Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Is sport te duur deel 3

Is sport te duur? (deel 3)

9 juni 2009

Opinie

Reactie op reactie Gerda Jehoel-Gijsbers

door: Jan Janssens

Waardering is op zijn plaats voor de uitvoerige repliek van Gerda Jehoel-Gijsbers op mijn kritiek op haar onderzoek naar de maatschappelijke participatie van arme kinderen. Ze verdedigt haar werk met verve en maakt zich er niet makkelijk van af. Toch is er alle reden om ook bij deze repliek kritische kanttekening te plaatsen. Ik zal dat hierna doen en daarbij de lijn van haar betoog volgen en dezelfde tekstkoppen gebruiken.

Een nulmeting
In haar introductie staat de SCP-onderzoeker kort stil bij de aard en vraagstelling van het onderzoek. Kort en goed: het gaat hier om een nulmeting waarbij in kaart moest worden gebracht hoe het met de maatschappelijke participatie van arme en niet-arme kinderen gesteld is en er moest een antwoord worden gegeven op de vraag hoeveel kinderen om financiële redenen niet deelnemen aan sport, cultuur en andere vrijetijdsbestedingen. Op de oorzaken van verschillen in participatie wordt (daarom) niet dieper ingegaan. Dat komt later, zoals in het rapport en in het persbericht vermeld is.

Dat klopt ten dele. Het is een nulmeting en een vervolgonderzoek is inderdaad aangekondigd. Ik heb dat ook in mijn eerdere kritiek aangehaald. Het neemt niet weg dat ook in de nulmeting aandacht voor niet-financiële redenen uitdrukkelijk gewenst was (zie pag. 11; “Wat zijn de andere redenen en hoe vaak komen ze voor?”) en dat die andere redenen (zie paragraaf 5.3) ook al aan bod zijn gekomen. Het probleem is dat de verschillende (financiële en niet-financiële) redenen nauwelijks zijn geanalyseerd terwijl er aan het onderzoek wel conclusies worden verbonden die deze analyse veronderstellen. “Vrijetijdsactiviteiten voor veel arme kinderen te duur”, kopt het persbericht van het SCP en vergelijkbare conclusies zijn te lezen in het rapport. Vervolgonderzoek lijkt niet nodig, de conclusies liggen al vast. Maar vanwege de gebrekkige analyse in het voorliggende onderzoek, zo heb ik betoogd, is de basis daarvoor wankel.

Sociaal-culturele dimensie
Tegen de achtergrond van het bovenstaande is de kritiek van Jehoel op mijn commentaar opmerkelijk. Waar ik vraagtekens plaats bij haar conclusie dat sport (te) duur is voor arme kinderen en met de nodige voorzichtigheid suggereer dat andere dan financiële factoren ook belangrijk en misschien wel belangrijker zijn ter verklaring van de verschillen in maatschappelijke participatie, verwijt zij mij dat ik op de zaak vooruitloop en te snel conclusies trek.

Daarbij zou ik haar cijfers niet juist hebben geïnterpreteerd c.q. zou ik verschillende cijfers ten onrechte hebben samengevoegd in een herberekening. Hoewel ik meen dat daarvan geen sprake is, had ik in de voorlaatste alinea van mijn tekst wel moeten vermelden dat de genoemde percentages betrekking hadden op de ongewogen respons van het onderzoek. Ik heb de aantallen (arme respectievelijk niet-arme) autochtonen en allochtonen uit het SCP-onderzoek gepercenteerd en tegenover elkaar gezet. Een vergelijkbare exercitie op basis van gewogen (landelijke) data had de voorkeur verdiend, maar was gegeven het beschikbare cijfermateriaal niet mogelijk. Overigens was deze kleine herberekening, waarbij vier categorieën werden teruggebracht tot twee categorieën, uitsluitend ingegeven door de wens om het beeld te vereenvoudigen. De argumentatie heeft daardoor niet aan kracht gewonnen, maar dat hoefde ook niet. De percentages die in het SCP-rapport worden gepresenteerd spreken boekdelen. In tabel 3.5 (pag. 31) worden de volgende percentages gegeven van autochtonen/westerse allochtonen, respectievelijk niet-westerse allochtonen die vanwege financiële redenen niet deelnemen aan ten minste één vrijetijdsactiviteit.

Geen deelname aan tenminste één vrijetijdsactiviteit vanwege financiële redenen

bijstandsuitkering arm overig arm voorheen arm niet-arm totaal autochtoon/westers allochtoon 45% 19% 13% 6% 8% niet-westers allochtoon 49% 34% 18% 11% 24%
Het percentage allochtone kinderen dat vanwege financiële redenen achterblijft in maatschappelijke participatie is dus driemaal zo hoog als het percentage autochtone kinderen. Dat verschil is deels te verklaren door de verschillen in welstand tussen autochtone en allochtone gezinnen, maar aangezien allochtonen over de volle breedte (d.w.z. in alle genoemde inkomenscategorieën) minder deelnemen aan vrijetijdsactiviteiten vanwege financiële redenen, kan gevoeglijk worden aangenomen dat de etnische factor ook een rol speelt.

Dat bijvoorbeeld het verschil in niet-deelname tussen niet-arme autochtonen (6%) en niet-arme allochtonen (12%) statistisch niet significant is, zoals Jehoel heeft becijferd, wekt bevreemding maar heeft vermoedelijk alles te maken met het beperkte aantal niet-arme allochtone respondenten (n=85) in het onderzoek. Daardoor is de celvulling heel gering. Bij 11% gaat het dan immers nog om slechts 9 personen. Hetzelfde zou kunnen gelden voor de, volgens Jehoel, evenmin statistisch significante verschillen tussen autochtone en allochtone bijstandsgezinnen, c.q. de meisjes daarbinnen. Het is op basis van relatief kleine aantallen respondenten in subcategorieën moeilijk om statistisch significante verbanden aan te tonen, maar dat wil niet zeggen dat deze verbanden er niet zijn.

Laten we deze methodologische kwestie verder rusten dat valt op dat Jehoel volledig voorbijgaat aan enkele belangrijke andere argumenten die ik heb aangedragen om de betekenis van het financiële argument te relativeren. Dat uit haar onderzoek naar voren komt dat er eigenlijk maar weinig gebruik wordt gemaakt van bestaande subsidieregelingen die deze specifieke kosten kunnen compenseren én dat het gebruik van deze regelingen eigenlijk maar een beperkt effect heeft op de totale deelname, wordt kennelijk voor kennisgeving aangenomen.

Evenals het gegeven dat minder welgestelde ouders veel vaker dan andere ouders vinden dat de overheid de kosten van de vrijetijdsbesteding van kinderen zou moeten dragen. “In hoeverre het noemen van de financiële reden betekent dat men onvoldoende geld heeft voor sportdeelname of dat men er onvoldoende geld voor over heeft, komt in het rapport van de nulmeting niet aan de orde”, zo schrijft Jehoel. In mijn optiek geven de bovengenoemde uitkomsten voldoende grond om over die kwestie na te denken en voorzichtig te zijn met conclusies in de trant van “sport is te duur voor arme kinderen”, maar Jehoel verwijst “de kwestie inkomen versus preferenties” naar het vervolgonderzoek. Dat er tot die tijd een beeld wordt geschapen dat zich moeilijk laat nuanceren, neemt zij klaarblijkelijk op de koop toe.

Sportkosten
De SCP-onderzoeker doet een dappere poging om het geconstateerde grote verschil in contributieniveau ‘weg te poetsen’ maar slaagt daar toch niet helemaal in. Het gegeven dat de uitgaven voor zwemles worden meegenomen in de contributiekosten voor sport, vertroebelt het beeld en kan enigszins verklaren hoe het SCP tot zo’n hoog contributieniveau kon komen. Maar dat (duurdere) sportactiviteiten buiten verenigingsverband ook meegenomen zijn, zet geen zoden aan de dijk, want dat komt op deze leeftijd nauwelijks voor. Daar staat tegenover (en dat wordt door Jehoel niet genoemd) dat de respondenten geacht werden om de ontvangen financiële steun in mindering te brengen op de contributiekosten.

De argumenten die van stal worden gehaald in relatie tot de Verenigingsmonitor snijden geen hout. Het klopt weliswaar dat het in de Verenigingsmonitor gaat om contributiebedragen per vereniging en dat er enige variatie is naar omvang van de verenigingen, maar deze marges zijn betrekkelijk klein. Voor kinderen tot en met 12 jaar is de verenigingscontributie gemiddeld 75 euro en loopt deze uiteen van 64 tot 81 euro. Voor de oudere jeugd is het gemiddelde 83 euro en beweegt de verenigingscontributie zich tussen 68 en 96 euro. Bij de berekening van de gemiddelden tellen kleine verenigingen evenveel mee als grote verenigingen, maar dat leidt bij toerekening naar het gemiddelde per verenigingslid niet echt tot vertekening. Enerzijds hebben de grote (en iets duurdere) verenigingen meer leden, anderzijds zijn er veel meer kleine dan grote verenigingen.

Belangrijker als verklaring voor het grote verschil in sportkosten is het aantal dubbele lidmaatschappen. Dat zorgt voor een flinke opwaartse druk. Ik heb het in mijn eerdere bijdrage kort aangestipt. Jehoel gat daar in haar reactie iets dieper op in. Zij noemt een gemiddeld aantal sporten per jeugdige sporter van 1,43. M.a.w. kinderen en jongeren die sporten zijn gemiddeld van bijna anderhalve club lid. Als de gemiddelde door het SCP becijferde contributiebijdrage per kind (326 euro) door dat getal wordt gedeeld, komt een gemiddelde contributie per sport op 228 euro.

Dat is nog erg hoog in vergelijking tot de contributiebijdragen uit de Verenigingsmonitor, maar het spoort wel enigszins met uitkomsten van de Sportersmonitor 2005-2006, waarin ook een hoog gemiddelde voor contributie en lesgeld werd gevonden, namelijk 192 euro. Het verschil tussen de uitkomsten van de Sportersmonitor en de Verenigingsmonitor kan (deels) worden verklaard door de les- en cursusgelden die in een aantal takken van sport (zoals bij zwemmen en tennis) los van de contributies in rekening (kunnen) worden gebracht. Die bijdragen zijn niet in de gemiddelde contributies uit de Verenigingsmonitor verdisconteerd, maar wel in de genoemde kostenpost uit de Sportersmonitor.

Betaalbaarheid
Volgens Jehoel is het moeilijk te bewijzen of te weerleggen dat de gehanteerde vraagstelling (“Uw kind zit niet op een sport. Spelen financiële redenen hierbij een rol?”) sturend is. Ook beweert zij dat de vraag naar andere motieven voor niet-deelname op dezelfde manier is gesteld. Hier maakt zij zich er toch iets te gemakkelijk van af. Natuurlijk kan worden nagegaan of een vraagstelling sturend is. Het is heel gebruikelijk om vragen uit te testen. En dat op vergelijkbare wijze onderzoek is gedaan naar andere motieven, klopt niet. Uit de toelichting op de aanpak van het onderzoek maak ik op dat die andere motieven niet zijn aangereikt, maar dat deze spontaan door de respondenten genoemd moesten worden.

Het feit dat relatief veel kinderen meer dan één sport beoefenen, maakt de vergelijking van contributiekosten per kind voor sport, cultuur, scouting e.d. (zie tabel 5.4 op pag. 68) problematisch. Die vergelijkbaarheid is sowieso lastig omdat de duur, frequentie en intensiteit van de verschillende vrijetijdsactiviteiten onvergelijkbaar zijn. De conclusie “sporten is in vergelijking met de meeste andere vrijetijdsactiviteiten duur” lijkt gegeven de hogere gemiddelde contributiekosten per kind voor culturele activiteiten (353 euro) en het waarschijnlijk geringere aantal lidmaatschappen per kind in de culturele sfeer (zie pag. 42, tabel 4.4) hoe dan ook niet op zijn plaats.

Tot slot wordt de door mij genoemde 2 euro per week ter discussie gesteld. Ik zou daarbij geen rekening houden met de extra kosten zoals uitgaven voor sportkleding, -materialen, vervoerskosten. Dat klopt. Refererend aan de gemiddelde jaarcontributie van 80 euro uit de verenigingsmonitor heb ik vastgesteld dat “rekening houdend met vakanties e.d. kinderen voor ongeveer twee euro per week bij een sportclub terecht kunnen.” Dat er meer bijkomende kosten zijn, is evident. Minder evident vind ik het dat Jehoel daar dan een contrasterend bedrag van 12,50 per week tegenover zet. Enerzijds maakt zij een sommetje voor een bijstandsgezin met twee kinderen die naar een sportclub gaan. Anderzijds gaat zij nu van veel lagere kosten uit dan in het eigen onderzoek becijferd werden.

Jan Janssens is lector Sportbusiness Development aan de opleiding Sport Management & Ondernemen (SM&O) van de Hogeschool van Amsterdam. E-adres: j.w.janssens@hva.nl

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.