16 december 2010
Opinie
Abou
snuift de geurloze woestijnlucht op, die zich zo vlak aan de haven vermengt met
de zilte lucht van zee. Hij spert zijn neusvleugels wijd open. Ze zijn donkerder
dan het zwartste ebbenhout. Het is alsof hij zich de geur van gras inbeeldt, de
frisse geur van vers gemaaid gras op een doorsnee zonnige zaterdagmiddag, zoals
je tennisspelers weleens het denkbeeldige gravel van hun schoenen ziet slaan op
een helblauwe hardcourtbaan.
Abou weet echter dat in heel Mauritanië maar twee voetbalvelden zijn met gras, in de twee grote voetbalstadions van hoofdstad Nouakchott, 600 kilometer ten zuiden van Nouadhibou. Het is iets voor tienen in de ochtend. De zon is nog maar net begonnen aan zijn klim en wint langzaam aan sterkte. De muezzin heeft anderhalf uur geleden al voor de tweede maal opgeroepen tot gebed. Schel en langdurig, zoals hij dat gewend is in het noorden van Afrika. Wanhopig bijna, zoals kenmerkend voor hem is in Mauritanië. Alsof ook hij geen andere uitweg ziet uit de naderende hitte dan de koelte van de moskee. Zo lang het duurt, koesteren de voetballers echter de ochtendbries. De transitie van de kille nacht naar de alles verschroeiende dag is haast meditatief.
Abou leidt de warming-up. Hij is aanvoerder van het team dat is opgebouwd uit de grootste talenten van de wijk Zem Zem. Hij staat tijdens het rekken van de spieren in het midden van een kring van vijftien spelers, zoals hij eerder in de gebedsruimte van de school ook al in het midden zat, de heilige ruimte die dienst deed als kleedkamer, op een grijze plastic stoel, zwijgzaam, op sokken net als de rest. Je vraagt je af waarvan de jongens dromen. Van de Afrika Cup? Het Wereldkampioenschap? Mauritanië wist zich nooit ergens voor te kwalificeren. Grote toernooien zijn bijna per definitie buiten bereik van een land dat voor 99,2 procent bestaat uit dorre woestijn. Zonder de geur van gras geen belangrijke wedstrijden.
De getalenteerde Abou zal snel doorstoten tot het eerste team van ASC SNIM, zeggen de mannen langs de zijlijn. En zij kunnen het weten. ASC SNIM is de tweede club van Nouadhi-bou, maar wel de regerende landskampioen van Mauritanië. Na zijn voetbaltrainingen bestudeert Abou echter de Koran, omdat hij weet dat hij nooit van voetbal zal kunnen leven; de best betaalde speler van Mauritanië verdient naar verluidt nog geen 1.500 euro per jaar.
Op de Koran school heeft Abou geleerd dat de islam het tot slaaf maken van moslims door andere moslims verbiedt. Het is een verbod dat in zijn land en masse wordt genegeerd. Het duurde tot 2007 alvorens Mauritanië een wet invoerde die slavernij wettelijk strafbaar stelde. Geen land ter wereld deed daar zo lang over. De wet moest ook de wijdverbreide discriminatie van de Haratinekaste tegen gaan, de laagste sociale klasse in de sterk gestratificeerde Mauritaanse samenleving. De wet veranderde echter niets. Niet één rechtszaak, laat staan een veroordeling vloeide er uit voort. De Haratineslaven zijn veelal ontwetend. Zij kunnen de Koran niet lezen, noch de krant, want zij mogen niet naar school. Hun wordt al honderden jaren voorgehouden dat zij hun plekje in het paradijs verliezen als zij niet altijd hun meester gehoorzamen.
Abou
heeft geluk. Hij is geen slaaf. Hij is een vrije zwarte Mauritaniër. Maar toch,
gevraagd wat hij het mooiste vindt aan voetbal, antwoord hij zachtjes,
fluisterend bijna, terwijl hij zijn ogen neerslaat: dat er op het veld nooit
verschillen zijn, dat iedereen gelijk is, dat voetbal een plek is waar
hiërarchie niet is opgelegd. Het is allesbehalve normaal in Mauritanië, waar één
op de zes mensen eigendom is van een ander. Waar slavenhouders met hun
onderdanen kunnen doen wat zij maar willen. Ze geven hun slaven weg op
verjaardagen en bruiloften, als cadeau aan andere meesters. Ze verkrachten de
slavendochters en ranselen de jongens af. Wat Abou zo mooi aan voetbal vindt, is
dat op het voetbalveld een ieder slechts verslaafd is aan de bal.
Het was acht uur toen Abou die ochtend het huis van zijn ouders verliet. Hij droeg een korte broek van AC Milan en een T-shirt van het Duits nationale elftal. Hij zette koers naar het schooltje waar de voorbereiding voor de wedstrijd plaatsvond. Hij oogde tenger voor een laatste man, een libero in de traditie van Lothar Matthäus en Matthias Sammer. Boven zijn bed hing echter een poster met daarop de letters F-a-b-i-o, de voornaam van Cannavaro, zijn Itali-aanse held.
In het schooltje was ontbijt. Twee jongens smeerden een stapel stokbroden met boter en jam, de witte oordopjes van hun mobiele telefoons stevig verankerd in hun oren. De luiken hadden zij dicht gelaten, alsof ze het licht van de dag nog even buiten wilden houden. Slechts een eenzame spaarlamp aan het afbladderende plafond bescheen hun bruine houten lessenaar. Een pan kamelenmerk stond op een gedoofde stoof voor hen in het midden van het benauwde klaslokaal.
Abou was de hele ochtend stil. Hij leidde zonder te praten. Hij hakte knopen door zonder zijn stem te verheffen. Hij ging voorop zonder op de voorgrond te treden. Ook in het veld leidde hij in stilte, eiste hij geen opvallende rol op voor zichzelf. Zijn kwaliteiten als voetballer deden het werk, zijn technisch overwicht gaf hem zo veel natuurlijk voordeel, dat het schelden en schreeuwen overbodig maakte. Aanwijzingen in het veld gaf hij slechts door te wijzen, met links en rechts tegelijk.
Een witte Mercedes 207D bus haalde de jongens op bij het schooltje. Het was twintig minuten rijden naar het veld, net buiten de stad, achter de haven. De achterdeur bleef open tijdens de hele rit. Er hingen wat zwarte benen uit in verschillende tinten, dunner dan die van Neder-landse voetballers, in bestofte schoenen van Puma. Binnen was het krap. De jongens zongen liederen, opgebouwd uit betekenisloze overwinningskreten. Ze droegen zwarte shirts van Lotto. Hun kousen vormden een bonte verzameling kleuren.
Een penalty en een rode kaart beslissen uiteindelijk de wedstrijd. Mouh, de slungelige middenvelder links voor Abou, schiet de enige treffer binnen vanaf elf meter. Hard door het midden, nadat hij eerst de penaltystip heeft verhoogd tot een kegelvormig hoopje zand. Uit een telefoon langs de zijlijn klinkt de Titanic soundtrack van Celine Dion. Abou verlaat het veld met opgelucht gezicht, maar zegt nog altijd niets. Hij gaat zitten, terwijl de volgende twee teams het veld betreden. Hij frummelt wat aan zijn schoenveters, slaat het grijswitte stofzand er van af. Zijn huid glimt, maar er is geen zweetdruppeltje te bekennen.
Samen met de andere jongens loopt Abou iets later door de zandduinen achter het doel terug naar huis. Rond het middaguur bereiken ze de haven. De zon gloeit dan al een tijdje in volle omvang. Het zandveld blijft leeg achter, plotseling weer simpelweg een verdroogde vlakte. Wat overblijft, zijn de rode hoekvlaggen, die eenzaam wapperen in de niet aflatende zilte zeewind. Een wind die plotseling wat geur meebrengt. Vaag en onbestemd. Ze is haast niet te ruiken, maar wel degelijk aanwezig. Ze vult het lege veld, aait de verlaten netten, bijt de doelpalen nog verder weg. Het is de geur van rotte vis: de geur van de dood uit de zee.
Niels Posthumus is werkzaam als verslaggever voor Trouw. Doorvoor werkt hij onder andere voor Het Parool en De Telegraaf. In 2008 werkte Niels vanuit Johannesburg (Zuid-Afrika) als correspondent voor onder andere Het Parool en de Belgische krant De Standaard. In het kader van het WK Voetbal 2010 reed Niels met de auto van Berlijn, waar de finale van het WK 2006 plaatsvond, dwars door Afrika naar Johannesburg, de finalestad van 2010. Een verslag van deze reis is terug te vinden op www.theroadto2010.com. Het verhaal ‘Abou is slechts verslaafd aan de bal’ is eerder gepubliceerd in Hard Gras - literair voetbaltijdschrift - nr. 74 - november 2010.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.