Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Meisjes van 13 en doping

Meisjes van 13 en… doping

16 februari 2010

Opinie

door: Janwillem Soek

De verdenking van dopinggebruik van een 15-jarige schaatser was voor de Nederlandse Dopingautoriteit aanleiding om zijn twee jaar jongere zus – ook een schaatstalent – onder verscherpte observatie te plaatsen. Om daartoe over te kunnen gaan had de Dopingautoriteit de toestemming van de ouders nodig. De ouders weigerden hun medewerking te verlenen waarna de Koninklijke Nederlandse Schaatsbond de schaatsster verbood om uit te komen in wedstrijdverband.

De schrijvende pers besteedde ruim aandacht aan het geval en voor het kamerlid Neppérus was het aanleiding om de staatssecretaris voor sport om uitleg te vragen. De Dopingautoriteit wilde de situatie niet op de spits drijven en was bereid haar eis in te trekken onder voorwaarde dat de ouders zouden instemmen met een ‘reguliere dopingcontrole’. Daartoe waren zij bereid. In dit geval liep het avontuur voor de schaatsster goed af, maar dat laat onverlet dat de Dopingautoriteit op basis van het Nederlandse Dopingreglement de bevoegdheid behoudt minderjarige sporters aan een streng anti-dopingregime te onderwerpen. In het onderstaande wordt ingegaan op de vraag of de sociale en juridische beginselen betreffende de bescherming en het welzijn van kinderen die in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind zijn neergelegd zich niet tegen een dergelijke bevoegdheid verzetten.

Op 3 tot en met 5 mei 2003 vond te Kopenhagen de tweede Wereld Conferentie over Doping in de sport plaats. Aan de conferentie namen onder meer vertegenwoordigers van tachtig overheden en zeventig Internationale sportfederaties deel. De door het World Anti-Doping Agency (WADA) opgestelde Wereld Anti-Doping Code werd aan het einde van de conferentie door de vertegenwoordigers uit de sportwereld aanvaard. De overheden konden zich niet rechtstreeks binden aan een door een privaatrechtelijke organisatie opgesteld document. Er zou gezocht worden naar een instrument voor de formalisering van de overheidsverplichtingen. Gekozen werd voor het opstellen van een Verdrag in het kader van de UNESCO. Tijdens de 33ste Algemene Vergadering van de UNESCO werd op 19 oktober 2005 unaniem de International Convention against Doping in Sport vastgesteld en aangenomen. Nadat de in art. 37 van het Verdrag vereiste dertig landen het verdrag geratificeerd hadden, trad het op 1 februari 2007 in werking.

Het Verdrag legt geen verplichte harmonisatie van wetgeving op; de verdragspartners zijn vrij in de keuze van de in te zetten instrumenten om aan de Verdragsverplichtingen te voldoen, variërend van wetgeving tot aan administratieve procedures. De verplichtingen van een overheid kunnen ook nagekomen worden door middel van een beleid van zelfregulering.

Met de aanvaarding van het Verdrag neemt een Verdragspartij diverse verplichtingen op zich. Echter, een groot aantal van die verplichtingen wordt voorafgegaan door de clausule ‘where appropriate’, en kan derhalve niet beschouwd worden als harde verplichtingen, maar meer als inspanningsverplichtingen. Indien die clausule in een bepaling is opgenomen, biedt dat de Verdragspartijen de ruimte om te beoordelen of de bepaling voor de eigen specifieke situatie relevant is. Dit alles hangt samen met de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de georganiseerde sport en de overheid die in veel landen (waaronder Nederland) geldt, namelijk dat de sport primair verantwoordelijk is om het gebruik van doping tegen te gaan. In een dergelijke situatie worden de meeste verplichtingen van de Verdragspartijen dan ook via de georganiseerde sport gerealiseerd en heeft de overheid slechts een stimulerende rol.

Elke verdragspartij dient een National Anti-Doping Organisation (NADO) aan te wijzen. Deze NADO is op basis van de WADA Code verantwoordelijk voor het controleren van alle sporters en hun begeleidend personeel binnen zijn landsgrenzen ongeacht of zij de Nederlandse nationaliteit bezitten. De NADO is bovendien verantwoordelijk voor de berechting van sporters die een anti-doping regel hebben geschonden. De Nederlandse overheid (het Ministerie van VWS) en de landelijke sport (NOC*NSF) hebben de Dopingautoriteit aangewezen om de rol van NADO in Nederland te vervullen.

WADA heeft in zijn Model Rules for National Anti-Doping Organizations aangegeven welke bepalingen in de WADA Code verplicht opgenomen moeten worden in een nationaal anti-doping reglement. Krachtens het UNESCO Verdrag staat het Verdragspartijen vrij in hun nationale antidoping-beleid maatregelen op te nemen die verdergaan dan de WADA Code voorschrijft. Dat is vooral van belang voor die Verdragspartijen die een andere verantwoordelijkheidsverdeling dan die wij in Nederland kennen en bijvoorbeeld het gebruik van doping via (straf)wetgeving pogen tegen te gaan. Uit het Verdrag komt niet duidelijk naar voren of een niet-gouvernementele instelling als de Nederlandse Dopingautoriteit daartoe ook het recht heeft. Die Dopingautoriteit is de auteur van het thans van kracht zijnde ‘Nationaal Dopingreglement’ (NDR). Op de website van de Dopingautoriteit leest men dat “het Nationaal Dopingreglement … een vertaling [is] van de Wereld Anti-Doping Code”. Van een letterlijke vertaling is echter allerminst sprake. In het NDR komen diverse bepalingen voor die niet in de WADA Code zijn opgenomen. De WADA Code kent bijvoorbeeld geen specifieke bepalingen over minderjarige sporter. Het NDR gaat uitvoerig in op deze categorie sporters. Onder minderjarigen worden in art. 18.1 NDR sporters verstaan die de ouderdom van achttien jaren niet hebben bereikt. In hoeverre worden in het NDR voor minderjarige sporters uitzonderingen gemaakt op de regels die voor volwassenen gelden?

De Dopingautoriteit kan een aantal atleten aanwijzen die zich voor dopingcontroles buiten wedstrijdverband beschikbaar moeten houden (testing pool). In art. 6.1. NDR wordt bepaald dat sporters die zijn opgenomen in de testing pool verplicht zijn de Dopingautoriteit voor elke dag gedurende een kwartaal correcte en volledige whereabouts-informatie te verstrekken, waaronder in ieder geval hun contact- en verblijfsgegevens. De sporters die opgenomen zijn in de testing pool dienen voor de twintigste van de maand die voorafgaat aan het volgende kwartaal op een formulier via internet te invullen op welke specifieke locatie zij elke dag van de komende drie maanden gedurende een aaneengesloten periode van zestig minuten zullen verblijven (het zogenaamde ‘one hour time slot’) om een dopingcontrole te ondergaan. De aangewezen sporter is dus verplicht voor de komende drie maanden elke locatie op te geven waar hij of zij zal trainen, werken, studeren en/of enige andere reguliere activiteit zal uitvoeren. Die informatie heeft de Dopingautoriteit nodig om sporters buiten wedstrijdverband onverwacht en zonder enige vooraankondiging op het gebruik van doping te kunnen controleren.

Welke atleten komen in aanmerking om in de nationale testing pool opgenomen te worden? Op de website van WADA onder ‘Questions & Answers on Whereabouts’ laat WADA weten dat de whereabouts vereisten slechts gelden voor een beperkt aantal atleten van topniveau die door hun NADO opgenomen zijn in de Testing pool. WADA is niet verantwoordelijk voor de beslissing om een sporter op te nemen in de testing pools. “NADOs are afforded discretion to create a registered testing pool at the national level. It is WADA’s recommendation that registered testing pools be of proportionate and manageable size and focus on top international and national elite athletes”.

Krachtens art. 24.2. NDR bepaalt de Dopingautoriteit welke sporters tot de (nationale) Testing Pool behoren. Aangezien in de WADA Code noch in het NDR een leeftijdgrens is aangegeven, kan de Dopingautoriteit minderjarigen opnemen in de testing pool. Krachtens het Nederlandse recht zijn de ouders van een kind onder de achttien jaar gezamenlijk de wettelijk vertegenwoordigers van dat kind. Dat betekent dat de ouders beslissingen moeten nemen voor dat minderjarige kind. De ouders zijn belast met de opvoedkundige en juridische verantwoordelijkheid voor hun minderjarige kinderen. Het opnemen van een minderjarige in de testing pool kan derhalve niet zonder overleg met de ouders plaatsvinden. In art. 18.4. NDR treft men de volgende bepaling aan:

“Voor minderjarige sporters die deel uitmaken van de (nationale) Testing Pool en bij aanvang van een wedstrijdseizoen de leeftijd van zestien jaar nog niet hebben bereikt, bepaalt de Wet Bescherming Persoonsgegevens dat de wettelijk vertegenwoordiger specifiek en schriftelijk toestemming moet geven voor het verwerken van persoonsgegevens. De wettelijk vertegenwoordiger dient de toestemming voor al deze gegevensverwerking voorafgaand aan een seizoen of kalenderjaar te geven door middel van een specifieke schriftelijke machtiging. Indien de schriftelijke toestemming niet door middel van deze machtiging wordt gegeven, is het de betreffende sporter niet toegestaan in wedstrijdverband uit te komen tot het moment dat de Bond de machtiging als bedoeld in dit lid heeft ontvangen.”

Aan het einde van deze bepaling wordt erop gewezen dat het niet geven van de toestemming niet beschouwd mag worden als een overtreding van art. 5 NDR ((Poging tot) gebrekkige medewerking) of art. 6 (Gebrekkige informatieverstrekking). Het uitsluiten van de “betreffende” sporter – zonder vorm van proces – mag denkelijk ook niet aangemerkt als een sanctie.

De ouders van kinderen onder de zestien jaar kunnen met goed recht menen dat het niet de opvoeding van hun kinderen ten goede komt als zij op elk moment dat het een dopingcontroleur goed dunkt in het bijzijn van die controleur een urinemonster moeten afleveren. Zij zullen in zo’n geval hun medewerking aan de dopingcontrole buiten wedstrijdverband weigeren en de whereabouts gegevens van hun kinderen niet verstrekken.

Dat was ook het standpunt van de ouders van de 13-jarige schaatsster Dominique Lommers. Zij kreeg op 28 oktober 2009 via een brief van de Dopingautoriteit te horen dat zij per 8 november deel uitmaakte van de nationale testing pool. Aanleiding daartoe was dat Dominique’s 15-jarige broer bij een dopingtest betrapt was op het gebruik van anabole steroïden. NRC Handelsblad berichtte op 11 november jl.: “Aangezien de dertienjarige schaatsster tot de naaste kring van de verdachte schaatser behoort, de Dopingautoriteit veel tegenwerking van de ouders zegt te ondervinden en het meisje … ‘opvallend goed presteert’, werd gezocht naar een middel om haar te kunnen testen. … Volgens directeur Herman Ram maakt de Dopingautoriteit ‘zich ernstig zorgen om dat meisje’ en wil hij haar bij verrassing kunnen controleren”.

Op basis van art. 18.4. NDR had de Dopingautoriteit het recht om de schaatsster in de testing pool op te nemen. Nadat haar ouders geweigerd hadden haar persoonsgegeven te verstrekken had de schaatsbond het recht de schaatsster te verbieden om in wedstrijdverband uit te komen. Henk Stouwdam schreef in de NRC van 20 november 2009 dat het niet de bedoeling van de Dopingautoriteit was geweest om het zover te laten komen. Indien de ouders een schriftelijke verklaring zouden geven dat zij zouden meewerken aan de reguliere controles bij hun dochter. De ouders kregen daartoe tot 23 november 2009 de tijd. Herman Ram vergat echter de KNSB daarover in te lichten waarna de bond Dominique Lommers een startverbod oplegde, omdat haar ouders weigerden de verplichte persoonsgegevens voor de whereabouts aan de bond door te geven. In de NRC van 14 november 2009 werd Huub Stammes, algemeen directeur van de KNSB geciteerd: “De Nederlandse Dopingautoriteit moest wel overgaan op een paardenmiddel, namelijk de whereabouts. Ik sta achter de beslissing van de Dopingautoriteit totdat de ouders schriftelijk toestemming geven voor dopingcontroles.”

Voorzichtigheid, zorgvuldigheid en respect voor het gezinsleven lijken wel van ondergeschikt belang als het op de strijd tegen doping aankomt. Op 19 november 2009 berichtte De Gelderlander dat het “Arnhemse schaatstalent Dominique Lommers (13) … niet langer [hoeft ] deel te nemen aan de Nationale Testing Pool, het zwaarste dopingcontroleprogramma. …. De Dopingautoriteit trekt die eis in mits wordt ingestemd met reguliere dopingcontrole. Daartoe is de familie bereid.”

Niet alleen vanuit een ethisch standpunt staat het bloot aan kritiek om kinderen onder de 16 in de doping pool te plaatsen, maar ook vanuit een juridisch standpunt is het aanvechtbaar. Nederland heeft immers het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) geratificeerd. Art.16 van dat Verdrag luidt als volgt:
1. Geen enkel kind mag worden onderworpen aan willekeurige of onrechtmatige inmenging in zijn privéleven, in zijn gezinsleven, zijn huis of zijn briefwisseling, noch aan enige onrechtmatige aantasting van zijn eer en goede naam.
2. Het kind heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting.

Dit artikel vertoont een grote overeenkomst met art. 8 van het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Dat artikel biedt eenieder Recht op eerbiediging van privéleven, familie- en gezinsleven. Het Hof voor de Rechten van de Mens heeft de zogenaamde ‘positive obligation’ doctrine en de directe horizontale werking van de mensenrechten in het EVRM aanvaard. De privacygarantie die art. 8 EVRM biedt is in art. 16 IVRK nader toegespitst op kinderen. Van de vaststelling kan uitgegaan worden dat mensen- en fundamentele rechten niet alleen afweerrechten zijn tegenover de overheid, maar dat zij tevens gelden als een door de grondwet of mensenrechtenverdragen gewaarborgde algemene ordening van waarden die tevens kan gelden tussen burgers onderling. Deze directe horizontale werking van de mensenrechten geeft een jeugdige sporter de mogelijkheid op basis van art. 16 IVRK bij de rechter een geding aan te spannen tegen de anti-dopingorganisatie wegens schending van zijn recht op privacy. Indien een dopingcontroleur zich onaangekondigd aandient bij een minderjarige voor een controle, kan dat beschouwd worden als een willekeurige inmenging in zijn privé-leven. Van onrechtmatige inmenging in het privéleven van een minderjarige kan sprake zijn aangezien de door de dopingorganisatie uitgezonden controleur zich toegang tracht te verschaffen tot de verblijfplaats van de minderjarige zonder een daartoe benodigde schriftelijke machtiging van een in de wet aangewezen overheidsorgaan.

Door de weigering van de ouders om de whereabouts gegevens van hun dochter te verstrekken is de Dopingautoriteit niet tot daadwerkelijke controles buiten wedstrijdverband over kunnen gaan. De Dopingautoriteit heeft de ouders tot kern van hun probleem met de schaatsster gemaakt. Met welk recht heeft de Dopingautoriteit – ondanks het feit dat zij in het NDR de ouders heeft geschaard onder het ‘begeleidend personeel’ van de minderjarige sporter – zich in te laten met de rechten en plichten die ouders hebben ten opzichte van hun minderjarige kind? Ouders hebben de plicht zich naar behoren te kwijten van de taak hun kinderen in alle rust op te laten groeien. Van een meisje van dertien kan niet verwacht worden dat zij buiten schooluren een vaste dagindeling heeft en van ouders kan niet gevergd worden dat zij hun kind daartoe zullen dwingen. Met betrekking tot de rechten en plichten van ouders bepaalt het IVRK in art. 5:
“De Staten die partij zijn, eerbiedigen de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de ouders ... om te voorzien, op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind, in passende leiding en begeleiding bij de uitoefening door het kind van de in dit Verdrag erkende rechten”.

Indien een Staat zich aan die eerbiediging moet houden, dan kan dat zeker van de Dopingautoriteit verwacht worden.

Art. 4, lid 1 van het UNESCO Verdrag staat verdragspartijen toe maatregelen te treffen die verder gaan die welke in de WADA Code zijn opgenomen. De vraag is of private nationale anti-dopingorganisaties – organisaties derhalve die geen deel uitmaken van het staatsapparaat – ook die vrijheid hebben. In Nederland heeft de Minister van Buitenlandse Zaken het UNESCO-Verdrag het parlement ter stilzwijgende goedkeuring overlegd. De parlementsleden hebben niet aangedrongen om het verdrag aan een uitdrukkelijke goedkeuring te onderwerpen. Er heeft derhalve geen discussie plaatsgevonden over de juridische plaats in de samenleving van de Dopingautoriteit. Bekend is dat de Dopingautoriteit haar missie – het realiseren van een dopingvrije sport in Nederland – uitvoert in opdracht van het ministerie van VWS en de landelijke sport (NOC*NSF). In het jaarverslag over 2008 deelt de Dopingautoriteit mee dat “De nieuwe Code … van kracht [is] geworden op 1 januari 2009, en [dat] vóór die datum … de Nederlandse topsportbonden dan ook over een Code-conform dopingreglement moesten beschikken. Om dit mogelijk te maken heeft de Dopingautoriteit een Nationaal Dopingreglement opgesteld en dat ter vaststelling aan de bonden aangeboden.”

Nergens uit de stukken van de Dopingautoriteit blijkt dat de overheid enige betrokkenheid heeft bij en enige verantwoordelijkheid draagt voor de tekst van het NDR. De overheid heeft nooit bezwaar gemaakt tegen bepalingen in het NDR die verder gaan dan de maatregelen in de WADA Code. Nooit is bezwaar gemaakt tegen het opnemen van een bepaling in het NDR die de Dopingautoriteit de mogelijkheid biedt om kinderen van dertien – of nog jonger – te verbieden deel te nemen aan wedstrijdsport als ouders uit hoofde van hun opvoedkundige taak weigeren gehoor te geven aan door de Dopingautoriteit opgelegde verplichtingen. Nooit is van overheidswege bezwaar gemaakt tegen het opnemen van een bepaling die in strijd is met een door Nederland goedgekeurd verdrag.

Als enig parlementslid heeft Helma Neppérus zich gestoord aan de mogelijkheid om jonge sportende kinderen te onderwerpen aan intensieve dopingcontroles en heeft zij staatssecretaris Bussemaker opgeroepen hier een einde aan te maken. Krachtens art. 12(a) van het UNESCO Verdrag heeft een verdragspartij een zekere verantwoordelijkheid met betrekking tot de uitvoering van dopingcontroles door de anti-doping organisatie onder zijn rechtsmacht. De oproep van mevrouw Neppérus kan er misschien toe leiden dat de overheid het NDR kritisch zal gaan bekijken en de Dopingautoriteit opdraagt bepalingen in het NDR, die strijdig zijn met het geldende recht – waaronder de bepalingen in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind – en met de in Nederland geldende ethische normen, te schrappen.

“Jemand mußte Josef K. verleumdet haben, denn ohne daß er etwas Böses getan hätte, wurde er eines Morgens verhaftet.”

Franz Kafka, Het proces.

Dr. Janwillem Soek is als Senior Research Fellow verbonden aan het ASSER International Sports Law Centre te Den Haag (www.sportslaw.nl).

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.