20 maart 2012
Opinie
De Alliantie Olympisch Vuur heeft binnenkort een eerste harde noot te kraken:
Gaat er volgende maand (of anders vóór de Spelen van Londen) een keuze gemaakt worden voor een eventuele kandidaat-stad, terwijl er nog geen kandidatuur is? Of zullen partijen weerstand kunnen bieden aan de druk en keren zij op hun schreden terug naar de oorspronkelijke strategie van het Olympisch Plan om eerst Nederland te versterken (olympisch niveau), dan te bezien of we sterk genoeg zijn voor een kandidatuur (2016) en áls dat zo is pas een bid voor te bereiden (2018) met daarbij dan natuurlijk ook meteen de naam van de host city. Volgens sommigen is het dan al te laat. Maar is dat ook zo?
Het lijkt er sterk op dat er steeds meer een richtingenstrijd ontstaat over de voortgang van het Olympisch Plan. Enerzijds roert een groep van de ‘Doelgerichten’ zich steeds nadrukkelijker. Zij richten zich sterk en puur op hun ‘ultieme doel’ te weten het naar Nederland halen van de Olympische Spelen van 2028, niks meer en niks minder. Zij menen ook dat dit nu reeds hardop en onomwonden gezegd moet worden en dat belangrijke besluiten op weg naar 2028 - waaronder een keuze voor Amsterdam of Rotterdam - nu snel genomen moeten worden.
Daar tegenover staat de mening van de zogenaamde ‘Structurelen’. Zij hebben als prioriteit dat Nederland eerst structureel wordt versterkt op sportief gebied en op andere economische, maatschappelijke en infrastructurele aspecten. Deze versterking vormt de noodzakelijke basis van waaruit een eventuele kandidatuur voor de Olympische Spelen succesvol kan zijn. Voor deze groep zijn de Spelen een ‘middel’ om zo’n structurele verbetering te bewerkstelligen. Weliswaar zijn de Spelen een prachtige ‘kers op de taart’, maar toch geen heilig doel. Men houdt liever vast aan de oorspronkelijke doelstellingen (en volgorde) van het Olympisch Plan.
Het Olympisch Plan is een zeer grondig voorbereid en uitgestippeld plan, waar maar liefst drie jaar de tijd voor is genomen (2006-2009). Eén van de redenen voor deze grondige aanpak was de slechte ervaring met het mislukte bid voor de Olympische Spelen van 1992, toen Amsterdam - met slechts vijf stemmen - er meteen na de eerste stemronde uit lag. Uit de daarop volgende evaluatie kwam onder meer naar voren dat het Amsterdamse bid destijds veel te weinig een Nederlands bid was, waarvoor zowel de Nederlandse regering als het grootste deel van de bevolking bepaald niet erg warm liep.
Mede daarom is er ditmaal nu een vrij unieke aanpak: de zogenaamde ‘Dutch approach’, waarbij bewust is gekozen voor een lange aanloop. Eerst een stevig fundament: Nederland Sportland, een land waar sport in de volle breedte een belangrijke rol behoort te spelen in de samenleving (in onderwijs, opvoeding, levensstijl, media aandacht, enz.). Daarnaast een breed commitment van de regering, lagere overheden, bedrijfsleven en andere maatschappelijke organisaties. En tenslotte dient er een breed draagvlak onder de gehele bevolking te komen om een eventuele kandidatuur te ondersteunen. Pas als dat allemaal is gerealiseerd, heeft het zin om over een kandidatuur te spreken, laat staan over de kansen van een eventueel bid en hoe die kansen vergroot kunnen worden. Aldus de oorspronkelijke strategie van het Olympisch Plan.
Weinig schwung
Ondertussen raakte de afgelopen twee jaar de vaart er een beetje uit, althans wat betreft het zichtbare, landelijke deel. Voorzitter én kwartiermaker van ‘Olympisch Vuur’ vertrokken, er kwam een nieuw kabinet, de economische crisis, enz. Begrijpelijk dat diverse mensen daarom enigszins ongeduldig en ongerust worden. Deze ongerustheid richt zich echter niet zozeer op de huidige ‘opbouwfase’ van het Olympisch Plan, die zich eerst nog ten volle moet ontwikkelen. Men richt het vizier nu al op de kandidaatstellingsfase en de daarbij behorende besluitvorming in 2021. Het gebruikte argument luidt daarbij: ‘nú beslissingen nemen, anders halen we die Spelen nooit’. Dit is een typisch argument vanuit de ‘Doelgerichten’, die daarmee duidelijk blijk geven van het feit dat het hen toch vooral gaat om het binnenhalen van de Spelen en niet zozeer om die structurele versterking van sportief Nederland.
Deze belangrijke wijziging van strategie openbaarde zich voor het eerst na een tiendaagse studiereis van een belangrijke groep vertegenwoordigers (uit de sportwereld, bedrijfsleven en het onderwijs) naar Brazilië, iets meer dan een jaar geleden. Bij dit bezoek leerden zij heel veel over hoe het Brazilië is gelukt om de Spelen van 2016 verrassenderwijs naar Rio de Janeiro te halen. Een buitengewoon leerzaam en ook nuttig bezoek. Maar in plaats van deze studiereis vooral te beschouwen als een vroegtijdige oriëntatie op de latere kandidaatstellingsfase, maakte de groep een rapport waarin onder meer de nadrukkelijke aanbeveling werd gedaan om de strategie van het Olympisch Plan radicaal om te gooien en veel explicieter en directer te gaan voor het binnenhalen van de Spelen. En daar past natuurlijk ook een heldere en zo snel mogelijke keuze voor een kandidaat-stad bij.
Waarom een vroegtijdige keuze?
Een belangrijk argument voor een vroegtijdige keuze voor een kandidaat-stad zou kunnen zijn dat dit de voortgang van het proces kan bespoedigen. Door het tijdig verschaffen van helderheid over de host city, weet iedereen direct waar men aan toe is. Ook hier weer het veelgehoorde argument: ‘anders halen we het niet’. Bedoelend: ‘anders halen we 2028 niet’.
Dat lijkt merkwaardig, want in alle andere landen en steden waar de laatste jaren Olympische Spelen zijn gehouden heeft men steeds zo’n acht tot tien jaar nodig gehad (waarvan zeven jaar, nadat men was verkozen) om hun kandidatuur, vanaf het moment dat deze ook daadwerkelijk reëel is, tot daadwerkelijke realisatie te brengen. En dan zouden wij in Nederland nu opeens zestien jaar nodig hebben om alles voor elkaar te krijgen?
‘Ja, dat komt omdat alles in Nederland zo stroperig verloopt, met name op het gebied van infrastructuur en ruimtelijke ordening’, zo luidt het tweede belangrijke argument. En dat is natuurlijk niet onwaar. Maar moeten we dat als een onveranderbaar gegeven aanvaarden?
Leggen we ons bij voorbaat neer bij het feit dat het realiseren van goede plannen in ons land altijd meer dan twintig tot dertig jaar moet duren ? Als dat zo is, zijn we sowieso al te laat en hadden we al in 2003 of zelfs al in 1998 met het hele plan moeten beginnen.
De aanhangers van de oorspronkelijke structurele strategie wijzen daarentegen op nóg een belangrijk argument. Indien we ná die ‘lange aanloop’ de Spelen onverhoopt niet krijgen (de kans daarop is altijd groter dan dat we ze wel krijgen), dan zal Nederland er desondanks enorm op vooruit zijn gegaan en houden we ook aan alleen een kandidatuur nog een belangrijke legacy over. Indien men echter alleen maar inzet op het binnenhalen van de Spelen - hetgeen dus mogelijk niet lukt - dan zal de ons resterende legacy wel eens flink lager kunnen zijn.
Levert een snelle keuze voor een host city ons enige directe winst op, die we nu al nodig zouden hebben voor een nog niet bestaande kandidatuur? Of komen we er in 2016 achter dat we nog eigenlijk nog lang geen kandidaat kunnen zijn. Dan dreigt hier een ‘wiegeliaanse paradox’: ‘Amsterdam, de beste olympische stad, die Nederland nooit heeft gehad’. Het ware beter als de focus als de wiedeweerga terug gaat naar de eerste opbouwfase tot 2016. Met volop betrokkenheid van alle grote steden plus de rest van Nederland, zoals het ook bedoeld was en nog steeds is.
Van tweeën, één maken
Is er nog een andere oplossing mogelijk voor dit dilemma? Misschien wel. Eigenlijk hebben we niet alleen te maken met twee concurrerende kandidaat-steden, maar ook met twee bids: een Amsterdams en een Rotterdams bid. Beiden bevatten waardevolle elementen, die men graag ten volle zou willen benutten. En de Alliantie Olympisch Vuur is ook zeer beducht om opgescheept te raken met een grote ‘verliezer’. Bovendien spreekt men graag over één Hollands bid en suggereert men dat Rotterdam straks deel zal moeten uitmaken van een Amsterdamse kandidatuur en andersom.
Welnu, als dat zo is dan zouden de voorbereidingen ook nu al gericht kunnen zijn op één zogenaamd ‘AM-RO’-bid, door het beste van beide plannen over elkaar heen te leggen en zo, samen met de overige partijen (rijk, provincies, gemeenten, bedrijven), de allerbeste opties voor het allersterkste Hollandse bid te ontwikkelen met zowel Amsterdamse en Rotterdamse, maar ook met gezamenlijke elementen (zoals bijvoorbeeld een ‘Randstad-rail’). Als daar tijd voor wordt genomen en een goede overeenstemming over kan worden bereikt, zal elke stad zich daarna makkelijker kunnen vinden in de inhoud van het te zijner tijd enige echte Hollandse bid, ongeacht of daar nu straks de naam van Amsterdam, of Rotterdam aan hangt.
Het vroegtijdig (of moeten we zeggen voortijdig?) kiezen van een kandidaat-stad brengt de (nu nog zeer vage) kansen van een nog niet bestaande kandidatuur nauwelijks een stapje dichterbij. Daarmee is deze keuze op dit moment ook niet meer het allerbelangrijkste. Het versterken van de sportieve infrastructuur van Nederland, conform het oorspronkelijke Olympisch Plan, is daarentegen onontbeerlijk om überhaupt ooit een kansrijke Olympische kandidaat te worden.Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.