29 september 2009
Opinie
Jan Rijpstra schrijft in zijn column van 22 september 2009 enkele passages over de totstandkoming van het topsportbeleid.
Terecht meldt hij dat er - zoals vaak bij het Nederlandse sportbeleid - aan besluiten jaren vooraf gaan met vele adviezen en notities. Hij noemt dat in de jaren zeventig door de rijksoverheid, gemeenten, provincies en de georganiseerde sport werd gediscussieerd over de vraag of de overheid verantwoordelijkheid moest nemen voor de topsport, hij noemt de nota ‘Topsport en Rijksoverheid’ van CRM en de ‘Adviesnota Topsport’ die in het kader van het Nationaal Sport Overleg was samengesteld, en hij noemt ook dat in juli 1984 de Raad voor de Topsport de notitie ‘Knelpunten voor de topsporter’ uitbracht.
Dan maakt hij een sprong naar 1990 met het onderzoek naar ‘Knelpunten in de rechtspositie van de topsporter’ en stelt hij dat in 1992 zelfs een doorbraak werd bereikt. De Nederlandse Atleten Commissie - door het toenmalig NOC in 1991 ingesteld - zou de politiek hebben weten te overtuigen dat de instelling van het Fonds voor de Topsporter (onder minister Hedy d’Ancona ingesteld dankzij de Kamerleden, Dees (VVD), Vliegenthart (PvdA) en Frissen (CDA) gevuld met vijf miljoen gulden) een impuls moest krijgen.
Het leek me juist hierbij een uitgebreide kanttekening te moeten maken.
Voor een goed begrip mag dienen dat er tussen 1984 en 1990 en 1992 nogal wat
gebeurd is. Zo werd onder meer op 27 maart 1987 door de NSF een symposium
georganiseerd onder de titel: ‘Topsport, wat doen we er mee?’. Met als
sprekers onder andere Ineke Donkervoort als vicevoorzitter van de Raad voor de
Topsport; Wim de Heer en Peter van Dorst namens de NSF; Ruud Frese namens het
NOC en de Secretaris-generaal van WVC Hans de Boer die staatssecretaris Dees
verving. In de slotzin van zijn betoog zegt De Boer toe dat WVC aan het
totstandbrengen van een meer centrale coördinatie van het topsportbeleid een
bijdrage wil leveren. Waarom is dat van belang?
Omdat Hans de Boer bij
gelegenheid van de Olympische Spelen 1988 te Seoel ook staatssecretaris Dees
verving. Hans de Boer en ik waren de officiële vertegenwoordigers van de
rijksoverheid bij deze Spelen. Hij sprak in Seoel met vele topsporters en met de
bestuurders van diverse sportorganisaties en van NOC en NSF. In mijn overzicht
over de historie van het Holland Heineken House laat ik in een tussendoortje het
volgende weten.
Een ( niet onbelangrijk) tussendoortje
Na
terugkomst uit Seoel werd op 7 december 1988 een bijeenkomst belegd tussen
staatssecretaris Dick Dees, de secretaris generaal Hans de Boer, de directeur
Sport Wim Wagemaker en Loek Jorritsma. Het onderwerp was de rapportage van het
bezoek van de rijksoverheiddelegatie aan de Olympische Spelen van Seoel
1988.
Hans de Boer stelde in die bijeenkomst dat er nu een fundamenteel antwoord dient te komen op de vraag aan de politiek of we inderdaad wel topsport willen. We moeten een keuze maken voor een dergelijke omslag in beleid of niet. Indien we die vraag willen beantwoorden is er meer dan alleen Economische Zaken bij betrokken. Het gaat dan om een bredere mentaliteit inzake de topsport. Dick Dees vraagt om een korte nota voor een gesprek met de Minister President over deze fundamentele vraag en de Secretaris-generaal geeft aan dat hij inzake de ondersteuning van de topsport genoeg heeft gezien om ‘overstag’ te zijn gegaan. Topsport verdient beleidsmatig meer ondersteuning dan thans. Dick Dees stelt dat met de ervaring dat topsport vele Nederlanders zeer sterk boeit het belang van een krachtige nota evident is. Wat betreft het Holland House voor Barcelona wordt in deze bespreking vastgesteld dat een en ander in gang moet worden gezet. Hans de Boer stelt aan het slot van de bespreking dat het verblijf in Seoel (in het Olympic Family Town) voor de staatssecretaris ontoereikend was. Verkeerde zuinigheid lag aan dit besluit ten grondslag!
Enkele maanden later, januari 1989, werd bij de reorganisatie van de Directie Sport de zgn. Taakgroep Topsport in het leven geroepen. Loek Jorritsma was het hoofd van die taakgroep. Een van de eerste medewerkers die door hem in dienst wordt genomen is Marcel Sturkenboom.”
Vanuit deze taakgroep werd het initiatief genomen om het onderzoek
‘Knelpunten in de rechtspositie van de topsporter’ door Heiko van Staveren te
laten uitvoeren. In dat rapport werd onder meer de totstandkoming van een
Statuut voor der Topsporter aanbevolen.
Per brief van 13 maart 1990 is dat
rapport door minister d’Ancona aan de minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aangeboden. Ambtelijk overleg volgde, ook werd op 16 mei 1991
per amicebrief gereageerd.
Intussen was, ook op initiatief van de taakgroep topsport, het onderzoek van
Heiko van Staveren naar ‘Exploitatie van naam, afbeelding, persoon en prestatie’
in mei 1992 afgerond. Ook dit onderzoek werd verricht binnen het beleid voor de
realisering van een Statuut voor de Topsporter.
Op 25 november 1991 vroeg
minister d’Ancona aan de toenmalige staatssecreteris van Financiën de heer van
Amelsvoort aandacht voor de fiscale positie van de topsporters. Per amicebrief
van 10 juli 1992 liet hij weten dat hij graag bereid is om mee te denken over de
gerezen vragen en geeft hiervoor het mandaat aan de betrokken ambtenaren. Bij de
begrotingsbehandeling in 1992 werd inderdaad het Fonds voor de Topsporter in het
leven geroepen en gevuld met vijf miljoen gulden. Die vijf miljoen was overigens
afkomstig uit de Omroepreserves. Jeltje van Nieuwenhoven was hierachter de
stille motor!
De taakgroep Topsport beperkte zich niet tot alleen het fiscale en rechtspositionele deel van de rechtspositie van de topsporters. April 1991 werd namelijk het onderzoek ‘Topsport en Onderwijs’ afgerond. Met dit rapport werd het fundament gelegd onder het gezamenlijke beleid van Onderwijs en WVC inzake de LOOT-scholen.
Het is dus niet zo dat de Nederlandse Atleten Commissie de politiek zou hebben weten te overtuigen. De politiek was al overtuigd. Er moest alleen een goed wetenschappelijk en sterk interdepartementaal ambtelijk onderbouwd beleid worden ontwikkeld. Dat is toen gebeurd.
Loek Jorritsma was wethouder (o.a. sport) in de gemeente Hoorn (1974–1976). Daarna studeerde hij af in de sociale wetenschappen en werkte vanaf 1979 bij de Directie Sport van het Ministerie van VWS, waar hij onder andere verantwoordelijk was voor de ontwikkeling van het beleid op het gebied van topsportevenementen en topsportaccommodaties. Met ingang van 1 april 2006 is hij met de VUT. Bij zijn afscheid schreef Jorritsma een bijdrage aan de discussie over de juridische verankering van sport in het beleid van de rijksoverheid. Hij pleit er voor om sport meer te zien als een publieke zaak en te komen tot een kaderwet specifiek sportbeleid.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.