Remko van den Dool
9 april 2026
Mijn vraag is wel of het genoemde alternatief nodig is.
Bij het samenstellen van de beweegrichtlijnen wordt 'onderweg' ook het aantal wekelijkse beweegminuten bepaald. Daarmee kan je als je wilt ook nu al rekenen, bijvoorbeeld om de meetjaren te vergelijken. Het % voldoen aan de beweegrichtlijnen bepaalt het RIVM met de Gezondheidsenquête. Deze continu lopende enquête kent 10.000 waarnemingen per jaar. Door deze zeer forse steekproef kan je voor doelgroepen zoals ouderen en lage ses ook met de huidige kernindicator Voldoen aan beweegrichtlijnen, verschillen vaststellen. Bijvoorbeeld als net wat meer/minder mensen de grenswaarde in het volgende meetjaar overschrijden. Helaas zien we juist voor de 'moeilijkste' groepen (mensen met motorische beperking & lage ses) de laatste 20 jaar een zeker achteruitgang voor het voldoen aan de beweegrichtlijnen. Door een andere bepaling bijv via beweegminuten ontstaat echt geen ander beeld voor deze groepen, hoe graag velen dit anders zouden willen zien.
Beweegmeters lijken een mooi alternatief, maar uit het onderzoek van Snoeker et al. blijkt dat vooral beweegenthousiastelingen deze willen dragen in een onderzoek. Mensen die nauwelijks bewegen hebben daar geen behoefte aan. Ze kunnen je zo de uitslag wel melden, daar hebben ze geen apparaatje voor nodig. Via deze methode ontstaat een sterk selectief onderzoek.
Met beweegmeters kan je wel de bestaande vraagstelling verbeteren om de beweegrichtlijnen vast te stellen. Dat lijkt mij hard nodig, want uit de gemiddelde tijd die mensen aan beweegactiviteiten besteden blijkt bijvoorbeeld dat 12-plussers in Nederland 3 uur per week sporten (2024). Dit betekent dat een wekelijkse sporter circa 5,5 uur aan sport besteedt (meer dan de helft sport wekelijks in NL). Dit is een onwaarschijnlijk hoge gemiddelde tijd. Die zeker niet overeenkomt met de uitkomsten van het CBS Tijdsbestedingsonderzoek. Ik denk dat dit verschil ontstaat door een weeffout in de vragenlijst om de beweegrichtlijnen mee vast te stellen. Als je de mate van voldoen aan de richtlijnen met andere landen vergelijkt, lijken de Nederlandse cijfers hoog. Dat kan dus komen door de overschatting vanwege methodische redenen.
Zelf zou ik dus niet direct de wijze van presenteren willen aanpassen, maar kritisch willen kijken hoe de richtlijnen zijn te verbeteren. Een analyse kan verder vaststellen wat het gewicht van de diverse beweegactiviteiten in het uiteindelijke percentage is. Zo zou de rol van het aantal uren zware fysieke arbeid onderzocht kunnen worden. Via deze activiteit kan iemand namelijk snel aan de richtlijnen voldoen.