Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Naar een eerlijker en effectiever beeld van bewegen

Elke beweging telt, hoe kunnen we de ‘beweegrichtlijnen’ inzetten voor gerichter stimuleringsbeleid?

Op 14 april gaat de Tweede Kamer met de nieuwe ministers van VWS Sophie Hermans en Mirjam Sterk (portefeuille Sport) in debat over leefstijlpreventie. Een uitgelezen moment voor ministers en de politieke partijen om stil te staan bij de potentie van sport en bewegen voor een gezonde samenleving en lagere zorgkosten. In aanloop daarnaartoe is het goed om te beseffen dat de huidige ambitie – dat 75% van de bevolking in 2040 aan de beweegrichtlijnen moet voldoen – steeds meer  wensdenken lijkt te zijn geworden. Naast het  percentage, zit dat ook in de toepassing van de beweegrichtlijn zelf.

9 april 2026

Opinie

Het sport- en beweegbeleid in Nederland is divers en kleurrijk, toch laten we ons daarin nog vaak leiden door zwart-witfoto’s. Het ‘voldoen aan de beweegrichtlijnen’ wordt gehanteerd als centrale maatstaf voor monitoring. Door te sturen op een indicator die mensen reduceert tot ‘haalt het wel’ of ‘haalt het niet’, missen we veel beweging die er echt toe doet. De kern van het probleem is niet de richtlijn zelf – die is waardevol als advies en heeft een belangrijke signaalfunctie – maar de centrale rol die het heeft gekregen als belangrijke meetlat voor beleid op diverse niveaus. Daarmee blijft de grootste maatschappelijke winst – de stap van niets naar iets – onzichtbaar. Het is tijd voor een systeem dat het volledige kleurenpalet van bewegen waardeert: het beweegvolume.

De paradox van de richtlijn

Nederland stuurt al jaren op het percentage mensen dat de beweegrichtlijnen haalt. Deze richtlijnen zijn wetenschappelijk goed onderbouwd, eenduidig en een verbetering ten opzichte van de oude ‘beweegnorm’. Ze dienen als duidelijke handvatten voor professionals in de zorg en het beweegdomein.

"Het huidige model reduceert publieke gezondheid tot nullen en enen"

De paradox is echter dat de richtlijnen, die bedoeld zijn als globaal advies, in Nederland in de praktijk vaak zijn verworden tot een rigide meetinstrument. Het RIVM ziet het percentage Nederlanders dat voldoet aan de richtlijnen als de belangrijkste indicator voor beleid.  En hoewel er in de praktijk ontzettend veel lokale en nationale initiatieven zijn op heel diverse vormen en maten van sporten en bewegen, blijft de bestuurlijke en politieke 'harde' lat liggen bij het percentage van de bevolking dat voldoet aan de beweegrichtlijnen. Dat creëert een kloof tussen de dagelijkse praktijk van sport- en beweegprofessionals en de manier waarop we lokaal en nationaal het succes daarvan meten. Wij menen dat het sterk centraal stellen van deze binaire indicator een fundamenteel risico is dat effectief preventiebeleid kan beperken.

25022026 sportcollage shutterstock 2593789527

Waarom de huidige indicator tekortschiet

Het huidige model reduceert publieke gezondheid tot nullen en enen. Dit brengt vier  risico’s met zich mee, die onbedoeld kunnen optreden:

  1. De richtlijn als grenspaal geeft een verkeerd signaal: We kijken naar een harde grens in plaats van naar de daadwerkelijke beweging. Dit creëert een ‘0-1-risico’: wie één minuut onder de norm zit, telt niet mee. Beleidsmatig leidt dit tot het risico op een perverse focus op mensen die de norm ‘net niet’ halen, terwijl de grootste gezondheidswinst te boeken is bij de mensen die nu nog nauwelijks in beweging komen.
    De data zoals die nu verzameld wordt biedt voldoende informatie om breder naar de mate van bewegen te kijken. Het lijkt een gemiste kans dat we deze informatie nog onvoldoende breed ontsluiten, om zo naar het gehele beweegvolume van de populatie te leren kijken.
  2. Gezondheidswinst is niet lineair: De stap van niet-bewegen naar enige activiteit levert de meeste gezondheidswinst op (Ekelund et al., 2026). Het verschil tussen 0 en 60 minuten bewegen per week is dus voor preventie en volksgezondheid veel relevanter dan het verschil tussen 120 en 180 minuten. De huidige monitoring registreert die cruciale eerste stap echter niet als succes.
  3. One-size-fits-nobody: Verschillende onderzoeken laten zien dat er voor specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld hartpatiënten of mensen met obesitas) specifieke beweegdoelen nodig of haalbaar zijn (o.a. Eijsvogels & Thompson, 2015; Garcia et al., 2023). Een generieke 'one-size-fits-all' norm van 150 minuten kan bovendien demotiverend werken en is voor sommige groepen niet de juiste graadmeter voor succes (zie bijvoorbeeld Bakker et al., 2021). Een indicator wint aan waarde wanneer deze recht doet aan deze heterogeniteit.
  4. Een stigmatiserende maatstaf: Eén lat die voor iedereen gelijk is werkt ook in de hand dat een maatschappelijk probleem als individueel falen wordt ervaren. Wie de norm door omstandigheden niet haalt, krijgt onbedoeld de boodschap dat dit ‘eigen schuld’ is, wat gevoelens van frustratie en schaamte versterkt (Stuij & Van Gorp, 2024). 

Nu blijft een breed palet aan inspanningen om inactiviteit te doorbreken deels onderbelicht. Zeker bij groepen voor wie de norm een zeer grote uitdaging vormt, bijvoorbeeld door chronische aandoeningen, fysieke beperkingen of complexe sociaaleconomische omstandigheden, verdwijnt relevante vooruitgang uit beeld. Daarom pleiten we voor een aanvullende manier om beweeggedrag te monitoren.

Een alternatief: beweegvolume

Een kansrijke aanvulling ligt in het loslaten van de harde norm en het omarmen van het totaal: beweegvolume. De wetenschappelijke consensus verschuift wereldwijd steeds meer naar het principe dat elke beweging telt (‘every move counts’, Varela, 2024; WHO, 2020). Internationaal zien we deze ontwikkeling al: het vormt de basis voor de nieuwe WHO richtlijnen die in 2030 worden verwacht, en in Australië zijn inmiddels ‘stappendoelen’ in de richtlijnen opgenomen (Australian Government, 2026). Daarom kan beweegvolume – een optelsom van alle minuten van beweging per persoon of populatie – een goed en toegankelijk alternatief zijn voor ‘het voldoen aan de beweegnorm’. Het relativeert de nadruk op een vaste drempelwaarde en verschuift de focus naar progressie, waar in de praktijk veel gezondheidswinst te behalen is.

"Vooruitgang is vooruitgang, óók als niet wordt voldaan aan de beweegrichtlijnen"

Met beweegvolume kunnen ook de effecten zichtbaar gemaakt worden van interventies bij specifieke doelgroepen, zoals bij mensen die van amper of weinig bewegen naar meer activiteit gaan, maar voor wie het voldoen aan de beweegrichtlijnen nog een te grote stap is (Hillsdon et al., 2026). Nu het RIVM verbetermogelijkheden verkent om bewegen objectiever te meten via wearables (zie kader), ontstaat een uniek momentum om niet alleen de techniek, maar ook de wijze van rapporteren fundamenteel te moderniseren. De rijkere data die deze technologieën opleveren vragen om een indicator zoals beweegvolume, waarmee we technologische vernieuwing direct vertalen naar een effectiever preventiebeleid dat de daadwerkelijke vooruitgang van álle Nederlanders zichtbaar maakt.

Vragenlijst

Verder denken: Beweegdelta (Δ) 

Als we echt willen focussen op verandering, is niet alleen het inzichtelijk maken van het volume interessant, maar vervolgens vooral de beweegdelta: hoeveel beweging komt erbij ten opzichte van een eerdere meting? Onderzoekers van de HAN introduceerden dit eerder als 'additionele beweegminuten' (Schoemaker et al, 2020), een begrip dat inmiddels op verschillende plekken wordt ingezet om de effecten van interventies te meten. Het verschuift de blik van absolute prestaties naar groei. Vooruitgang is vooruitgang, óók als niet wordt voldaan aan de beweegrichtlijnen.

250252026 hardlopenouderen klein shutterstock 2654576817

Het beweegvolume en de beweegdelta bieden ook mogelijkheden voor scherpere beleidsdoelen. Niet "hoeveel procent haalt de norm?", maar "welk volume streven we na voor specifieke groepen?" En: "welke verandering willen we zien op landelijk, regionaal en lokaal niveau?" Op het niveau van lokale interventies is de delta een bijzonder krachtig stuurmiddel. Landelijke monitoring van individuele groei is complex, maar professionals kunnen wél sturen op de delta van hun eigen doelgroep. "Groeit deze wijk ten opzichte van vorig jaar?" of "gaan deelnemers van deze interventie van 20 naar 40 minuten?". Door groei centraal te stellen, waarderen we vooruitgang boven absolute prestatie.

Waarom dit beleidsmatig sterk is

De verschuiving naar beweegvolume heeft drie grote voordelen:

  1. Economisch rendement: Sportbudgetten kunnen verschuiven naar laagdrempelige interventies in wijken waar het volume het laagst is. Voor gemeenten betekent dit bijvoorbeeld dat de focus van de inzet kan verschuiven:  meer middelen naar laagdrempelige interventies in wijken waar het beweegvolume laag is (Hoekman, 2025). Elke euro die daar wordt geïnvesteerd, levert immers de meeste gezondheidswinst en zorgbesparing op (De Boer, 2022).
  2. Ruimte voor de professional: Voor sport- en beweegprofessionals biedt het denken in en meten van beweegvolume ruimte voor maatwerk: zij worden niet langer afgerekend op een binaire norm die voor hun cliënt onhaalbaar is, maar op progressie. Beleidsmakers hoeven zich niet langer blind te staren op een indicator die niet of nauwelijks beweegt. Ze kunnen veel concretere doelen stellen en de uitkomsten beter zichtbaar maken, voor zichzelf en hun achterban.
  3. Psychologische winst: Voor de mens ten slotte, heeft dit een belangrijk psychologisch effect. De huidige richtlijnen  werkenvoor inactieven mogelijk verlammend "dat haal ik toch nooit". Een benadering gericht op volume en groei beloont elke poging, wat de intrinsieke motivatie en het zelfvertrouwen versterkt. Het maakt van ‘meer bewegen’ een haalbaar doel in plaats van het strengere examen van ‘voldoende bewegen’.
MOS

Conclusie

De huidige beweegrichtlijnen zijn waardevol als referentiepunt. Maar als we willen begrijpen waar de echte gezondheidswinst te behalen is, hebben we meer nodig dan een ja/nee-meting rond een enkele drempel. Een goede beleidsindicator is niet alleen wetenschappelijk onderbouwd, maar ook gevoelig voor verandering: in staat om de effecten van beleid en interventies, groot en klein, zichtbaar te maken.

Door te meten in termen van beweegvolume, en te denken in termen van een beweegdelta of additionele beweegminuten, ontstaat een inclusiever, eerlijker en effectiever beeld van hoe Nederland beweegt. Het biedt ruimte aan groepen die nu buiten de boot vallen. Het maakt de impact van sport- en beweegaanbieders beter zichtbaar, en het stimuleert een beleidscultuur waarin elke stap telt. 

Het debat op 14 april is voor ministers en Kamerleden een kans om door te bouwen aan een inclusiever en effectiever preventiebeleid, een beleid dat erkent dat de 75%-doelstelling een utopie is, en daarom de focus verlegt naar elke extra minuut beweging, vooral bij de groepen die dat het hardst nodig hebben. Laten we de beweegrichtlijnen verrijken met het beweegvolume. Zo maken we de impact van sport en bewegen scherper, eerlijker en kleurrijker zichtbaar, van beleidsdoelstellingen waarin elke stap telt tot en met effectmetingen waarin ook elke stap wordt geteld.

POS

Referenties:

Australian Government (2026). 24-hour movement guidelines for all Australians. Department of Health, Disability and Ageing.

Bakker, E. A., Lee, D. C., Hopman, M. T., Oymans, E. J., Watson, P. M., Thompson, P. D., ... & Eijsvogels, T. M. (2021). Dose–response association between moderate to vigorous physical activity and incident morbidity and mortality for individuals with a different cardiovascular health status: A cohort study among 142,493 adults from the Netherlands. PLoS medicine, 18(12), e1003845.

De Boer, W.I.J. (2022). Sport as a medicine for health and health inequalities: essays on the role of sport participation in socioeconomic inequalities in health and health care costs.

Eijsvogels, T. M., & Thompson, P. D. (2015). Exercise is medicine: at any dose?. Jama, 314(18), 1915-1916.

Ekelund, U., Tarp, J., Ding, D., Sanchez-Lastra, M. A., Dalene, K. E., Anderssen, S. A., ... & Fagerland, M. W. (2026). Deaths potentially averted by small changes in physical activity and sedentary time: an individual participant data meta-analysis of prospective cohort studies. The Lancet.

Garcia, L., Pearce, M., Abbas, A., Mok, A., Strain, T., Ali, S., ... & Brage, S. (2023). Non-occupational physical activity and risk of cardiovascular disease, cancer and mortality outcomes: a dose–response meta-analysis of large prospective studies. British Journal of Sports Medicine, 57(15), 979-989.

Hillsdon, M., Metcalf, B., Newton, J. N., Wanigatunga, A. A., & Schrack, J. A. (2026). Every move counts: but some more than others. The international journal of behavioral nutrition and physical activity.

Hoekman, R. H. A. (2025). Ongelijkheid in sportdeelname: De rol van stimuleringsbeleid en het aanbod aan faciliteiten.

Holtermann, A., Hansen, J. V., Burr, H., Søgaard, K., & Sjøgaard, G. (2012). The health paradox of occupational and leisure-time physical activity. British journal of sports medicine, 46(4), 291-295.

Holtermann, A., Krause, N., Van Der Beek, A. J., & Straker, L. (2017). The physical activity paradox: six reasons why occupational physical activity (OPA) does not confer the cardiovascular health benefits that leisure time physical activity does. British journal of sports medicine.

Schoemaker, J., van Genderen, S., & de Boer, W. I. (2020). Increased physical activity in preparation for a women-only mass participation sport event: A framework for estimating the health impact. International Journal of Environmental Research and Public Health, 17(1), 98.

Snoeker, B. A. M., Kompier, M. E., Toepoel, V., De Wolf, I., Van der Ploeg, H. P., Van Nassau, F., & Wendel-Vos, G. C. W. (2026). Adviesrapport monitoring beweeggedrag van de Nederlandse bevolking met beweegmeters. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.Stuij, M., & Gorp, M. van (2024). Over (meer) bewegen: of waarom we het over ongelijkheid en macht moeten hebben. Utrecht: Mulier instituut.

Varela, A. R., & Hallal, P. C. (2024). Does every move really count towards better health?. The Lancet Global Health, 12(8), e1215-e1216.

World Health Organisation (2020). Every move counts towards better health. 

Deel dit bericht:

Geschreven door:

Willem De Boer zonder caption

Willem de Boer (HAN)

Ruben Buijserd325 FC

Ruben Buijserd (MOS)

Elise van Bergenhenegouwen

Elise van Bergenhenegouwen (POS)

2 reacties

Remko van den Dool

9 april 2026

Prima idee om de absolute waarde van beweegrichtlijnen ter discussie te stellen.
Mijn vraag is wel of het genoemde alternatief nodig is.

Bij het samenstellen van de beweegrichtlijnen wordt 'onderweg' ook het aantal wekelijkse beweegminuten bepaald. Daarmee kan je als je wilt ook nu al rekenen, bijvoorbeeld om de meetjaren te vergelijken. Het % voldoen aan de beweegrichtlijnen bepaalt het RIVM met de Gezondheidsenquête. Deze continu lopende enquête kent 10.000 waarnemingen per jaar. Door deze zeer forse steekproef kan je voor doelgroepen zoals ouderen en lage ses ook met de huidige kernindicator Voldoen aan beweegrichtlijnen, verschillen vaststellen. Bijvoorbeeld als net wat meer/minder mensen de grenswaarde in het volgende meetjaar overschrijden. Helaas zien we juist voor de 'moeilijkste' groepen (mensen met motorische beperking & lage ses) de laatste 20 jaar een zeker achteruitgang voor het voldoen aan de beweegrichtlijnen. Door een andere bepaling bijv via beweegminuten ontstaat echt geen ander beeld voor deze groepen, hoe graag velen dit anders zouden willen zien.

Beweegmeters lijken een mooi alternatief, maar uit het onderzoek van Snoeker et al. blijkt dat vooral beweegenthousiastelingen deze willen dragen in een onderzoek. Mensen die nauwelijks bewegen hebben daar geen behoefte aan. Ze kunnen je zo de uitslag wel melden, daar hebben ze geen apparaatje voor nodig. Via deze methode ontstaat een sterk selectief onderzoek.

Met beweegmeters kan je wel de bestaande vraagstelling verbeteren om de beweegrichtlijnen vast te stellen. Dat lijkt mij hard nodig, want uit de gemiddelde tijd die mensen aan beweegactiviteiten besteden blijkt bijvoorbeeld dat 12-plussers in Nederland 3 uur per week sporten (2024). Dit betekent dat een wekelijkse sporter circa 5,5 uur aan sport besteedt (meer dan de helft sport wekelijks in NL). Dit is een onwaarschijnlijk hoge gemiddelde tijd. Die zeker niet overeenkomt met de uitkomsten van het CBS Tijdsbestedingsonderzoek. Ik denk dat dit verschil ontstaat door een weeffout in de vragenlijst om de beweegrichtlijnen mee vast te stellen. Als je de mate van voldoen aan de richtlijnen met andere landen vergelijkt, lijken de Nederlandse cijfers hoog. Dat kan dus komen door de overschatting vanwege methodische redenen.

Zelf zou ik dus niet direct de wijze van presenteren willen aanpassen, maar kritisch willen kijken hoe de richtlijnen zijn te verbeteren. Een analyse kan verder vaststellen wat het gewicht van de diverse beweegactiviteiten in het uiteindelijke percentage is. Zo zou de rol van het aantal uren zware fysieke arbeid onderzocht kunnen worden. Via deze activiteit kan iemand namelijk snel aan de richtlijnen voldoen.

Clemens Vollebergh

9 april 2026

Volgens mij kwam de BeweegRichtlijn en juist om niet langer BeweegNorm te zijn: streven boven minimaal halen. Hoe dan ook is de richtlijn minimaal en op een aantal punten zwak. Zo stelt de Gezondheidsraad dat iemand die beter trap wil lopen vaker trap moet lopen... dat hij sterker wordt. Inspanningsfysiologisch onjuist: je moet juist kracht trainen om goed te kunnen traplopen.
Ik vind de term Beweegvolume (beweegdelta of additionele beweegminuten) vaag. Het gaat niet om hoeveel er bewogen wordt per doelgroep maar wat de kwaliteit van bewegen is. Aan de basis van bewegen staan de voorwaarden: mobiliteit van gewrichten, flexibiliteit van spieren en kracht van de houdingsspieren. Een sterke core is -voor elke categorie- een voorwaarde om snel, krachtig en gemakkelijk te bewegen. Bewegen alleen lost niks op, of zoals Fysioloog Tim Noakes zegt: 'You cannot outrun a bad diet'. Beweging alleen helpt dus niet voor een betere gezondheid, Leefstijl is veel meer dan dat. Regelmatig zware gewichten loodrecht op het lichaam verplaatsen maakt die diep gelegen houdingsspieren sterker, versterkt de botten, verbetert de hormoonbalans en de relatie lichaam-geest. Dus iedereen aan de squats, lunges en niet te vergeten farmerswalk.
Bij het juiste krachttrainingsprogramma gaat het niet om volume maar weerstand. Ieder traint naar eigen kunne aan de hand van het principe 'tot het gaatje'.
Ik heb overigens weinig vertrouwen in de kennis van de politiek over gezondheid. Ze hebben het al snel over gezondheidszorg, waarmee ze ziekenzorg bedoelen. Ze hebben meer vertrouwen in en geld voor nieuwe -meestal niet werkende- kankermedicatie dan dat ze programma's financieren die aantoonbaar bijdragen aan een betere gezondheid en daardoor de beste remedie zijn voor het omlaag brengen van het aantal kankergevallen (90% is leefstijlgerelateerd).

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.