat is en er geen Bertussen meer overblijven of nieuwe opstaan. Sinds een aantal jaren vervagen de grenzen tussen vrijwillige associaties, zoals sportverenigingen enerzijds en markt- en overheidsorganisaties anderzijds. Marktoriëntatie en overheidstaken zijn langzamerhand, al dan niet opgelegd, eveneens kenmerkend voor sportverenigingen. De stelling luidt nu: hoe meer nadruk op publieke taken en markt, hoe minder de passie om vrijwillig de club in leven te houden.
De toenemende nadruk op commercialisering (markt) en instrumentalisering (publieke taken) zet de sterke kanten van het traditionele sportverenigingsleven onder druk. Het grote verhaal gaat nu bijvoorbeeld over het Olympisch Plan 2028 waarin het ‘professionaliseren’ op veel fronten het toverwoord is, met onder andere de vereniging als een ‘moderne’ maatschappelijke onderneming (groot en sterk) als uitkomst. Het kleine verhaal waarin het alledaagse in al zijn complexiteit en diversiteit de hoofdrol speelt, geraakt uit beeld. De kern van dat kleine verhaal is de passie waarmee mensen hun sport bedrijven en/of dat dagelijks en wekelijks mogelijk maken voor anderen.
Sport is emotie. Passie ook. Het betekent liefde voor het vak of het spelletje, bevlogenheid, bezieling, intuïtie, plezier, samenspel, er voor gaan, bron voor energie en erbij willen horen. Daartegenover staan de ratio en doelgerichtheid van de markt en de overheid. Het een hoeft het ander niet uit te sluiten: gepassioneerde vrijwilligers in de sport kunnen prima rationeel en doelgericht hun werk doen en andersom zit er vaak ook heel veel passie in de acties van de markt en de plannen van de overheid. Maar het verschil zit in het startpunt, de kern: vrijwillig en bij voorkeur met soortgenoten het leven aangenamer maken, het eigen belang valt samen met het organisatie- of verenigingsbelang. Er zijn nauwelijks grenzen tussen het lidmaatschap (sporten en vrijwilligerswerk) en het privéleven. Het gaat om ‘bezielde mensen’ die sterk in verbinding leven met anderen en hun directe omgeving en zich het liefst zo weinig mogelijk aantrekken van verwachtingen en normen die de samenleving (markt en overheid) stelt. Zij laten zich leiden door hun innerlijk vuur, niet door een ‘opgelegd’ Olympisch vuur…
OPROEP
Waartoe zijn
sportverenigingen alweer op aard? Dat is de vraag die ons bezighoudt, hier en in
de komende artikelen waarin we steeds aan de hand van praktijkvoorbeelden zullen
laten zien wat enerzijds de kracht van de huidige sportverenigingen is en
anderzijds welke gevaren op de loer liggen. Alle reacties zijn welkom. Laten
we de discussie aangaan: de toekomst van de Nederlandse sport staat op het spel,
inclusief de kansen voor het Olympisch Plan 2028!
Jan Boessenkool is werkzaam als hoofddocent/onderzoeker aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit Utrecht. Voor reacties: j.h.boessenkool@uu.nl
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.