door: Niels Posthumus Wielrenner Bauke Mollema werd ooit ontdekt middenin de Groningse weilanden, op weg naar school. Elke dag fietste hij 25 kilometer door één van de saaiste stukken Nederlands platteland. Hij legde de route af zoals met de tijd vele honderden scholieren uit het dorp Zuidhorn, dagelijks op en neer naar de stad, net als ik. Allemaal droomden wij op die barre tochten van de Tour de France en de Vuelta. Maar alleen Mollema wist die gedeelde droom waar te maken. Hij eindige afgelopen jaar in de Ronde van Spanje als vierde en won het puntenklassement. Tijdens het jaarlijkse wielergala in november jl. werd hij uitgeroepen tot ‘Wielrenner van het Jaar’.

De Friesestraatweg strekt zich in het westen van de provincie Groningen als een grijs lint van vele kilometers voor mij uit. De hoosbuien slaan onophoudelijk in mijn gezicht. De wind heeft vrij spel in het vlakke landschap. Stampend op de pedalen baan ik me een weg door de weilanden. Mijn gezicht in een woedende grimas verstard. Groepjes zwoegende scholieren halen me in. Ik zie het vanuit mijn ooghoeken. De scholen zijn de eerste week van september weer begonnen in het noorden.
Achttien jaar geleden fietste ik de twaalf kilometer van mijn geboortedorp naar de stad Groningen voor het eerst. En tot zes jaar geleden fietste wielrenner Bauke Mollema dagelijks exact dezelfde barre tocht. ’s Ochtends heen, en ’s middags weer terug. Hem kostte dat echter nauwelijks moeite. Voorovergebogen op zijn herenfiets schoot hij als een komeet richting het Kamerlingh Onnes College in de Groningse wijk Paddepoel. Op een goede dag sprak een amateurwielrenner hem aan, nadat hij voor de zoveelste keer opvallend rap voorbij was geracet door de scholier op een fiets zonder versnellingen nota bene. De man ontdekte die goede dag het grootste wielertalent van Nederland.
Mollema groeide net als ik op in Zuidhorn. We woonden slechts vijf huizen van elkaar. Zijn vierde plek in het eindklassement van de Vuelta – na de Tour de France en Giro d’Italia de belangrijkste wielerronde van Europa – maakte dat ik vorige week onze gezamenlijke fietsroute naar school nog eens over wilde doen. Mollema had immers waargemaakt waarvan ik op precies die gezamenlijke route zo vaak had gedagdroomd. Op een middag begin september stond ik daarom in de tuin van mijn ouders klaar in een rood regenpak. Ik voelde het water soppen in mijn gympen.
Mollema was de weken voorafgaand aan mijn hernieuwde fietstocht richting Groningen het gesprek van de dag in de straat waar ik ooit opgroeide. Vooral de mensen die hem persoonlijk kenden, die er al woonden voordat hij zes jaar geleden naar de stad verhuisde om te studeren, blaakten van trots om de successen van de jongen uit hun buurt. Door de ramen zag ik overdag opeens meerdere televisies afgesteld op Eurosport, de zender die de ronde van Spanje uitzond. En uit een straat van doorgewinterde wielerfanaten kom ik toch bepaald niet.
Ik kan me niet herinneren dat ik vroeger vaak met Mollema heb gesproken. Ik kan me hem als kind zelfs helemaal niet meer voor de geest halen. Toch moet ik hem wel eens tegen zijn gekomen in de straat. Maar we verschillen zes jaar, dat leeftijdsverschil te groot om samen gespeeld te hebben.
We zijn daarom ook nooit met z’n tweeën naar school gefietst. Toen ik eindexamen deed, ging Mollema net naar de brugklas. En toch denk ik zijn jongensdromen te kennen, dromen die de lange ritten over de kale Friesestraatweg dienden op te fleuren, om de simpele reden dat ik diezelfde fantasieën heb gedroomd.
Elke dag kwam de kleine Mollema, een spitsig jongetje, langs het huis van mijn ouders fietsen, op weg naar school. Dat vertelde mijn vader. Hij groette altijd vriendelijk en nam dan, net als ik zes jaar eerder, het pad tussen onze tuin en de hervormde kerk door het dorp uit. Hij had er tegen die tijd op de fiets al een krantenwijk langs de omliggende boerenerven op zitten. Onvermoeibaar trapte hij de elke dag uren de pedalen rond, van ’s ochtends zessen tot een uur of half negen, als de eerste lessen op zijn middelbare school begonnen.
Mollema fietste die twaalf kilometer naar en van school, omdat hij ‘fietsgeld’ kreeg van zijn ouders. Dat was een begrip in Zuidhorn. Ik ontving het ook. Fietsgeld was een bijdrage voor bus of trein, destijds zo’n vijftig gulden per maand voor de meeste jongeren uit Zuidhorn. Dit bedrag mochten we van onze ouders houden als we de fiets pakten richting school. Dan was het extra zakgeld.
Mollema moet elke ochtend de klap van de wind hebben gevoeld, zodra hij de beschutting van het dorp verliet. Tot zijn twaalfde, tot die ene zomer waarin elke puber in Zuidhorn de lagere school in het dorp verruilt voor de middelbare school in de stad, had Mollema zich niet bijster geïnteresseerd voor wielrennen. Hij voetbalde liever, bij de enige club in ons gehucht, waar ik keeper was in de A1.
Maar op de provincieweg naar school ontkiemde de liefde voor fietsen snel. Het was 1998 toen hij de rit naar school voor het eerst aflegde. Mollema had dat jaar Marco Pantani de Tour de France zien winnen. Michael Boogerd werd vijfde. Ik weet zeker dat de jonge Bauke zich dat eerste schooljaar op weg naar Groningen vaak heeft ingebeeld die Nederlandse of Italiaanse klimmer te zijn.
Ik deed in ieder geval in 1993, toen ik de stap naar de brugklas zette, op de fiets altijd net alsof ik Erik Breukink was. Op de dagen dat het regende en waaide, was die fantasie mijn schild. Ik beeldde mij in dat ik de gele trui droeg, maar dat ik alsnog zou aanvallen tijdens de laatste rit. Geconcentreerd zat ik dan diep ineen gedoken op mijn groene Batavus, armen en ellebogen rustend op het tijdritstuur, een opzetgadget dat ik onmiddellijk had willen hebben zodra ik Greg LeMond er mee had gezien.
De eerste tussensprint was bij de paardenboerderij, een kilometer buiten het dorp. Daar zette ik aan om eerst alvast de groene trui veilig te stellen. Vervolgens liet ik mij weer zakken in het denkbeeldige peloton. Mijn volgende taak was het de ontsnappers te achterhalen. Dan reed ik dus zo hard ik kon naar het groepje scholieren voor mij.
Halverwege de Friesestraatweg pikte ik doorgaans enkele klasgenoten op uit een naburig dorp. Mijn fantasie ging tegen die tijd naadloos over in de realiteit. Net als Mollema met zijn vriendjes placht te doen, daagden ook wij elkaar uit tijdens kleine wedstrijdjes onderweg – de scholieren van nu doen het nog altijd. Vooral de brug over het Aduarderdiep is een plek gebleven waar jonge fietsers elkaar af proberen te troeven. Ik zag op mijn hernieuwde fietstocht begin september met een gevoel van nostalgie tevreden aan.
Die brug over het Aduarderdiep is ook de enige heuvel op heel het traject Zuidhorn - Groningen. Echt steil is de helling niet, maar toch vallen de groepen schoolkinderen er onherroepelijk uit elkaar. De eerste die boven is, steekt triomfantelijk zijn handen in de lucht, en kijkt hooghartig achterom. In de afdaling laat hij zich echter weer gewillig bijhalen door zijn vrienden.
Tegen de tijd dat wij vroeger over de platte weilanden in de verte de cilinders van de suikerfabrieken op zagen doemen, zetten wij aan voor de eindsprint. Staand op de pedalen kwam ik dan bij het bordje ‘Groningen’ de denkbeeldige streep over: daar waar het fietspad stopte en de stad begon. Ik voelde me op zulke momenten heel even werkelijk Breukink. Al wist ik dat die helemaal geen sprinter was.
Ik kijk nu, ruim vijftien jaar later, naar de groepjes tieners, die zich zonder regenjas – dat staat niet
cool – door het regengordijn en windkracht zes een weg worstelen naar huis. Ik zie hoe ze kop over kop rijden, strak georganiseerd als in een peloton. Ik zie ze in het barre weer maar weinig praten. Hun gedachten zijn naar binnen gekeerd. Ze fantaseren. Hun verzuurde benen geven hun wielerdroom vast nog wat extra kracht.
Stellen zij zich voor Bauke Mollema te zijn, zoals ik mij ooit inbeeldde dat ik Erik Breukink was? Winnen zoals Mollema, dat moet anno 2011 toch de jongensdroom van iedere fietsende scholier zijn? Zeker van pubers uit Zuidhorn, zou je zeggen.
Hun vroegere buurjongen groeide op hun fietstraject uit tot de beste wielrenner van Nederland. Hij deed dat door constant wedstrijdjes tegen zichzelf te doen: elke dag moest de rit naar school iets sneller. Zijn winnaarsmentaliteit werd te midden van die vlakke weilanden gevormd. Weilanden die ook mijn jeugd vele jaar omringden. Mollema leerde daar afzien. Hij ontwikkelde daar de innerlijke drive om zichzelf elke dag opnieuw te willen verbeteren. Hij werd daar, op de Friesestraatweg, een potentiële topsporter.
En ik? Ik besteedde mijn fietsgeld vanaf de derde klas liever aan een treinkaartje naar school.
Klik hier voor het Kerstverhaal dat Niels Posthumus in 2010 publiceerde op Sport Knowhow XL: Abou is slechts verslaafd aan de balNiels Posthumus (1981) is freelance journalist. Hij werkt onder meer als sportverslaggever voor dagblad Trouw. Een aangepaste versie van dit artikel verscheen begin september ook in die krant. Niels werkt en woont in Amsterdam, maar groeide op in het dorp Zuidhorn, onder de rook van de stad Groningen. Naast zijn werk voor verschillende kranten en tijdschriften, schrijft hij online ook twee keer per week (maandag en vrijdag) een blogcolumn op de voetbalweblog 11apen.nl