13 januari 2009
Opinie
Het (de-)centralisatieplan van de turnbond is het best haalbare
idee
Frank Louter - turncoach in Zoetermeer - vindt het
topsporthoofdstuk in het KNGU-meerjarenbeleidsplan ‘Investeren in hogere
uitgangswaarden’ geen goed plan. Zo schreef hij in een artikel dat op
18 november 2008 op de site van Sportknowhow XL is gepubliceerd. We hebben als
KNGU daar tot nu toe niet op gereageerd, omdat we ervoor gekozen hebben om eerst
het formele interne traject inzake het besluitvormingsproces binnen de
organisatie te doorlopen alvorens ‘via de pers’ extern te reageren.
Frank 's feedback richt zich vooral op het vervangen van de huidige zes decentrale steunpunten door twee centrale trainingscentra. Wij - als KNGU - gaan volgens Frank zelfs het vierkante wiel uitvinden want het betekent volgens hem dat we terugkeren naar het oude ‘Papendal-systeem’ dat in 1993 werd afgeserveerd omdat er geen link was tussen breedte- en topsport en er sprake was van afromen en verschraling van talent. Daardoor ontstond een te laag niveau van de op Papendal instromende turnsters. Door een gecentraliseerd systeem zou vergeten worden de basis te ontwikkelen. Met twee centra zou geen landelijke dekking ontstaan en moeten, vooral jongere, turnsters en turners weg uit hun eigen omgeving; ze moeten veel reizen, zelfs gaan verhuizen of in gastgezinnen gaan wonen.
Eens met….
Laten we eerst vaststellen waar wij - KNGU en
Frank - het kennelijk over eens zijn.
1. Met Frank heeft ook de KNGU het Long-term Gymnastic Development (LTGD) omarmd. Centrale regie betekent dat de KNGU het op zich neemt om verder inhoud te geven aan dit LTGD, dat vooralsnog slechts op hoofdlijnen is ontwikkeld en geheel ingevuld moet worden naar de turnsport. Bij trampolinespringen is de KNGU al veel verder met de ontwikkeling ervan. Twee trainers die (deels) in dienst zijn van de KNGU - technisch adviseur Bert Dammers en bondstrainer Lennard Villafuerte - hebben het LTTD (T=trampoline) in de afgelopen twee jaar in vergevorderd stadium ontwikkeld. Het is nog niet helemaal klaar, maar belooft een systematische wijze van aanleren van oefeningen met tekst en beeldmateriaal. Het LTTD legt een relatie met de technische ontwikkelingsmogelijkheden van spring(st)ers en sportpsychologische aspecten. Het zou mooi zijn als Frank met zijn uitmuntende technische kennis meedoet in de uitwerking van het landelijke LTGD. De KNGU stelt (financiële en technische) middelen beschikbaar om dit LTGD samen met de KNGU- trainers verder te ontwikkelen. Het zou zonde zijn als er twee – op elkaar lijkende- systemen gaan ontstaan. Kennis ontsluiten en kennis overdragen hoort juist bij de centrale regie door de KNGU. Ook Frank's stelling dat binnen het Nederlandse turnen het ontwikkelen van kader prioriteit behoort te zijn, delen we volmondig. Het LTGD kan hiervoor een goed instrument worden.
2. Het creëren van een beroepsperspectief voor trainers. Met NOC*NSF zijn we overeengekomen dat de KNGU tien - deels gesubsidieerde - trainers in dienst kan nemen. Afgelopen jaren was het steeds soebatten. Korte contracten, negenmaands-contracten gevolgd door drie maandscontracten en één dag uit dienst, lage honorering: dat zijn allemaal geen goede voorbeelden voor een beroepsperspectief. Dit kwam mede omdat maar zeer weinig verenigingen of stichtingen in staat zijn zelfstandig topsport te organiseren en vooral kunnen betalen. Turnen is voor ouders, vereniging en KNGU mede door de hoge zaalhuur een dure aangelegenheid als een groepje van ongeveer zes turnsters dertig uur per week traint. Alom moesten noodgrepen uitgevoerd worden. De KNGU was daarbij te afhankelijk van de (on)mogelijkheden van goedwillende, decentrale, zelfstandige juridische entiteiten. Het kwam frequent voor dat als de KNGU meer geld gaf aan de decentrale organisatie de eigen vereniging minder geld in de eigen topsport stopte.
3. Via opleidingen en bijscholingen zal de groep talentvolle en ambitieuze trainers beter geschoold worden. Ook al kiest Frank voor een zelfstandig paralleltraject, en zal hij na 1 september 2009 niet meer tot het KNGU-trainerscorps behoren, de KNGU zal hem ondersteunen bij het verder professionaliseren van ‘zijn’ districtstrainingen. Trainingen die verder al in vier van de vijf districten bestaan. Mogelijk ziet Frank daarbovenop de voordelen van een centraal programma en zal hij met zijn turnsters daar toch voor een deel aan mee gaan doen. Frank is een uitstekende trainer van trainers. Het is niet voor niets dat de KNGU hem graag de landelijke talentontwikkelaarsfunctie had toebedeeld. We hebben overigens bewondering voor zijn principiële keuze om dat niet te gaan doen. Hij maakt zijn eigen toekomst daarmee onzeker. Zelfstandig een topsportorganisatie op niveau houden is tot op heden geen enkele vereniging of stichting gelukt. De nieuwe landelijk functie zullen we zeker gaan vervullen in 2009.
Andere keuze
Dan komen we bij de aspecten waar we als
KNGU andere keuzen maken dan wat Frank zou doen. Voorop gesteld, ook hier zijn
we het met veel van Frank’s betoog eens.
Jonge kinderen uit huis in
gastgezinnen plaatsen is geen goede oplossing. Het liefst heeft ook de KNGU een
landelijke dekking. Echter: dat hebben we nu ook niet. Bovendien hebben we het
geld er niet voor. De KNGU is primair een breedtesportbond en de leden hebben
bepaald dat uit de bondscontributie maximaal € 450.000 voor de vierde kerntaak
(topsport) beschikbaar is. De rest van de ruim 1,3 miljoen euro komt uit
subsidies e.d. We moeten onze plannen binnen dit budget zien te houden.
Sponsoring is de afgelopen jaren slechts beperkt aan de orde geweest. Het
voordeel daarvan is dat we er niet afhankelijk van zijn. Het nadeel is dat we -
binnen topsport - ons geld dus extra goed moeten besteden en moeten
prioriteren.
Wat zullen we in de komende jaren niet meer doen? We doen geen directe investering meer in clubs zoals bijvoorbeeld Pro Patria (de vereniging van Frank). Terwijl we de afgelopen jaren vier steunpunten hadden voor dames zullen dat er drie worden, waarvan eentje alleen voor de junioren (senioren moeten dan inderdaad vanuit Almelo reizen of verhuizen). Bij de mannen blijven er twee steunpunten, namelijk Heerenveen en Den Bosch (was Zwijndrecht). Bovendien verhuist de club Trampoline van Zoetermeer naar Den Bosch om een meer landelijke KNGU-uitstraling te verkrijgen in plaats van een topclubuitstraling. Hierdoor sluiten we aan bij de landelijke ontwikkeling naar Centra voor Topsport en Onderwijs (CTO). Heerenveen en Eindhoven/Den Bosch opteren hiervoor, naast Amsterdam en Papendal. Voordelen hiervan zijn bundeling van (meer!) geld, middelen en faciliteiten. Zo zal het eenvoudiger zijn om multidisciplinaire samenwerking te organiseren (en te betalen) tussen trainersstaf, sportpsycholoog, diëtiste, krachttrainer, medische staf, vertrouwenspersoon e.d. De trainer gaat deel uitmaken van een team en staat er niet alleen meer voor. Innovatie zal beter opgezet worden. De koppeling met onderwijs wordt hechter.
Mannen- en vrouwenturnen lijken nu in de KNGU wel twee gescheiden werelden. Door de topturnsters en topturners op twee hoofdlocaties samen te brengen, ontstaat meer kans op uitwisseling van deskundigheden. Door Almelo en Heerenveen meer te laten samenwerken en soms ook samen te trainen, ontstaat kennisdeling.
De nieuwe plannen wijken essentieel af van het ‘oude Papendalmodel’. Toen waren nauwelijks verbindingen georganiseerd met topclubs in de regio. Het landelijke talentherkenning- en ontwikkelingsplan gaat meer deel uitmaken van een het totale bondsprogramma. Talenttesten en talenttrainingen komen weer terug voor de echt talentvolle sporters. Het ‘oude Papendal’ was niet gekoppeld aan een eigen brede onderbouw. In Heerenveen, Almelo/Oldenzaal en Den Bosch zijn grote (samenwerkende) breedtesportverenigingen. De CTO’s van de nabije toekomst staan midden in een levendige sportomgeving. Papendal was ‘koud’, eenzaam en niet verbonden aan een totaalplan. Dit totaalplan wordt komend halfjaar verder ontwikkeld onder leiding van de per 1 januari aangestelde nieuwe Topsportmanager Hans Gootjes en de nog te werven landelijk werkende talentontwikkelcoach. Hierdoor worden dwarsverbanden gelegd tussen clubs met talenten, de potentiële toppers en de CTO’s.
Topsenioren kunnen wel verhuizen. De beste trainers op de beste locaties met de multidisciplinaire begeleidingsteams bieden een krachtig programma dat meerwaarde voor sporters genereert.
Het nadeel dat Frank afgelopen jaren steeds noemde (trainers groeien mee met hun talentvolle junioren tot aan de mondiale podia, waardoor men geen tijd had om de jongeren aandacht te schenken) is deels opgelost. Inderdaad ontstond steeds een gat tussen de leeftijdsjaren. In Den Bosch en Heerenveen werken echter nu zowel een talenttrainer als een seniorencoach. Een turn(st)er wisselt na verloop van tijd van trainer, wat weer betere kansen biedt op een minder grote afhankelijkheid van één trainer.
Een belangrijk knelpunt was dat de oude steunpunten met te weinig geld werkten en te veel alle macht bij de trainer terecht kwam. Vooropgesteld dat de kwaliteit en ambitie van de trainer(-sstaf) misschien wel de meest bepalende prestatiebevorderende factor is, stellen we toch vast dat een aantal trainers duidelijk kan leren op het gebied van psychologisch verantwoorde topcoaching. De KNGU constateert dat op het randje van belasting en belastbaarheid wordt gewerkt met meer dan gemiddeld 30 uur training per week. Door hier als KNGU verantwoordelijkheid voor te gaan dragen, zal het contact met ouders toenemen en deskundigheidsbevordering van trainers plaatsvinden. We hebben ook voor deze activiteiten geld nodig. Dat gaat, helaas, ten koste van het aantal ‘decentrale steunpunten’. In de praktijk dus één minder dan voorheen en meer samenbundeling van seniorentalent, waardoor de weinige seniorentalenten met elkaar werken in een topsportklimaat in plaats van als enkeling bij een topclub.
Inmiddels is de jaarvergadering van de KNGU akkoord gegaan met de beleidswijzigingen. Er ligt veel om uit te werken en het eerste halfjaar van 2009 zal in het teken staan van overgangsbeleid. Uitdagingen zijn er alom. Het ideaalplaatje kunnen we met de huidig beschikbare middelen niet financieren. Daarom de keuze om méér te doen met minder. Dit uit zich in een concentratie van kundigheden en een landelijk talentontwikkelingsplan. Talent is aanwezig. De resultaten ook. De doelen (top twaalf van de wereld; Olympische deelname) zijn realistisch.
Jaap Wals is directeur van de KNGU
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.