Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Jan janssens reageert op discussie tussen paul verweel en sandra meeuwsen

Jan Janssens reageert op discussie tussen Paul Verweel en Sandra Meeuwsen

2 februari 2010

Opinie

Reactie op Wie kaatst, kan de bal verwachten

Pingpongen over professionalisering

Onder de titel Wie kaatst, kan de bal verwachten reageerde Paul Verweel vorige week op de kritische noten die Sandra Meeuwsen eerder plaatste bij zijn gepassioneerde pleidooi tegen rationalisering en professionalisering van de amateursport. Daarin nuanceerde Verweel zijn eerdere betoog wel, maar hij nam er weinig van terug. Terwijl daar toch eigenlijk alle reden voor was. Daarom een nieuwe poging om professor, voetbalvoorzitter en bondsbestuurder Verweel op andere gedachten te brengen.

Het betoog van Verweel is sympathiek omdat het veel respect en waardering uitdrukt voor de ontelbare vrijwilligers die zich inzetten voor de sport, maar meer dan een aai over de bol van tante Sjaan en Ome Keessie en de waarschuwing ‘wees zuinig op de vrijwilliger’, heeft hij toch eigenlijk niet te bieden. En dat is toch een beetje schraal in deze voor verenigingen en vrijwilligers lastige tijden.

Wie beleidsnota’s over sport uit de afgelopen decennia opslaat en de tekstpassages over de positie, de betekenis en het functioneren van sportclubs naast elkaar legt, krijgt onwillekeurig de indruk dat er maar weinig verandert. Sportverenigingen vervullen belangrijke maatschappelijke functies en zouden nog veel meer kunnen betekenen voor de samenleving, maar sportclubs hebben het moeilijk. Dat klopt allemaal.

Er wordt intern (door het kader en de leden) en extern (door de bond, de concurrenten op de markt en de overheden) een groeiende druk uitgeoefend op sportverenigingen. In sommige gevallen wordt die druk opgevoerd omdat er nieuwe maatschappelijke claims op verenigingen worden gelegd (kinderopvang, huiswerkbegeleiding, integratie, enz.). Maar meestal betreft het hogere normen, eisen en verwachtingen die overal in de samenleving gelden en waaraan de sportverenigingen en het sportkader zich niet kunnen en/of willen onttrekken. Denk aan verwachtingen ten aanzien van de hygiëne van kleedlokalen, de kwaliteit van sporttechnische begeleiding en materialen, de HACCP-regelgeving voor de kantine, zorgvuldige tuchtrechtprocedures, enzovoorts.

Hoe dan ook is daardoor sprake van een toenemende complexiteit in het functioneren. Verenigingen worden met hogere eisen geconfronteerd, komen handen tekort en hebben het financieel niet breed. Ze kunnen daardoor niet optimaal functioneren. De cijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau en het W.J.H. Mulier Instituut schetsen een tamelijk somber beeld, maar maken ook duidelijk dat er wel degelijk wat verandert. In twintig jaar tijd is ongeveer een vijfde van de sportverenigingen opgehouden te bestaan. Het marktaandeel van de verenigingssport is kleiner geworden. De beschikbaarheid en inzetbaarheid van vrijwilligers in de sport is afgenomen. Er is sprake van een sterke vergrijzing van het sportkader. Een kwalitatief en kwantitatief kadergebrek laat zich voelen.

Sportverenigingen verdienen ondersteuning, zo is dan ook te lezen in beleidsnota’s en rapporten, of die nu afkomstig zijn van overheden of van sportorganisaties. Professionalisering wordt vaak bepleit, maar wel in beperkte mate dan, ondersteunend aan het werk van de vele belangrijke vrijwilligers. En dat vrijwilligerswerk is natuurlijk heel belangrijk, dat moet gekoesterd worden. Het lijkt me evident en ik ken in de hele sportsector eigenlijk ook geen zinnig mens die daar anders over denkt.

In sportverenigingen zijn het de vrijwilligers die zowel de doelen stellen als deze uitvoeren. Dat onderscheidt hen van veel andere organisaties die steunen op vrijwilligerswerk. Het vrijwilligerskarakter is in sportverenigingen daardoor een veel dominantere kenmerk van de organisatie dan bijvoorbeeld bij kerken, en veel organisaties in de sfeer van cultuur, welzijn en zorg, waar professionals sturend en vrijwilligers ondersteunend zijn. Het neemt niet weg dat een beperkte vorm van professionalisering een voor de handliggende overlevingsstrategie kan zijn voor sportverenigingen. Verenigingen zijn heel taaie instituties en heel veel verenigingen draaien heel behoorlijk, maar de ontwikkelingen wijzen uit dat het voortbestaan van sportverenigingen misschien toch minder vanzelfsprekend is dan Verweel ons wil doen geloven en ook de voortdurende inzet van voldoende (gekwalificeerde) vrijwilligers is allerminst gegarandeerd.

Ondanks de toenemende druk op sportverenigingen, de afnemende beschikbaarheid van vrijwilligers en de hoogconjunctuur hebben de voorzichtige pleidooien voor geleidelijke professionalisering in de afgelopen decennia nauwelijks effect gehad. Dat geeft toch eigenlijk te denken. Daar zijn wellicht verschillende factoren verantwoordelijk voor. Ik zie er drie. Een belangrijke oorzaak moet waarschijnlijk gezocht worden in het conservatisme van verenigingsbestuurders die professionalisering niet als een oplossing zien maar als een probleem en daarom maar doormodderen. Maar ook het juridische keurslijf waarin sportclubs zitten, knelt mogelijk. De verenigingsstructuur van een leden-voor-ledenorganisatie laat weliswaar veranderingen en aanpassingen toe, maar lijkt per definitie toch nogal resistent voor meer veranderingen. En tot slot is het zeer de vraag of verenigingen wel voldoende structurele ondersteuning en stimulansen hebben gekregen om de uitdagingen waarvoor zij staan ook daadwerkelijk op te pakken.

Al uit het STK-tijdperk is genoegzaam bekend dat er bij professionalisering helemaal geen sprake hoeft te zijn van verdringing van vrijwilligers, maar dat eerder het tegendeel waar is. Professionals kunnen zorgen voor specifieke deskundigheid, coördinatie en continuïteit waar ook (of zelfs juist) vrijwilligers veel baat bij hebben. Maar toegegeven, ze vormen ook een extra kostenpost. En die kosten moeten worden opgebracht. Dat kan een probleem zijn want contributieverhogingen zijn in geen enkele vereniging populair. Soms krijgen verenigingen zelfs minimale contributieverhogingen er niet door. Maar de meeste verenigingen proberen het niet eens. Zij willen de toegankelijkheid van de vereniging niet op het spel zetten, zijn beducht om zich uit de markt te prijzen (alsof fitnesscentra en andere commerciële sportorganisaties niet in diezelfde sportmarkt opereren) of anticiperen op verzet van de vrijwilligers en de leden.

Natuurlijk is het van belang om de sport toegankelijk te houden, maar daarbij moet worden bedacht dat de lidmaatschapsbijdragen maar een klein deel van de totale sportkosten vormen en dat er overal zogenaamde vangnetten zijn (gemeentelijke regelingen, jeugdsportfonds enz.). De ondersteuning van verenigingen tenslotte, is in de afgelopen decennia toch meer in woorden dan in daden tot uitdrukking gekomen. De beschikbare middelen werden veeleer aangewend voor projectsubsidies met maatschappelijke doelen dan voor structurele ondersteuning. Niet sport als doel, maar sport als middel kon op steun rekenen. Of de inzet van de combinatiefunctionarissen daarin verandering gaat brengen, valt nog te bezien.

De discussie over vernieuwing en versterking van de sport op lokaal niveau in het algemeen en van de sportvereniging in het bijzonder is hoogst actueel en van groot belang. De bijdrage van Verweel daaraan is, mede gelet op zijn positie binnen de grootste sportbond van Nederland, eigenlijk funest. Zij bestendigt een status-quo die wankel is. Dat kan nooit de bedoeling zijn.

Jan Janssens is lector Sportbusiness Development aan de opleiding Sport, Management & Ondernemen van de Hogeschool van Amsterdam. Voor reacties: j.w.janssens@hva.nl

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.