25 mei 2010
Opinie
door: Jan Rijpsta
Direct aan de bak! Beter kun je de vliegende start van voorzitter André Bolhuis en directeur Gerard Dielessen niet typeren. Een aantal sportbonden hebben een notitie opgesteld met de titel ‘Op zoek naar Evenwicht’. De bonden zijn op een aantal punten niet tevreden over het functioneren van NOC*NSF. Na het afscheid van voorzitter Erica Terpstra en directeur Theo Fledderus is het nu hét moment om aan de slag te gaan.
Al vόόr de feestelijkheden hadden Bolhuis en Dielessen intensief overleg met de opstellers van de notitie gehad en dat had weer geresulteerd in het instellen van een Taskforce, overigens samengesteld uit eigen leden en Bolhuis en Dielessen. Deze Taskforce heeft in korte tijd een ambitieus plan van aanpak gemaakt dat uiteindelijk op de ALV van 16 november moet worden vastgesteld. Een strak en ietwat krap tijdschema gezien de zwaarte van de onderwerpen. De opdracht van de Taskforce luidt: ‘ontwikkel een plan om te komen tot een hernieuwd evenwicht tussen sportbonden en NOC*NSF’. Hierbij komende volgende vier onderdelen aan de orde: Kerntaken, Professionele organsiatie, Bestuur en Middelen. Over de Sportagenda 2012 en het Olympisch Plan wordt niet gesproken. Het zal hard werken worden want sinds de fusie van de NSF en het NOC in 1993 heeft er naar mijn weten nooit enige evaluatie of herijking plaatsgevonden. Ik kom hier straks op terug.
Stukje historie
In 2012 bestaat de NOC-tak van het NOC*NSF honderd jaar. Het NOC - opgericht in 1912 –was een samenwerkingsverband tussen de Nederlandse Voetbalbond, de Koninklijke Militaire Sportvereniging, de Koninklijke Jachtvereniging Nimrod, de Nederlandse Amateur Schermbond, het Nederlandse Gymnastiek Verbond, de Nederlandse Atletiek Unie en de Nederlandse Korfbalbond. Het kreeg als taak de sport en de lichamelijke opvoeding te stimuleren zonder hulp van het leger. Het doel was het bevorderen van al hetgeen aan de lichamelijke ontwikkeling, vaardigheid en ontspanning van het Nederlandse volk ten goede kan komen, onder meer geregelde deelneming aan de Olympische Spelen (eerst toegevoegd in 1934) en door alle andere wettige middelen, welke aan het doel bevorderlijk kunnen zijn. De verschillende bonden werden de leden van de nieuwe organisatie.
In het gedenkboek van het NOC uit 1937 lezen we lovende woorden van verschillende voorzitters van sportbonden. Toch begon al - om met de woorden van de huidige NOC*NSF-voorzitter Bolhuis te spreken - een soort gedoe. Want vlak na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kwam het NOC al onder druk te staan door de unificering van het sportsysteem waarbij in een korte tijd onder leiding van Karel Lotsy - die in 1942 voorzitter van de Nederlandse Voetbalbond zou worden - alle afzonderlijke voetbalbonden in Nederland tot één nationale bond toetraden. Diezelfde Lotsy was ook bestuurslid van het NOC.
Het NOC vergaderde in de oorlog nauwelijks terwijl er wel degelijk veel aan sport werd gedaan. Karel Lotsy organiseerde aan het einde van de oorlog een aantal besprekingen waarbij ook Jan Miedema - een invloedrijke sportambtenaar - betrokken was. Zij spraken in het geheim met een aantal sportbonden over het oprichten van een soort federatie van bonden die naast het NOC zou komen. Lotsy werd door het bestuur van het NOC in één van de eerste bestuursvergaderingen op 26 juli 1945 op het matje geroepen om tekst en uitleg te geven. Lotsy brengt naar voren dat de algemene klacht die bij de bonden bestaat is dat het NOC in de afgelopen jaren weinig actief is geweest en de bonden niet heeft geleid en gesteund.
Het initiatief strandde maar de aandacht voor sportbeoefening in het algemeen groeide, ook politiek gezien. Een voorlopig hoogtepunt was de Troonrede van koningin Juliana in 1959 waarin zij voor het eerst over sport sprak. In 1960 zou de eerste sportnota ooit van een kabinet verschijnen. Ondertussen maakte de sport in Nederland een groei door, zowel wat het aantal sportbeoefenaren betreft maar ook in aandacht voor sportbeoefening in discussies. Dit leidde tot het uitbrengen van een eigen sportnota in 1958, mede om het kabinet te prikkelen om de sinds 1954 toegezegde sportnota te laten verschijnen, maar het was een uniek moment. Het was ook het signaal dat er meer was dan Olympische Spelen en misschien dat het debacle van de sportboycot door het NOC van Melbourne 1956 daaraan heeft bijgedragen, maar de sportbonden vonden elkaar en richtten in 1959 de Nederlandse Sportfederatie op. Eerste voorzitter werd… Karel Lotsy, die dit maar kort was omdat hij al snel overleed.
Het NSF timmerde hard aan de weg: accommodatiebeleid, topsportbeleid, recreatiebeleid enzovoorts. Er was overal een antwoord voor onder de bezielende leiding van Wim van Zijll en Wim de Heer. In de jaren ‘60, ‘70 en ‘80 werden zij het gezicht van de Nederlandse Sportfederatie. Misschien was het succes van de NSF dusdanig dat het NOC inzag dat men de NSF beter als partner kon binnenhalen. Dit leidde in 1993 tot een fusie onder leiding van Wouter Huibregtsen. Voortaan moest NOC*NSF de spreekbuis worden van de gehele georganiseerde top- en breedtesport.
Groei van de sport
Na 1993 en - vooral sinds het aantreden van het eerste kabinet Kok in 1994 toen Sport in de naam van het departement werd opgenomen tot Volksgezondheid, Welzijn en Sport - zijn er talloze beleidsinitiatieven genomen. NOC*NSF discussieerde volop mee en had duidelijke standpunten over wat zij vonden wat hun taak was, zoals het beheer, verdeling en toezicht op de Lotto-gelden. Dat gaf verschillende keren frictie met de politici. Ook de oprichting van het NISB eind jaren negentig kon niet op sterke instemming van NOC*NSF rekenen, zo liet interim-voorzitter Joop van der Reijden weten. Ondertussen kwamen er meer taken op het bordje van de sport, professionaliseerde de topsport verder en werd er beleid ontwikkeld op het evenementenvlak, en zo zijn er nog talloze andere beleidsinitiatieven te noemen. Sport staat op de politieke agenda en dat brengt de vraag: waar laat de politiek het initiatief aan de sport en waar vindt de politiek dat zij zelf leidend moet zijn.
Reflectie, juist nu
Voor wat betreft dit laatste zal de georganiseerde sport zelf moeten aangeven waar hun verantwoordelijkheid moet liggen. En daar ligt de uitdaging met de ingestelde Taskforce. Het is naar mijn mening niet alleen de onvrede van de bonden over hoe NOC*NSF functioneert. Het zit dieper en heeft te maken met de vraag wie doet wat en waar verantwoording wordt afgelegd. In de kerntakendiscussie zal dat ongetwijfeld terugkomen maar ik wil wat verder gaan. Het is een gemiste kans geweest dat de fusie van het NOC met de NSF nooit is geëvalueerd of gemonitord. En voor mij is er de vraag - als ik kijk naar de sterke groei van de topsport, de grote belangen die er op het spel staan, de enorme bedragen die nodig zijn (accommodaties, broadcasting etc.) - of een organisatie als NOC*NSF twee heren kan dienen. Moeten we niet naar een splitsing waarbij de topsport als een bedrijfstak wordt gezien met een Raad van Commissarissen bijvoorbeeld? Het is een gedachte die recht doet aan de grote belangen van de topsport. En het idee van Joop Alberda , alweer een aantal jaren geleden, sluit hier goed bij aan. Voor de breedtesport moeten we niet vergeten dat er nog een andere grote speler in het veld is: NISB, straks gefuseerd met de VSG. Hoe wordt de verhouding tussen deze grote organisatie en NOC*NSF? Voeg daarbij ook de ontwakende meer dan positieve belangstelling van de provincies voor de sport. Dan liggen er grote mogelijkheden om de georganiseerde sport anders van dienst te zijn.
Uitdaging
De reactie van Bolhuis en Dielessen op de notitie van de ‘ontevreden’ bonden is een juiste geweest. Met het wegsturen van een compleet bestuur waren ze een jaar verder geweest en het had niets opgelost. Bolhuis en Dielessen leggen de lat voor zichzelf hoog, zeker door deel uit te maken van de Taskforce. Het past overigens wel bij hen: aanpakken!
Graadpleegde literatuur:
• Gedenkboek NOC 1912-1937
• André Swijtink, In de Pas
• Wim de Heer, Sportbeleidsontwikkeling 1945-2000
• Dolf Pouw, 50 jaar nationaal sportbeleid
• onderzoek van Jan Rijpstra over Sport en Politiek
Jan Rijpstra was van 2005 tot 2008 burgemeester van Tynaarlo en daarvoor elf jaar lid van de Tweede Kamer; voor de VVD was hij gedurende die periode onder meer woordvoerder sport. Hij vervulde en vervult verschillende bestuursfuncties in de sport en doet onderzoek naar de relatie tussen Sport en politiek en met name de rol van het Nederlandse parlement.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.