14 september 2010
Opinie
door: Loek Jorritsma
Bij de discussie over de stelling op Sport Knowhow XL of de plannen van Nederland in de Top-10 en het OP2028 elkaar (financieel) bijten is de ‘top’ van de Nederlandse sport vrij eensgezind. ‘Nee die plannen bijten elkaar niet, integendeel’. Nederland in de Top-10 is de nadere uitwerking van dat onderdeel van het OP2028, niks aan de hand dus. Allemaal binnen de planning en de doelstellingen.
Voor de goede orde: het OP2028 beoogt om heel Nederland op Olympisch niveau te brengen.
Voor de goede orde: Nederland in de Top-10 is een van de instrumenten om dat zo succesvol mogelijk te realiseren. Nederland in de Top-10 is geen doel op zich. Wat dat laatste betreft: Eerder werden ook Olympische Spelen aan steden toegewezen waarvan de landen niet in de Top-10 waren vertegenwoordigd. Dat argument is dus maar van heel beperkte waarde.
Ik onderschrijf de stelling dat Nederland in de Top-10 en het OP2028 elkaar wél bijten.
Want door te focussen op de acht sporten en hun meest succesvolle topsportprogramma’s wordt het alle andere sporten een stuk moeilijker gemaakt om zich tot Olympisch niveau te ontwikkelen. Hen worden daarvoor namelijk de benodigde collectieve middelen van NOC*NSF en VWS onthouden. Zie daarvoor mijn bijdrage bij de betrokken stelling.
Waardoor kom ik tot die conclusie? Nemen we daarvoor de relevante teksten bij Nederland in de Top-10. Bij de beschrijving van de huidige situatie lezen we op pagina 21 dat er
‘binnen 209 topsportprogramma’s een onderverdeling wordt gemaakt (..) Op deze manier wordt door het ministerie van VWS en NOC*NSF gefocust op succes waarbij het vizier vooral gericht is op programma’s in de top tien van de wereld (..) Ondanks deze focus maakt nog steeds een groot aantal topsportprogramma’s aanspraak op financiering vanuit collectieve middelen door NOC*NSF en VWS. In het huidige beleid zijn de kernbegrippen solidariteit en democratie, is er sprake van rechtvaardige verdeling van de middelen en staat het insluiten (niet het uitsluiten) van programma’s voorop.
Het gevolg hiervan is dat:
• een deel van de financiële middelen zoals bijdragen voor de deelname aan EK’s en WK’s, over alle topsportprogramma’s wordt verdeeld, ongeacht hun kracht;
• er sprake is van versnippering van schaarse middelen;
• er daardoor minder kan worden geïnvesteerd in de structureel en succesvolle kansrijke topsportprogramma’s, terwijl de internationale concurrentie juist meer investeert.
De conclusie is dan ook dat de huidige focus op topsportprogramma´s niet effectief genoeg is voor een structurele plek bij de mondiale top/10.’
Als we ons afvragen wat nu eigenlijk die collectieve middelen van VWS en NOC*NSF zijn, dan vinden we het antwoord bij de presentatie van de ‘taart’ op pagina 24. Daaruit blijkt dat de subsidieverdeling in 2010 van VWS en Lotto in totaal € 28.255.760 bedroeg. Daarvan ging er € 7.937.075 naar de programma’s van de acht succesvolste bonden en € 20.318.685 naar de overige topsportprogramma’s. Dat wordt ons niet zomaar gepresenteerd maar in relatie tot de focus op de acht structureel succesvolle prorgamma’s op de Olympische Spelen.
En op pagina 26 staat dat
‘een sterkere focus op topsportprogramma’s en sporters met de potentie om (structureel) medaillesucces te boeken, als consequentie heeft dat een aantal programma’s en sporters buiten de focus vallen als er geen (direct) uitzicht is op toekomstig topsportsucces. Dit betekent niet dat topsport in deze sporten onmogelijk is, maar wel dat er geen collectieve middelen worden vrijgemaakt om deze topsportprogramma’s te ondersteunen. Het beoogde systeem is immers gericht op succes in plaats van op solidariteit. Hierdoor kunnen de beschikbare middelen efficiënter worden ingezet en zal er meer geld gaan naar minder sportbonden en programma’s.’
Nu lees ik ook wel dat er ook niet-Olympische bonden in aanmerking kunnen komen omdat de maatschappelijke betekenis daarvan voor ons land zo groot is, denk aan korfbal, (de andere niet dan? Dammen bijvoorbeeld) en atletiek, turnen, voetbal, zwemmen, kunstrijden en tennis zijn mondiale sporten, dus daar geven we ook aandacht aan. Maar dat komt nadat is vastgesteld dat de collectieve middelen van VWS en NOC*NSF nu versnipperd worden ingezet en dat er op de Top-10 gefocust moet worden! Wat betreft het OP2028 is de behandeling van boksen en worstelen schamel (om geen andere woord dat ook met scha begint te gebruiken). Die Olympische sporten moet vanwege hun specifieke doelgroep situatie (welke?) het geld maar ergens anders vandaan halen.
Waar brengt me dit? NOC*NSF probeert te blazen en het meel in de mond te houden. Dat is lastig, probeer het maar eens. NOC*NSF probeert met Nederland in de Top-10 het model van democratie en solidariteit in de sport op te blazen, onder het motto van effectiviteit. Probeert voorts ook de eventuele kritiek te bezweren door een aantal grote sporten nog een worst voor te houden vanwege hun grote maatschappelijke en sportieve betekenis. En probeert de overblijvende critici de mond te snoeren via een beroep op de eensgezindheid.
Maar ik kan het natuurlijk ook helemaal verkeerd hebben. Dat zou ik dan graag inhoudelijk zien uitgelegd. Niet aan mij, maar aan alle deelnemers van het OP2028. En dan niet via de volgende bezweringsformule:
‘De kracht van het Olympisch Plan 2028 is bovendien dat de 8 verschillende ambities onafhankelijk van elkaar, vanuit verschillende belangen en door afzonderlijk partners gerealiseerd kunnen en zullen worden. Alleen daarom al kan een studie zoals 'Nederland in de top 10', het Olympisch Plan 2028 ook financieel niet bijten’,
aldus Gerben Eggink van Olympisch Vuur en Gerard Dielessen van NOC*NSF in hun bijdrage aan de discussie op Sport Knowhow XL.
Loek Jorritsma was wethouder (o.a. sport) in de gemeente Hoorn (1974–1976). Daarna studeerde hij af in de sociale wetenschappen en werkte vanaf 1979 bij de Directie Sport van het Ministerie van VWS, waar hij onder andere verantwoordelijk was voor de ontwikkeling van het beleid op het gebied van topsportevenementen en topsportaccommodaties. Met ingang van 1 april 2006 is hij met de VUT. Bij zijn afscheid schreef Jorritsma een bijdrage aan de discussie over de juridische verankering van sport in het beleid van de rijksoverheid. Hij pleit er voor om sport meer te zien als een publieke zaak en te komen tot een kaderwet specifiek sportbeleid.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.