Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Loek jorritsma reageert op antwoord van gerben eggink op vraag van jan rijpstra

Loek Jorritsma reageert op antwoord van Gerben Eggink op vraag van Jan Rijpstra

16 maart 2010

Opinie

Reactie op Olympisch Vuur reageert op column Jan Rijpstra

De reactie van Gerben Eggink namens het ‘Olympisch Vuur’ op de vraag van Jan Rijpstra naar de regierol inzake het Olympisch Plan 2028 vraagt om een nadere beschouwing. Een beschouwing die er op is gericht om na te gaan of Olympisch Vuur de vraag van Jan op een juiste manier beantwoordt. En - mocht dat niet het geval zijn - te bezien hoe de vraag van Jan dan wél beantwoord kan en moet worden.

Gerben citeert Hein Verbruggen:

‘Ik vind het mooi dat er in Nederland een langetermijnvisie is. En 2028 is natuurlijk het einddoel, maar 2028 is niet alles. De weg naar 2028 moet een verbetering brengen in de sportinfrastructuur, maar ook de algemene infrastructuur van Nederland. Dus of jullie uiteindelijk de Spelen gaan behalen of niet is nog zeer de vraag, want dat is een beslissing voor 2021. En daar zullen ook andere kandidaten opkomen. Maar als u werkelijk met een doel werkt naar 2028 gaat u een zeer positieve erfenis hebben van deze inspanning.’

En Gerben citeert de minister van Sport Ab Klink:

'In het Olympisch Plan gaan we er vanuit dat het organiseren van de Olympische Spelen pas mogelijk is als we ook op andere terreinen goed scoren. Niet alleen in de sport. Het organiseren van de Spelen is daarom ook niet het enige en ook niet het belangrijkste doel van het Olympisch Plan. Het kabinet wil sport in Nederland op een hoger niveau brengen en sport inzetten als middel en inspiratiebron voor andere sectoren. En daarvoor zijn jullie onontbeerlijk!'

Hij stelt dat met dit op het netvlies de vraag van Jan Rijpstra naar de regie goed te beantwoorden zou zijn. Daartoe beschijft hij de huidige situatie waarbij alle stakeholders hun eigen regie voeren en naar hetzelfde toewerken. Hij geeft aan dat al deze specifieke lijnen samen komen in het Council en stelt vervolgens:

´Centrale regie voeren op ieders eigen activiteit is ongewenst en slaat de boel dood. Juist door de gekozen werkwijze is iedereen gemotiveerd om daadwerkelijk wat te doen, en blijft het draagvlak behouden.`

Dan besluit hij met een citaat van Jacques Rogge die, zonder dat daar vanuit één centraal punt regie op is gevoerd, als voorzitter van het IOC goed heeft opgepakt waar het ons om gaat. Rogge zei tegen Mart Smeets sprekend over het Olympisch Plan 2028:

‘Sport is opvoeding. De sport versterkt de geest en het lichaam, sport brengt sociale waarden aan. Sport leert het individu en het jonge individu zich aan te passen aan de samenleving. Hij of zij zal eerst de regel van de referee respecteren en dan die van de samenleving. Sport is gezondheid en sporten is uiteindelijk iets dat zeer moeilijk te geven is aan de jeugd van deze tijd. Sport is een droom en deze droom is kostbaar.’

De vraag naar regie…
Laten we eens kijken wat dat zegt over de vraag van Jan Rijpstra naar de regie en wie de regierol op zich zou moeten nemen. Ik begin met het laatste citaat.

Ik vraag er begrip voor wanneer ik stel dat dit citaat op geen enkele wijze verband houdt met de vraag naar regie. Deze lyrische beschrijving van de maatschappelijke betekenis van sport wordt door vrijwel niemand betwist. En het citaat is ook geldig wanneer wordt gesteld dat er wél een centrale regie zou moeten worden gevoerd. Dat geldt ook voor de citaten van minister Klink en dat van Hein Verbruggen!

Met deze citaten op het netvlies wordt géén bijdrage geleverd aan het onderbouwen van een antwoord op de vraag of een meer centrale regie dan nu gewenst is.

Gerben brengt wel een duidelijke stelling naar voren die ik hiervoor heb aangehaald en in vet en cursief heb opgenomen. In zijn ogen is een centrale regie ongewenst want die slaat de boel dood. En nu is iedereen gemotiveerd om daadwerkelijk wat te doen en blijft het draagvlak behouden! Dus wanneer er een centrale regie zou zijn dan is men niet meer gemotiveerd om nog wat te doen en zal het draagvlak (bij de stakeholders?) afnemen.

Dat belooft niet veel goeds voor de toekomst!

Want Jan Rijpstra stelt in zijn artikel de vraag naar de regie onder meer door te verwijzen naar de vraag van Verbruggen ‘waar het Olympisch dorp voor 15.000 personen moet komen met de infrastructuur om de sporters binnen veertig minuten op de plaats van bestemming te brengen´

En waar wordt die vraag beantwoord?
In het ‘Schetsboek Ruimte voor Olympische Plannen’ van het Ministerie van VROM – in nauwe samenwerking met NOC*NSF – van Mei 2008. Op pagina 15 zien we dat terugkomen.

‘De vraag naar bedden wordt allereerst veroorzaakt door degenen die (al dan niet geaccrediteerd) de Olympische Spelen begeleiden. Uitgaande van de aantallen die in paragraaf 2.1 worden genoemd levert dat een behoefte aan 72.000 bedden. Het IOC geeft daarvoor de richtlijn dat geaccrediteerden (55.000 bedden) moeten worden ondergracht in hotels met (grofweg) drie tot vijf sterren binnen 45 minuten reistijd van de wedstrijden.’

In het Schetsboek wordt vervolgens uitvoerig op deze vraag ingegaan en aangegeven welke voetangels en klemmen zich hierbij voordoen. Dus niet alleen het Olympisch Dorp, maar de gehele infrastructuur die hiermee samenhangt.

En wat is er dan vervolgens nodig om dit gehele Olympisch Plan 2028 te benaderen? Zie daarvoor de pagina’s 67, 68 en 69 van het rapport. Daar wordt onder meer het volgende gesteld:

‘De Olympische Spelen kunnen opgevat worden als een lange keten van samenhangende grote projecten. (..) Maar waarschijnlijk is het verstandig om bij de planvoorbereiding van meet af aan in te zetten op het kweken van een breed draagvlak onder de Nederlandse bevolking. (..) Ook zal dan bekend moeten zijn welke stad haar naam aan het bid voor de Olympische Spelen gaat verbinden. (..)

Die steden benaderen en op een lijn krijgen zou wel eens gebaat kunnen zijn bij een regisseur die ‘boven de partijen’ staat. Een centrale rol van het Rijk ligt vanuit ruimtelijk perspectief alleen al om die reden voor de hand. Maar belangrijker is wellicht dat het zou benadrukken dat het bij de organisatie van de Olympische Spelen om een nationaal project gaat. Daarnaast is het Rijk natuurlijk belangrijk als (mede)financier van de benodigde infrastructurele werken.

De verkenningen laten ook goed zien dat Olympische Spelen van een schaal en een impact zijn die vrijwel elke Nederlander raakt. Zeker gedurende de Spelen is dat het geval en veelal ook bij de uitvoering van werken ten behoeve van die Spelen. Als er dus in Nederland Olympische Spelen georganiseerd zouden gaan worden, dan moeten de Spelen eigenlijk van iedereen zijn. En als we dat willen, dan moet de Nederlandse bevolking er ook van meet af aan bij betrokken worden. Nog een argument dus om van Olympische Spelen een nationaal project te maken. (..)

De Olympische Spelen moeten wortelschieten in de samenleving en dat kan alleen maar als iedereen de gelegenheid heeft en de tijd krijgt zich het gedachtegoed steeds weer eigen te maken. (..)

Maar het feit dat er ten behoeve van de Olympische Spelen pacten tussen steden gesloten moeten worden, is weer niet uniek voor Nederland. Doorgaans hebben de nationale overheden daarbij een centrale regisserende rol en al eerder in dit Schetsboek is voorgesteld om dat ook in Nederland te doen.

Voorts blijkt samenwerking tussen met name de verschillende overheidslagen van doorslaggevend belang voor de ontwikkeling van efficiënte slagkracht. Daarbij gaat het allereerst om het op elkaar afstemmen van investeringsprogramma’s. Het Rijk, steden, regio’s en provincies spelen immers alle binnen hun beleidsdomeinen een (grotere of kleinere) rol als investerende partij in infrastructuur en vaak ook als mede-investeerder in sportaccommodaties en voorinvesteerder in locatieontwikkeling. En last but not least blijkt uit de ervaring van recente Spelen dat samenwerking tussen overheden van doorslaggevend belang kan zijn voor het halen van de tijdschema’s. Daarbij gaat het vooral om de beleidscoördinatie, het afstemmen van procedures en het verkorten van proceduretijden.’

Wat we zien is dat Mei 2008 door de Rijksoverheid - via het ministerie van VROM - daartoe mede geadviseerd door NOC*NSF, de stelling wordt verdedigd dat de Rijksoverheid een belangrijke regierol zou moeten hebben! Zij investeren, coördineren, exploiteren de sportaccommodaties en dienen straks ook een garantie af te geven aan het IOC, etc.

Dan kan je als kwartiermaker van het ‘Olympisch Vuur’ niet de stelling verdedigen dat er geen regie nodig is omdat dan de overige stakeholders er het bijltje bij neergooien.

Nu al buitelen de provinciale en gemeentelijke marketeers uit het hele land over elkaar heen om aan te geven dat juist daar de Olympische ambities kunnen worden vervuld. Drenthe, Noord-Holland, Limburg en Flevoland; Heerenveen, Groningen, Assen, Emmen, Nijmegen, Den Bosch, Eindhoven, Sittard en Valkenburg. Ook Amsterdam en Rotterdam doen mee. Heel Nederland op Olympisch niveau? Nee, dat kan niet. Niet in élke provincie, in élke middelgrote stad.

Nederland op Olympisch niveau? Dat wel. Door zo snel mogelijk aan te geven welke stad de ‘host city’ zal zijn en daaromheen de benodigde infrastructuur te realiseren.

Dáár is regie voor nodig!

Loek Jorritsma was wethouder (o.a. sport) in de gemeente Hoorn (1974–1976). Daarna studeerde hij af in de sociale wetenschappen en werkte vanaf 1979 bij de Directie Sport van het Ministerie van VWS, waar hij onder andere verantwoordelijk was voor de ontwikkeling van het beleid op het gebied van topsportevenementen en topsportaccommodaties. Met ingang van 1 april 2006 is hij met de VUT. Bij zijn afscheid schreef Jorritsma een bijdrage aan de discussie over de juridische verankering van sport in het beleid van de rijksoverheid. Hij pleit er voor om sport meer te zien als een publieke zaak en te komen tot een kaderwet specifiek sportbeleid.

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.