25 oktober 2011
Opinie
We weten dat sportverenigingen privaat opgerichte organisaties zijn, dus geen verlengstukken van overheid of marktpartijen. We weten ook dat alles wat in ons land aan sportbeleid ontwikkeld is of wordt, niet (of nauwelijks) vanuit de verenigingen zelf komt. Voortdurend bedenken anderen in welke richting onze sportverenigingen zich (zouden) moeten ontwikkelen.
Zelden of nooit is de basis van dat sportbeleid gebaseerd op de vraag die vanuit de verenigingen opgeworpen wordt. Ja, ik hoor velen roepen dat ze de verenigingen van binnenuit kennen omdat ze lid zijn of omdat ze een vragenlijst hebben rondgestuurd. Maar is dat hetzelfde als ervaring hebben als de bestuurder die dag in dag uit bezig is de boel een beetje aan de praat te houden? Die aan het ‘doormodderen’ is zonder precies te weten waar het toe leidt? Omdat dit misschien wel de kern van het sportverenigingsleven is: elkaar ontmoeten, samen sporten, samen over praten; niks meer, niks minder. Iedere week zoeken miljoenen leden hun sportvertier in verenigingen. En hun aantal groeit nog steeds gestaag. Kennelijk hebben sportverenigingen een expliciete meerwaarde ten opzichte van anders of niet georganiseerde sportbeoefening, ook al groeien deze laatste vormen eveneens.
Enkele weken geleden nam ik deel aan een bijeenkomst van vertegenwoordigers (vrijwilligers) van sportraden en sportfederaties uit de provincie Utrecht, georganiseerd door Sportservice Midden-Nederland. We wisselden ervaringen uit over de plek van de sport in de verschillende gemeenten, de bezuinigingen, de relaties met de sportwethouder en ambtenaren en we hadden het over de (te?) grote verwachtingen rondom het fenomeen combinatiefunctionaris.
Toegegeven, de gemiddelde leeftijd van de aanwezigen was wel dik boven de twintig. Maar dat heeft ook z’n voordelen. Bijna alle aanwezigen waren ervaren verenigingsbestuurders die goed weten in te schatten wat veranderingen, uitdagingen, mogelijkheden en (wettelijke) regelingen betekenen voor het reilen en zeilen van een club. Terwijl de buitenwacht professionalisering als het antwoord op de toegenomen complexiteit en takenlast van sportverenigingen ziet, hebben de good old clubbestuurders toch vooral oog voor de interne verhoudingen en niet in de laatste plaats de vrijwilligers die vanuit hun passie nog steeds bergen werk verzetten.
Neemt niet weg dat ‘de buitenwacht’ sportverenigingen meer en meer ziet als maatschappelijke of sociale ondernemingen die diverse niet-sportgerelateerde taken op zich kunnen (en zelfs moeten) nemen. Natuurlijk zijn er verenigingen die deze handschoen oppakken, al dan niet onder de verleiding van extra subsidies of andere inkomsten. De diversiteit waarmee zij reageren op maatschappelijke ontwikkelingen is groot. Daar is niks mis mee. Echter, de vraag dringt zich op hoeveel rek er nog zit bij al die vrijwilligers. Om taken te verrichten die zijzelf niet hebben bedacht, maar meestal van buiten of bovenaf komen. Wanneer wordt ‘vrijwillige inzet’ ‘verplicht werk’? En gaat daarmee wellicht de lol eraf…
Met alle respect voor beleidsmakers, politici, ondersteuners en professionals, mijn ervaringen van de afgelopen jaren verbazen me steeds weer hoe weinig inlevingsvermogen er is in het doen en laten van verenigingsbestuurders als zij opgezadeld worden met het een of het ander. Iedere bestuurder kan moeiteloos voorbeelden noemen die hem of haar het op een prettige wijze organiseren van de verenigingssport eerder tegenwerken dan stimuleren. Juist nu, met alle (dreigende) bezuinigingen, is het zaak het leven van verenigingsbestuurders te vergemakkelijken.
Veel (relatieve) buitenstaanders weten van toeten noch blazen, zo blijkt keer op keer. Vandaar dat ik vanaf deze plek ‘de buitenwacht’ - die waarschijnlijk het beste voor heeft met de sportverenigingen - oproep vooral zelf een tijdje het vak van verenigingsbestuurder onder de knie te krijgen. Het zal veel mooie en nieuwe inzichten opleveren over wat wel en niet van de sportverenigingen verwacht of zelfs geëist mag en kan worden. En misschien ook wel wat meer waardering voor wat ze nu allemaal al voor elkaar weten te krijgen. Want als sportverenigingen en hun vrijwilligers één ding niet te ontzeggen is, dan is het wel dat ze met heel veel goede wil en inzet mooie dingen tot stand (proberen te) brengen die maatschappelijk al decennialang uitermate waardevol zijn. Laten we dit unieke Nederlandse erfgoed blijven koesteren.
Voor meer informatie over het onlangs verschenen boek ‘Sportvereniging: tussen tradities en ambities’ klik hier.
Jan Boessenkool is werkzaam als hoofddocent/onderzoeker aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap (USBO) van de Universiteit Utrecht. Voor meer informatie: J.H.Boessenkool@uu.nlDeel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.