26 augustus 2008
Opinie
Een aantal weken geleden liet ik mij in een discussieforum de uitspraak ontlokken dat doping in de toekomst gelegaliseerd zal worden. De aanstichter was Hans van Breukelen, iemand die weet hoe je mensen de verkeerde hoek kunt laten kiezen. De uitspraak was wat kort door de bocht. Zeker nu in de wielrennerij een grote schoonmaakactie wordt gehouden en de WADA beloofde dat de Olympische Spelen in Beijing ‘de schoonste Spelen ooit’ zouden zijn (en daar redelijk in lijkt te zijn geslaagd), is een nuancering op zijn plaats.
De officiële definitie van doping is volgens de Dopingautoriteit ‘een overtreding van een of meer bepalingen uit het dopingreglement’ of simpeler ‘stoffen en methoden die verboden zijn door het Wereld Anti-Doping Agentschap (WADA)’. Op de website van de Dopingautoriteit kon ik geen ander argument tegen doping vinden dan dat het verboden is. De definitie van de Dopingautoriteit is streng legalistisch en biedt geen ruimte voor discussie. Zo is het ook met de controle en bestraffing. Een verboden stof in je lichaam? Schorsing! Deze benadering is autoritair, zoals je van een autoriteit kunt verwachten, maar verschaft de sporters en hun begeleiders maximale duidelijkheid.
Als socioloog kijk ik er iets anders tegen aan. Doping is een van de vele medisch-technische hulpmiddelen die de sport vanuit andere disciplines worden aangereikt. Zonder de inbreng van de kennis en ervaring van specialisten op medisch, technologisch en financieel gebied zou de sport veel minder ver ontwikkeld zijn dan ze nu is en zou ze een veel minder prominente plaats in de samenleving innemen. Wie hieraan nog twijfelt, leze de lofzang op innovaties in de sport in het boekje Nieuwe wegen naar winst van Jan Willem van der Wal (voorheen directeur van InnoSportNL).
Niemand heeft er bezwaar tegen dat de sport gebruik maakt van medische en technologische kennis, mits dit binnen bepaalde grenzen blijft. Zo’n grens werd overschreden toen Chris Boardman en Graham Obree op futuristische, aerodynamische fietsen het werelduurrecord verpulverden. De grens werd niet overschreden met de klapschaats en het LZR-zwempak. De door NOC*NSF ontwikkelde koelvesten mochten wel gebruikt worden tijdens internationale hockeywedstrijden, maar niet tijdens atletiekwedstrijden. De grens tussen wat wel en wat niet is toegestaan, wordt door bestuurders bepaald en is niet altijd even logisch en scherp getrokken.
Het meest omstreden is de toepassing van technologie op het menselijk lichaam. Er zijn weinig bezwaren tegen het verhelpen van blessures met behulp van medische technologie. Duizenden mensen kunnen zich weer sportief bewegen doordat ze van hun blessure zijn afgeholpen. Mensen met een knieprothese of een kunstmatige hartklep zijn dolgelukkig met het feit dat ze weer eens een stevig eind kunnen fietsen. Wat geldt voor de recreatiesporters, geldt ook voor de topsporters. Fameus is het geval van Oscar Pistorius, maar hij is lang niet de enige die zich dankzij medisch-technologische ingrepen kan meten met de beste valide sporters. Chirurgen kunnen sporters zo goed behandelen dat die na een blessure met een gerust hart hun prestaties weer kunnen opvoeren. Blessurebehandeling en prestatieverhoging liggen dicht bij elkaar.
De grens tussen wat wel en wat niet is toegestaan, is smal en wordt zwaar bewaakt. Ieder grensverkeer is verboden en smokkel wordt streng bestraft. Opmerkelijk is dat deskundigen aan zowel de ‘foute’ als de ‘goede’ kant de grens opzoeken. ‘Dopingartsen’ en farmacologen ontwikkelen nieuwe stimulerende en maskerende middelen, terwijl aan de andere kant technologieën worden ontwikkeld die soms angstig dicht bij het verboden gebied liggen.
Sportorganisaties hebben gewoonlijk drie argumenten om enorme bedragen uit te geven aan dopingbestrijding: de gezondheid van de sporters, het eerlijke verloop van wedstrijden en het behouden van sponsors. Een minstens zo belangrijk argument is de druk vanuit de politiek. Overheden verlangen van de sportwereld dat deze niet in strijd handelt met hun volksgezondheidsbeleid. De sport heeft in deze visie een voorbeeldrol te vervullen ten aanzien van een gezonde leefstijl, dat wil zeggen een leven met veel bewegen en zonder drugs.
Vorige week kwam in het nieuws dat het ‘zerotolerancebeleid’ bij dancefestivals een averechts effect heeft. Jongeren nemen nu voor aanvang van het feest extra grote hoeveelheden drugs en melden zich minder snel bij de EHBO-post uit angst om opgepakt te worden. Dit beleid is volgens onderzoekers minder ingegeven door gezondheidsoverwegingen dan door de wens van politie en justitie om te scoren bij de politiek en in de publieke opinie. Ooit heb ik van de voormalige minister Hoogervorst de uitspraak opgetekend dat mensen geen recht hebben op een ongezond leven. Het zou me niet verbazen als hij deze uitspraak heeft teruggenomen, maar hij is wel illustratief. De bevordering van een gezonde leefstijl, zonder drugs, tabak en liefst ook alcohol, lijkt soms dictatoriale trekjes te krijgen. De jacht op dopingzondaars in de sport laat ook zien hoe massief repressief overheden kunnen optreden in zaken die relatief licht crimineel zijn. Terecht stellen critici (zelfs de huidige staatssecretaris Jet Bussemaker) de vraag of de privacy van de sporters nog wel voldoende wordt geëerbiedigd. Het huidige anti-dopingbeleid lijkt de grenzen van legitimiteit te naderen. Het wordt tijd om serieus na te denken over een andere aanpak van het probleem.
Doping zal in de toekomst niet worden gelegaliseerd. De meeste middelen die op de dopinglijst staan, zullen daar op blijven staan. Waarschijnlijk komen er nog bij. Ook de legitieme prestatiebevorderende middelen en methoden zullen in soort en aantal toenemen. Zolang zij worden ontwikkeld en geproduceerd in de laboratoria en fieldlabs van erkende instellingen (partners van de sport) is het onwaarschijnlijk dat de grens tussen goed en fout zo wordt verlegd dat ze aan de verkeerde kant terecht komen. De uitdaging voor de beleidsmakers zou moeten zijn deze legitieme middelen en methoden uit te bouwen tot een goed alternatief voor doping. Betaalbaarheid, beschikbaarheid en effectiviteit zijn daarbij sleutelwoorden. Als de sportautoriteiten daarin slagen blijven dopingcontroles wel nodig, maar kan aan de recente meedogenloze dopingjachten een eind worden gemaakt.
Ruurd Kunnen (1949) is socioloog en sinds zijn proefschrift ‘Schaken in Stijl’ (2002) gespecialiseerd in sportsociologie. Hij werkt als zelfstandig onderzoeker in swob De Kade. Voor meer informatie: www.swobdekade.nl
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.