4 februari 2009
Opinie
Voetbal zonder buitenspel voorkomt arbitrale
blunders
Anders dan Johan Cruijff en Mario van der Ende wellicht
beseffen, kennen nogal wat balsporten regels die beogen het scoren te beperken.
Waarschijnlijk uit angst voor te grote krachtsverschillen, sport moest leuk
blijven, werden er vanaf het begin aanvalsbeperkende maatregelen ingebouwd,
waardoor beide partijen hun kans op winnen langer behielden. Het gaat dus om
regels uit de begintijd van de gereglementeerde sport die nog steeds, hier en
daar aangepast, van kracht zijn.
Voorbeelden? Bij voetbal de buitenspelregel; bij
hockey de (inmiddels geheel afgebouwde) buitenspelregel, maar
met toch nog de restrictie dat je pas kunt scoren van binnen de cirkel; bij
handbal zie je, wat de cirkel betreft, het omgekeerde. Hier is
scoren slechts mogelijk via schieten van buiten de cirkel; bij
rugby mag de bal naar voren worden getrapt, terwijl naar voren
lopen met de bal ook is toegestaan. De aanvalsbeperking is dat de handpass
slechts achterwaarts is toegestaan. Bij ijshockey bevindt de
speler zich in buitenspelpositie als hij eerder dan de puck de blauwe lijn van
zijn aanvalsvak passeert. Ook korfbal en
basketbal kennen scorebeperkende regels. Bij
korfbal is gedekt schieten verboden, waardoor de doorgaans toch
al uitbundige korfbalscores nog enigszins worden beperkt, terwijl bij
basketbal een goal van binnen de bucket minder waard is dan een
driepunter van buiten.
Offside bij voetbal is duaal, want het gaat
om het moment van spelen van de bal door de afzender én - tegelijkertijd - om de
positie van de aan het spel deelnemende ontvanger. Een arbitraal voetbaltrio
dient dus over drie paar ogen te beschikken die, onafhankelijk van elkaar, de
vaak ver uiteen liggende twee elementen van offside kunnen vaststellen. Dat kan
dus niet zoals wekelijks blijkt. De gevolgen laten zich raden. Want al dan niet
buitenspel kan zich bij voetbal soms slechts een meter van het doel afspelen en
is bij een arbitrale fout vaak beslissend. Dus wordt er maar weer eens geroepen
om technische hulpmiddelen, i.c. het alles beslissende tv-beeld dat door de
vierde official wordt bewaakt.
Aan het werken met tv-beelden zitten nogal wat haken en ogen. Wie maakt de beelden, de omroep van dienst (met wie weet een partijdige regisseur) of een onafhankelijke arbitrale cameraploeg? Welk beeld krijgt de vierde official aangeboden? En is dat beeld wel doorslaggevend, want vaak genoeg blijkt dat vanuit de ene hoek het beeld een ander oordeel oplevert dan vanuit weer een andere hoek. Bovendien verschuift het werken met tv-beelden de verantwoordelijkheid van de arbitrage naar de vierde official. Het is maar de vraag of het openlijk corrigeren van de hoofdscheidsrechter goed is voor het verdere verloop van de wedstrijd.
De buitenspelregel roept dus volop bijverschijnselen op die ter discussie
staan sinds de tv de arbitrage bijna wekelijks op uitslag bepalende fouten
betrapt. Vroeger werden die fouten uiteraard ook gemaakt, maar toen ontbrak het
beeld. Dat scheidsrechterlijke fouten bij het spel horen werd aanvaard, nu niet
meer dankzij het beeld.
Wellicht is het, alles overwegende, de moeite waard
om de onmogelijkheid om twee gelijktijdige gebeurtenissen arbitraal waar te
nemen voortaan te elimineren door de buitenspelregel af te schaffen. Bij hockey
is dat met succes gedaan, de sport is er alleen maar aantrekkelijker door
geworden.
Bij voetbal wordt steeds verwezen naar proefnemingen tijdens een paar
internationale jeugdtoernooien met voetbal-zonder-buitenspel, die een
onbevredigend resultaat zouden hebben opgeleverd. Dat lijkt me niet zo’n sterke
conclusie. Jeugdvoetbal moet het niet hebben van tactisch volwassen spel - dat
is ook haar charme. Zadel jeugdvoetballers dan ook niet op met een opdracht die
eigenlijk alleen door gelouterde profs tot een goed einde kan worden gebracht.
En al helemaal niet tijdens een vrijblijvend toernooi, maar gedurende een hele
competitie zodat coaches en spelers gelegenheid hebben uit te vlooien welke
nieuwe tactische mogelijkheden het offsideloze voetbal genereert.
Een
belangrijk voordeel lijkt me dat het spelen op buitenspel vervalt. Waarom is dat
een voordeel? Omdat spelen op buitenspel oneigenlijk gebruik van de spelregels
impliceert. De buitenspelregel beoogt immers het scoren te voorkomen door
spelers op verkeerd gebied. Het gaat dus om een aanvalsfout.
Echter, door
het zogeheten stapje te maken, gaat het niet meer om een aanvalsfout,
maar om een verdedigende maatregel die gebruik maakt van een spelregel zoals die
nooit is bedoeld. Want de aanvaller loopt niet buitenspel, hij wordt buitenspel
gezet.
Los van dit soort principiële argumenten biedt afschaffing van de
buitenspelregel volop nieuwe mogelijkheden. Het speelveld zal ongetwijfeld
’langer’ worden omdat aanvallers ongestraft dieper kunnen gaan dan voorheen.
Consequentie daarvan is dat de speelruimte groter wordt, waardoor het uitspelen
van de tegenstander - een steeds schaarser wordend goed met al die versterkte
verdedigingen - weer mogelijk wordt.
Ook zal de ruimte voor de
individuele actie toenemen en er komt weer ruimte voor de lange bal (zoals Rinus
Israel ze ooit naar de vleugels gaf) - allemaal zaken die het huidige
schaakvoetbal op een veel te kleine ruimte zullen verdringen - dit alles ten
faveure van het publiek dat weer waar voor zijn geld krijgt.
Maar wellicht het allerbelangrijkste is dat we verlost worden van de
arbitrale fouten, die de uitslag van voetbalwedstrijden steeds vaker fataal
bepalen. En dan is er ook nog het bijkomende positieve effect dat
oververhitte supporters de munitie wordt ontnomen om zich te misdragen bij
vermeend arbitraal onrecht. Al met al reden genoeg voor een serieuze test, met
serieuze teams en geïnteresseerde coaches. Nogmaals, niet op een toernooitje
voor de aanvang van de competitie, maar een seizoenlang tijdens een competitie
in een land dat in het verleden heeft bewezen tactische variaties aan te kunnen.
Nederland bijvoorbeeld.
Joop Niezen begon zijn carrière in 1964
als sportredacteur bij de VARA-radio. In 1966 maakte hij de overstap naar
weekblad Voetbal International. In 1969 werd hij daar hoofdredacteur en hij
bleef dat tot 1984 toen de betaalde oplage inmiddels 184.000 bedroeg. Niezen
werkte in deze periode ook gedurende dertien jaar wekelijks voor het
radioprogramma ‘Langs de Lijn’. Na zijn pensionering heeft Niezen twee jaar
meegewerkt aan programma’s van RTV West (columns en wedstrijdanalyses van
wedstrijden van ADO). Ook voor het blad ‘Nummer 14’ was hij nog regelmatig
actief als schrijver van achtergrondverhalen. In zijn jeugd keepte Joop Niezen
o.a. bij ADO, AGOVV, DHC en Quick. Bij Quick debuteerde hij al op 16-jarige
leeftijd in het eerste elftal.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.