10 juli 2018
Opinie
door: Bob de Dood
Met ingang van 1 januari 2019 gaan zorgverzekeraars gecombineerde leefstijlinterventies (GLI) vergoeden voor duidelijke ‘patiëntgroepen’. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft in een duidelijk omschreven beleidsregel de kaders aangegeven van deze langlopende interventies en tevens welke vergoedingen daar tegenover staan. Dit biedt bij uitstek kansen voor beweegaanbieders, buurtsportcoaches en actieve sportverenigingen, die leefstijlinterventies op het gebied van bewegen kunnen gaan aanbieden.
Kern van deze beleidsregel is dat de huisarts als ‘poortwachter’ gezien wordt om burgers met een stevig overgewicht te verwijzen naar een passend beweegaanbod in de buurt. Hier begint meteen ook de uitdaging omdat huisartsen primair ‘curatief’ gericht zijn op het behandelen van een lichamelijke of psychische klacht en dus veelal verwijst naar zorgaanbod in de tweede lijn (ziekenhuizen etc.) als een interventie in de eerste lijn niet tot voldoende verbetering leidt.
Focus op zorggroepen
Verwijzing naar leefstijlaanbieders is nog relatief nieuw. Welzijn op recept, bewegen op recept en andere soortgelijke initiatieven, hebben de afgelopen jaren een duidelijke meerwaarde laten zien, maar landelijk worden deze leefstijlinterventies nog maar beperkt ingezet.
De meeste van de ruim negenduizend huisartsen in Nederland zijn georganiseerd in zorggroepen, die gestructureerde zorg leveren aan chronische patiëntengroepen zoals diabetespatiënten en CVRM-(hart)patiënten. Deze zorggroepen zijn stedelijk of regionaal georganiseerd en hebben stevige samenwerkingsafspraken in financiële zin met zorgverzekeraars, maar vormen ook vaak de gesprekspartner van gemeenten, paramedici en ziekenhuizen in de regio. De verwachting is dat de zorgverzekeraars deze zorggroepen als beginpunt van de leefstijlinterventie gaan zien en ook als georganiseerde contractpartij voor verdere interventie.
Beweegaanbod
De zorggroepen van huisartsen moeten zich dan ook gaan oriënteren op het leefstijl-/beweegaanbod in de wijk of regio. De beleidsregel van de Nederlandse Zorgautoriteit geeft letterlijk aan: 'Mensen die aangewezen zijn op een GLI moeten een gezond beweeggedrag gaan realiseren in hun eigen woon-/leefomgeving, bijvoorbeeld in de natuur, bij sportverenigingen of bij een beweegaanbod in het sociale domein. Het is dan ook van belang dat de GLI aansluit bij de mogelijkheden die er lokaal zijn'.
Dat betekent ook dat zorggroepen en huisartsen goed in beeld moeten hebben wat er al aan beweegaanbod is en of dit wel voldoende aansluit bij de doelgroepen. Uiteraard zullen de fysiotherapeuten hier duidelijke groepsgewijze interventies gaan ontwikkelen omdat ze al een natuurlijke voorsprong hebben in de samenwerking met de huisartsen. De uitdaging zit bij beweegaanbieders die meer op sport en minder op gezondheidszorg georiënteerd zijn. In eerste instantie wordt er dan al snel gedacht aan fitnesscentra met passend aanbod voor doelgroepen met een hoge Body Mass Index (BMI), maar de echte uitdaging ligt bij het fijnmazige verenigingsaanbod in Nederland.
Specifiek aanbod
Met name op dit laatste punt is het een uitdaging voor lokale verenigingen om specifiek aanbod te ontwikkelen voor nieuwe doelgroepen die traditioneel niet bij verenigingen langskomen. De sportverenigingen kunnen naast passend beweegaanbod voor nieuwe doelgroepen ook een bron zijn van meer participatie voor deze doelgroepen die vaak multi-problematiek hebben. Wellicht zijn dit de nieuwe vrijwilligers voor de verenigingen die naast bewegen ook actief worden binnen de vereniging en zo een mooi netwerk opbouwen?
Kern voor de actieve verenigingsbestuurders is om juist menskracht te mobiliseren, aanbod voor zorgdoelgroepen te ontwikkelen en in contact treden met de lokale zorggroepen om af te stemmen of het aanbod aansluit bij de verwachtingen en wens van huisarts en doelgroepen. Voor verenigingen kunnen de gemeentelijke sportbedrijven met buursportcoaches een belangrijke rol vervullen in de verbinding van huisartsenzorg met de lokale verenigingen.
Bewegen normale bezigheid
Deze buurtsportcoaches zullen zich dan ook dichter bij de huisartsenzorg moeten gaan positioneren en fysiek ook regelmatig in een gezondheidscentrum aanwezig zijn, zodat een huisarts laagdrempelig kan verwijzen naar beweeginterventies in de wijk. In eerste instantie kan een buurtsportcoach dit samen met een praktijkondersteuner verder vorm gaan geven, maar doel is dat deze tijdelijke interventie gaat leiden tot een andere leefstijl waarbij bewegen een normale bezigheid is. Fitnesscentra en verenigingen moeten deze doelgroepen middels ‘een warme overdracht’ vanuit de buurtsportcoaches een passend aanbod kunnen bieden die aansluit bij het niveau van de deelnemers.
Voor de verenigingsbestuurders liggen hier de komende tijd mooie uitdagingen om met zorggroepen, sportbedrijven en gemeenten in gesprek te gaan over ontwikkeling en financiering van deze nieuwe product-marktcombinaties.
Bob de Dood heeft de afgelopen twee jaar de executive MBA Sportmanagement bij de Wagner Group gevolgd en is bestuurlijk actief binnen eerstelijnsgezondheidszorg en de lokale atletiekvereniging. Zijn masterthesis gaat ook over de samenwerking tussen de georganiseerde huisartsenzorg en de beweegaanbieders.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.