30 november 2010
Opinie
Op 2 december is het zover. De 24 officials van het FIFA comité zullen dan een beslissing nemen over welk land gastheer zal zijn van het WK voetbal in 2018 en 2022. Nederland lijkt niet meteen de beste papieren te hebben voor het WK 2018, met Engeland, Spanje/Portugal en Rusland als geduchte tegenstanders, maar het blijft koffiedik kijken.
Opvallend is dat de aandacht de laatste week grotendeels uitgaat naar de kansen in deze ‘loterij’ en dat de maatschappelijke discussie rondom de beslissing van de politiek om het bid te steunen afgenomen is. Hoe anders was het eerder dit jaar, toen politici sporteconomen aan het werk zetten om uit te rekenen wat de gevolgen van de WK organisatie voor ons land zouden zijn. De uitkomsten van twee verschillende onderzoeken werden uiterst kritisch ontvangen. Oorzaak: de conclusies van twee groepen sporteconomen lagen enorm ver uit elkaar. Eigenlijk blijft de vraag onbeantwoord: moeten wij het WK 2018 wel willen?
Sinds de Olympische Spelen in 1984 in Los Angeles financieel-economisch een succes geworden zijn, hebben sportevenementen aan populariteit gewonnen binnen de politiek. Voor de Spelen in Los Angeles waren er enkele Spelen financieel op een fiasco uitgelopen. Dieptepunt waren de Spelen in Montréal (1976) waar de lokale bevolking nog dertig jaar lang extra belasting heeft moeten betalen om de kosten van de Spelen te vergoeden (NOOT 1). In Los Angeles werden de spelen een succes vanwege de verregaande commercialisering, deze Spelen zijn de geschiedenis ingegaan als de ‘Coca Cola Games’. Een ander positief voorbeeld zijn de Olympische Spelen in Barcelona, waar een enorme legacy (nalatenschap) geweest is in de vorm van een boost voor het toerisme in de stad. Sinds de Olympische Spelen in 1992 hoort Barcelona tot één van Europa’s populairste bestemmingen voor stedentrips. Dankzij deze enkele positieve voorbeelden is de strijd om het verkrijgen van mega-sportevenementen voor een bepaalde stad, regio of land steeds heftiger geworden. De eisenpakketten die door het IOC en de FIFA voor de Olympische Spelen en het WK voetbal worden neergelegd zijn enorm. Politici, maar ook de sportwereld, proberen zich te verantwoorden door middel van economische studies. Men probeert hart te maken dat de evenementen niet alleen veel kosten, maar vooral ook erg veel opleveren. Deze studies stuiten echter op grote problemen.
Economische studies
Het lastige van de studies is dat er
verschillende soorten kosten en baten zijn en dat deze ook nog eens voor
rekening van verschillende partijen komen. De eigenlijke kosten van het
evenement worden de operationele kosten genoemd. Grote posten hierin zijn de
organisatiekosten, beveiliging, ticketing en dergelijke. Daarnaast moeten er
echter ook grote investeringen gedaan worden. Veelal in stadions of
sportaccommodaties, maar vaak ook in infrastructuur en hotels. Het lastige van
deze investeringen is dat het moeilijk is vast te stellen of deze specifiek voor
rekening van het evenement moeten komen, of dat deze na het evenement ook nog
een waarde vertegenwoordigen. Hierover verschillen de economen regelmatig van
mening, waardoor tussen de verschillende studies enorme verschillen kunnen
ontstaan.
Aan de inkomstenkant zijn de belangrijkste inkomsten die uit tickets, sponsoring en uitzendrechten. Daarnaast worden er vaak onderzoeken uitgevoerd naar bestedingen van bezoekers, ook deze worden tot de directe effecten gerekend. De grootste pot inkomsten, namelijk die uit sponsoring en uitzendrechten, komen echter rechtstreeks bij de FIFA terecht. Dit betekent dat voor de overheden, die veel geld in de evenementen investeren, de bestedingen van bezoekers erg belangrijk worden. Uit een analyse van het WK in Duitsland (2006) bleek de FIFA een inkomstenbron van ruim € 2 miljard euro te hebben, tegen slechts € 630 miljoen aan kosten (NOOT 2). De FIFA wordt in ieder geval beter van een WK voetbal, maar hoe zit dit voor een organiserend land?
Additionele bestedingen
Belangrijk onderdeel van de
maatschappelijke kosten-baten analyses die economen uitvoeren is de analyse van
de economische impact. De economsiche impact gaat over bestedingen die
additioneel zijn binnen de regio, dankzij het evenement. Met additioneel wordt
bedoeld dat deze bestedingen er niet geweest zouden zijn als het evenement
elders gehouden zou zijn. Onderzoek wijst uit dat de economische impact vooraf
vaak te positief wordt ingeschat (NOOT 3). Het probleem is dat
de veel ex ante (vooraf) studies worden uitgevoerd en weinig ex post (achteraf)
studies. Vrijwel alle beschikbare informatie is hierdoor op basis van ramingen
en niet op basis van feiten Het is lastig een inschatting te maken van
bestedingen als geen goed vergelijkingsmateriaal voorhanden is. Een voorbeeld
van een goede ex post studie is die van Egbert Oldenboom (NOOT
4) rondom Euro 2000 in Nederland en België. Dit toernooi bleek
economisch aantrekkelijk, de bestedingen waren hoger dan de kosten voor de
overheid. Hierbij zijn additionele bestedingen gemeten aan de hand van
vragenlijsten bij bezoekers. Deze zijn echter niet één op één te vertalen naar
een WK voetbal, waar een veel grotere investering in infrastructuur nodig
is.
Holger Preuss (NOOT 5) heeft een model ontwikkeld voor het meten van additionele bestedingen. Het blijkt een hele opgave om vast te stellen of een besteding een direct gevolg is van het evenement. Je hebt te maken met mensen die hun vakantie anders gepland hebben (time-switchers), met thuisblijvers speciaal voor het evenement, maar ook met niet-sportliefhebbers die de regio ontvluchten (crowding-out). Hetzelfde principe geld ook voor de investeringen die gedaan worden. Zo wordt altijd geroepen dat een evenement goed is voor de werkgelegenheid, maar deze blijkt vaak weg te lekken naar buitenlandse bedrijven die opdrachten binnenhalen (leakage). Al met al zijn deze onderzoeken zeer complex en is het lastig om tot waterdichte conclusies te komen.
Legacy
Wat overblijft is dat de directe effecten
(bestedingen) achteraf vaak enigszins tegen blijken te vallen. De studies van
economen dragen bij aan het beter begrijpen van de evenementen, waardoor de
indirecte effecten, zoals het stimuleren van de bouwsector en het toerisme
geoptimaliseerd kunnen worden. Waar de economen echter nog de meeste moeite mee
hebben zijn de externe effecten, zoals effecten op milieu, trots of toename van
sportparticipatie. Deze blijken erg lastig te evalueren en worden vaak (deels)
buiten beschouwing gelaten. Dit terwijl dit juist argumenten kunnen zijn om een
evenement binnen te halen. Neem het WK 2006 in Duitsland, waar de uitkomsten van
de economische imapct (NOOT 2) door velen betwist worden, maar
waar wel duidelijk een trots gevoel is ontstaan bij de Duitse bevolking.
Wat blijft na afloop van een mega-sportevenement zijn de herinneringen. Daarnaast zijn de duurzame investeringen, vaak deels voor het evenement aangelegd, een belangrijke legacy. Denk aan nieuwe stadions. In Nederland zal het grootste deel van deze stadions nog zeker van waarde zijn, aangezien enkele clubs nog voldoende autonome groei doormaken. Dit is heel anders dan de situatie in Zuid-Afrika, waar de stadions momenteel leeg staan. Dit worden de witte olifanten genoemd. Ook het aanpakken van infrastructuur, op bijvoorbeeld het gebied van horeca of in de vervoerssector, kunnen vaak deels toegeschreven worden aan het evenement. Vaak gaat het om aanpassingen die anders minder snel gerealiseerd zouden worden. De Bundesliga plukt momenteel de vruchten van de verbouwing van de stadions voor het WK in 2006.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de economische
modellen momenteel nog niet toereikend zijn om tot een conclusie te komen over
de maatschappelijke kosten en baten van het WK voetbal. Wel kunnen deze studies
bijdragen tot een beter begrip van het evenement en kan de overheid bepaalde
aandachtspunten belangrijker maken. Hierbij is er een grote vraag naar ex post
studies, zodat er meer kennis ontwikkeld wordt over hoe sportevenementen als
middel ingezet kunnen worden. Wellicht moeten wij gewoon accepteren dat een WK
voetbal waarschijnlijk geld kost, maar dat dit een hoop externe effecten
oplevert die wellicht net zo belangrijk zijn. Denk aan trots, gemeenschappelijkheid en
geluk. Mag sport ook gewoon leuk zijn?
Zie onderstaande presentatie voor meer informatie:
Noten:
1. Gratton, C. & Taylor, P. (2000).
Economics of sport and recreation. Londen: Spon
Press.
2. Kurscheidt , M., Preuss, H. & Schutte, N. (2008).
Consumption Patterns of Tourists to Sports Mega Events: Evidence from FIFA World
Cup (2006). IASE Conference Papers.
3. Baade, R.A. &
Matheson, V.A. (2004). The Quest for the Cup: Assessing the Economic Impact of
the World Cup. Regional Studies, 38 (4): 343–354.
4. Oldenboom,
E. (2006). Costs and Benefits of Major Sport Events. Amsterdam: MeerWaarde
Onderzoeksadvies.
5. Preuss, H. (2000). Electing an Olympic City – a
Multidimensional Decision. In: Wamsley, K., Martyn, S., MacDonald, G., Gordon,
H. & Barney, R. (eds) Bridging Three Centuries: Intellectual Crossroads
and the Modern Olympic Movement. Londen, ON: 89-104.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.