Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Mind the gap

Mind the gap!

24 juni 2008

Opinie

door: dr. Inge Claringbould

Was het begin vorige eeuw nog uitzonderlijk dat vrouwen sport beoefenden, na de Tweede Wereldoorlog begonnen vrouwen aan een enorme inhaalslag. Inmiddels is het heel normaal dat vrouwen sporten en net als mannen topsport bedrijven. En ze doen het uitstekend: berucht is de inhaalslag van vrouwen op een discipline die eeuwenlang het domein van mannen was. De naam zegt genoeg: het koningsnummer bij het hardlopen, de 100 meter sprint. Zowel mannen als vrouwen boeken gaandeweg snellere tijden. Alleen vrouwen verbeteren hun prestaties iets sneller dan mannen.

Als het gaat om sportbeoefening en sportprestaties hebben vrouwen de kloof snel weten te overbruggen. Hoe anders is het gesteld in sportbesturen, het terrein waar de belangrijkste beslissingen worden genomen met betrekking tot de ontwikkeling van de sport. In bondsbesturen zit slechts zo’n 14% vrouwen, in verenigingsbesturen ongeveer 34%.
Ook in de sportjournalistiek, waar het beeld dat wij van sport hebben wordt bepaald, zijn vrouwen ondervertegenwoordigd. In de journalistiek werken 34% vrouwen, in sportjournalistiek: 7%. 

Wat ik in mijn onderzoek ‘Mind the Gap, the layered reconstruction of gender in sportrelated organizations’ (de gelaagde reconstructie van vrouwen in sportgerelateerde organisaties) laat zien, is dat gender enerzijds gevolgen heeft voor structuren van organisaties. Omdat hogere posities meer geassocieerd worden met mannelijke kenmerken, worden mannen vaker gezien als een beter passende kandidaat. Daardoor hebben zij een grotere kans op deze posities terecht te komen. Anderzijds heb ik laten zien dat dergelijke betekenissen de individuele keuzen van mannen en vrouwen beïnvloeden.

Zowel op structureel niveau als op individueel niveau bevestigen beelden, ideeën en stereotyperingen de bestaande ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Deze is dan ook moeilijk te doorbreken. Dit heeft enerzijds te maken met eigenschappen, beelden en ideeën die aan mannen en vrouwen worden toegekend. Mannen zouden prestatiegericht, krachtig, doortastend en macho zijn. Vrouwen zouden juist emotioneler, zorgzamer, liever, meer gericht op consensus zijn.
Anderzijds heeft het te maken met activiteiten en taken waaraan we betekenissen toekennen die geassocieerd worden met mannelijk of vrouwelijk. Neem bijvoorbeeld de voorzitterstaak of de taak om koffie te schenken bij een vergadering. Natuurlijk kan een vrouw voorzitter zijn en kan een man koffieschenken, maar toch zijn deze taken ‘gendergeladen’.

Over het algemeen kan men stellen dat er meer gewicht wordt toegekend aan wat mannen doen. Dit (impliciete) statusverschil komt onder andere tot uitdrukking in de volgende voorbeelden. Vrijwel alle topsporters (mannen én vrouwen) worden getraind door mannen. Vrouwen trainen vaker jeugdleden. Zij trainen zelden mannelijke leden. In besturen wordt de voorzittersfunctie meestal door mannen vervuld. Vrouwen doen ondersteunende werkzaamheden, bijvoorbeeld als secretaris.

Wat opvalt is dat veel vrouwen en mannen die ik heb geïnterviewd ervan overtuigd zijn dat de kansen voor beide gelijk zijn en dat er geen sprake is van discriminatie. Ik noem dit genderneutraliteit. Dit idee is echter niet juist; ideeën over wie een passende kandidaat voor welke positie is, zijn voor vrouwen en mannen verschillend. Bijvoorbeeld een ideale topsportbestuurder is - zo blijkt uit mijn onderzoek - is iemand met invloed die, doelgericht, coöperatief, doortastend, objectief, competitief, krachtig en loyaal is. Dit klinkt als een vrij objectieve beschrijving van goed bestuurder. Toch is het dat geenszins. Bedenkt men deze eigenschappen bij een man dan ziet men als snel de ideale kandidaat. Doet men hetzelfde bij een vrouw dan wordt haar daadkracht en doortastende houding regelmatig als negatief gedrag ervaren. De gelijke kwaliteiten van beide kandidaten worden niet gelijk beoordeeld.
Wil een vrouw werkelijk in aanmerking komen voor een dergelijke functie, dan moet zij enerzijds aan het mannelijke profiel voldoen en tegelijkertijd moet zij toch vrouwelijk blijven. Dat is een complexe tegenstrijdige eis, waar veel vrouwen niet aan willen/kunnen voldoen. Dit betekent dat de poel waaruit gevist kan worden beperkt is.

Daar komt bij dat kandidaten voor hogere functies meestal via mannennetwerken geworven worden. En dat vrouwelijke kandidaten met kleine kinderen gezien worden als een ‘risicofactor’, terwijl dit nauwelijks geldt voor mannelijke kandidaten met kleine kinderen. De cirkel wordt daarmee niet snel doorbroken…

Daarbij wil ik graag de in mijn onderzoek veelgehoorde uitspraak ‘dat vrouwen zelf niet in een bestuur zouden willen’ relativeren. Dergelijke keuzen zijn niet puur individueel, maar contextafhankelijk. Als een vrouw gevraagd wordt in een bestuur met verder alleen mannen, geeft het haar vaak een wat vervreemdend gevoel. Een vrouw zei ‘Waarom vragen ze mij, er zitten daar alleen mannen van middelbare leeftijd’. Wanneer de kandidaat geen vrouw, maar een man van middelbare leeftijd was geweest was de keuze voor hem ook anders, zoals een bestuurder zei ‘Het is een club vrienden’. Dergelijke ideeën beïnvloeden de keuze van de kandidaat. Bovendien blijkt dat vrouwen die gevraagd worden voor een hoge sportbestuursfunctie terughoudend zijn in het accepteren van de functie, omdat ze ‘geen zin hebben in machtspelletjes’ en ‘bang zijn als veredelde secretaresse te worden ingezet’. En dat terwijl ze ook aangeven ambities te hebben om de sport te verbeteren.

Daarnaast blijkt dat veel mannen en vrouwen het heel normaal vinden dat er zo weinig vrouwen in topbesturen en sportjournalistiek werken. Ik noem dat gendernormaliteit. De leden van een bestuur met een evenredige vertegenwoordiging hadden daarentegen het gevoel dat hun bestuur heel uniek was.

Ook zijn er niet veel besturen die warmlopen om maatregelen te treffen en meer vrouwen te werven. De ongelijke verhoudingen zouden vooral te maken hebben met het feit dat vrouwen andere keuzes maken en geen sportbestuursfunctie of journalistieke functie ambiëren. Vrouwen zijn van harte welkom, maar ze willen niet. Dit is een kwestie van vrije keuze en er is dus geen reden om er iets aan te doen. Ik noem dit genderpassiviteit. Deze drie veronderstellingen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en versterken elkaar. Het ontkennen en normaal vinden van verschillen vormt de basis voor het niet initiëren van veranderingen, met als gevolg dat er niet veel zal veranderen.

Uiteraard zijn er uitzonderingen
Ik heb geprobeerd in mijn onderzoek te laten zien hoe wij steeds opnieuw genderverschillen vormgeven en daarmee ongelijke machtsverhoudingen reconstrueren. Tevens heb ik laten zien dat deze patronen doorbroken (kunnen) worden. Vrouwen en mannen die positief actiebeleid op de agenda weten te zetten, die nieuwe kandidaten buiten mannen netwerken proberen te werven, of die op niet stereotype wijze met elkaar omgaan.

Er zijn nauwelijks topbesturen met een min of meer gelijk aantal vrouwen en mannen, maar de mannen en vrouwen die erin zitten zijn er allen positiever over dan over een bestuur bestaande uit (vrijwel) alleen mannen. Bovendien is er voldoende onderzoek bekend over de invloed van vrouwen in dergelijke functies; de invulling van het beroep wordt er wellicht niet beter van, maar wel anders, er worden andere accenten gelegd. Ten slotte is een bestuur dat een afspiegeling vormt van haar leden over het algemeen van belang voor de betrokkenheid van de leden. Daarmee is representativiteit ook een kwalitatief argument. 

Zelf vind ik het belangrijk om niet alleen praktische argumenten voor verandering aan te dragen maar de discussie ook meer principieel te voeren. Is het wenselijk dat de beelden die wij over sport hebben voor het belangrijkste deel bepaald worden door een witte mannelijke meerderheid? Is het wenselijk dat besluiten over sport op het hoogste niveau genomen worden door een witte mannelijke meerderheid? Dat dit ingaat tegen onze democratische principes is naar mijn idee een sterk argument om iets te (willen) veranderen.

Dr. Inge Claringbould is momenteel werkzaam als coördinator en docent van de Masteropleiding Sportbeleid en Sportmanagement aan de USBO, Universiteit Utrecht. Sinds 2002 werkt ze bovendien bij het Mulier Instituut als gelieerd onderzoeker. Tussen 2002 en 2006 werkte ze aan het onderzoeksproject over ‘In- en uitsluiting in de sport’. Ze publiceerde in 2006 het boek 'Vrouwen in zicht' en in 2004 publiceerde ze samen met Agnes Elling het boek 'Heldinnen in de sport'. Sinds 2007 werkt Inge Claringbould samen met Agnes Elling aan het onderzoek ‘Verenigingssporters: beleving en betrokkenheid’. Hierin wordt nagegaan hoe verenigingssporters hun vereniging en sport ervaren. Op 17 juni 2008 verdedigde Inge Claringbould haar proefschrift 'Mind the gap: : de gelaagde reconstructie van gender in sportgerelateerde functies’. Bovenstaand artikel is geschreven naar aanleiding van haar onderzoeksbevindingen. Voor meer informatie: i.e.c.claringbould@uu.nl

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.