Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Is sport te duur

Is sport te duur?

19 mei 2009

Opinie

door: Jan Janssens

“Arm kind zit niet op sportclub”, “Geen sport voor arme kinderen”, “Arme kinderen buitenspel”, “Is sport anno 2009 onbetaalbare luxe?” , zo kopten verschillende kranten afgelopen week. De aanleiding daarvoor was de publicatie van het onderzoek ‘Kunnen alle kinderen meedoen?’ door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Uit dat onderzoek komt naar voren dat Nederland bijna 350.000 arme kinderen telt in de leeftijd van 5 tot 17 jaar, waarvan een groot percentage om financiële redenen niet deelneemt aan vrijetijdsactiviteiten op het gebied van sport en cultuur.

Sport is veruit de populairste vrijetijdsbesteding. Gemiddeld genomen zit ongeveer driekwart van alle kinderen op een sportclub. Maar dat geldt dus niet voor kinderen uit arme gezinnen (<120% sociaal minimum). In gezinnen die rondkomen van een bijstandsuitkering is iets minder dan de helft lid van een sportclub, terwijl driekwart van de kinderen die niet op een sportclub zitten, dat eigenlijk wel graag zouden willen. Maar, zo blijkt uit navraag bij hun ouders, vooral de financiën verhinderen dat. Als kinderen niet sporten is dat zelfs veel vaker vanwege financiële redenen dan bij niet-deelname aan scouting of culturele activiteiten.

“Sporten is populair maar ook duur”, zo concludeert het SCP. En alle media namen dat over. Maar is dat nu wel echt zo? Is sport zo duur? En vormen de kosten van sport nu echt zo’n belangrijke drempel voor deelname? Als we op de onderzoeksgegevens en de interpretatie daarvan door het SCP moeten afgaan dus wel. En dat is een gezaghebbend instituut, dus waarom zouden wij daaraan twijfelen? Het antwoord zit in de vraag besloten. Er kunnen nogal wat kanttekeningen worden geplaatst, allereerst bij de kosten van sportdeelname en de perceptie daarvan door de ouders, maar vooral ook bij het eendimensionale verklaringsmodel voor sportdeelname.

Sportkosten en -kwaliteit
Aan sportcontributie wordt volgens de ouders - die door het SCP bevraagd zijn - per jaar per kind gemiddeld 326 euro uitgegeven. De financiële ondersteuning die bijvoorbeeld van gemeentewege of uit het jeugdsportfonds is verkregen, is daarop in mindering gebracht. Aan materiaalkosten (sportschoenen, -kleding, -attributen) geven ouders gemiddeld nog eens 150 euro per kind per jaar uit. De bijkomende kosten (vervoer, consumpties, deelnamegeld wedstrijden e.d.) zijn hier niet in begrepen. Nu zijn sommige kinderen lid van meer dan één sportvereniging, maar toch verklaart dat niet waarom de door het SCP becijferde contributiebijdrage zo hoog is. Dat bedrag kan gewoon niet kloppen, want volgens de laatst gepubliceerde verenigingsmonitor van het Mulier Instituut - waarvoor in 2007 gegevens werden verzameld bij 870 sportverenigingen in heel Nederland en in alle takken van sport - is de gemiddelde jaarcontributie voor jeugdige sporters ongeveer 80 euro. Hoe het SCP tot het viervoudige kan komen, is een raadsel.

Uitgaande van het gemiddelde contributieniveau in de verenigingsmonitor is het toch eigenlijk moeilijk vol te houden dat sport duur is. Rekening houdend met vakanties e.d. kunnen we vaststellen dat kinderen voor ongeveer twee euro per week bij een sportclub terecht kunnen. Die kosten zijn zo laag omdat de meeste verenigingen draaien op het spreekwoordelijke ‘liefdewerk en oud-papier’. Een enorm vrijwilligerslegioen zet zich in voor de sport en houdt deze toegankelijk voor iedereen. De bijdrage van de overheid, die sportaccommodaties allesbehalve kostendekkend aanlegt en exploiteert, verdient hierbij natuurlijk ook vermelding.

Het liefdewerk-en-oud-papier karakter van sportverenigingen is de kracht en tegelijk de zwakte van het traditionele sportaanbod. Het is financieel heel laagdrempelig, maar blijft kwalitatief achter bij het commerciële sportaanbod. Het marktaandeel van de verenigingssport staat mede daardoor al een aantal jaren behoorlijk onder druk. De veel duurdere maar professioneler gerunde sportscholen en fitnesscentra daarentegen winnen terrein.

Tegen de achtergrond van deze toenemende concurrentie op de sportmarkt vindt momenteel (schoorvoetend) een professionaliseringsslag plaats in de verenigingssport. Dat de betaalbaarheid van de verenigingssport met dank aan het SCP nu ter discussie wordt gesteld, is funest voor de modernisering en professionalisering van het traditionele sportaanbod. Te toch al grote beduchtheid om contributies te verhogen en organisaties te professionaliseren zal hierdoor nog groter worden en de broodnodige kwaliteitsverbetering belemmeren.

Sportkosten en -deelname
Terug naar het SCP-onderzoek. Wordt de betaalbaarheid van de sport eigenlijk wel terecht ter discussie gesteld? Wie zich nader verdiept in de onderzoeksresultaten van het SCP zal onwillekeurig de wenkbrauwen fronsen.
Zo kan men zich afvragen of de vraagstelling met betrekking tot de kosten en betaalbaarheid van vrijetijdsactiviteiten de respondenten niet teveel in de richting van het gevonden resultaat hebben gestuurd. Aan de ouders van kinderen die niet aan sport deelnemen, is de vraag gesteld: “Uw kind zit nu niet op een sport. Spelen financiële redenen daarbij een rol?” De vraag lijkt neutraal geformuleerd, maar zit hierin niet impliciet de veronderstelling dat elk kind op een sport zou moeten zitten, en dat je dus wel een heel goed excuus moeten hebben als dat niet het geval is? En is het voor iemand die rond moet komen van een uitkering of inkomen rond het sociaal minimum, zo niet erg makkelijk gemaakt om te wijzen op het kostenaspect?

Hoe lager de financiële draagkracht, hoe vaker financiële overwegingen een rol spelen in beslissingen, dat is evident. De schaarste aan middelen perkt bij voortduring gedragsalternatieven in. Maar hoeveel gewicht moet er worden toegekend aan het financiële argument? Gaat het kind wel naar een sportclub als er meer geld in het huishouden binnenkomt? Dat valt nog te bezien getuige de bevindingen elders in het onderzoek.
Zo komt enerzijds naar voren dat er eigenlijk maar weinig gebruik wordt gemaakt van bestaande subsidieregelingen (gemeentepas e.d.) die deze specifieke kosten kunnen compenseren én dat het gebruik van deze regelingen eigenlijk maar een beperkt effect heeft op de totale sportdeelname.

Anderzijds is het opvallend dat de minder welgestelde ouders veel vaker dan andere ouders vinden dat de overheid de kosten van de vrijetijdsbesteding van kinderen zou moeten dragen. Veel ouders zien de bekostiging van die vrijetijdsactiviteiten voor hun kroost kennelijk niet als hun eigen verantwoordelijkheid.

Hier stuiten we op een belangrijke tekortkoming in het SCP-onderzoek. Geld speelt een rol, beamen de ouders, desgevraagd. Geld speelt de hoofdrol, stelt het SCP, en vervalt daarmee bijna in een soort economisch determinisme, dat voorbij gaat aan de complexiteit van het menselijk handelen. Bijna, want er is aan de ouders ook wel naar andere redenen gevraagd die een rol spelen en in een vervolgonderzoek wil men ook culturele factoren verder ontrafelen, maar de analyse van de antwoorden in het huidige onderzoek is oppervlakkig. De uitkomsten van de enquête onder de ouders worden niet geproblematiseerd. Betekent het bevestigend antwoord op de vraag of financiële redenen een rol spelen, dat er geen geld is voor sport, of dat men het geld er niet voor over heeft omdat er andere prioriteiten worden gesteld?

Voor beleidsmakers die de maatschappelijke participatie van de kinderen willen bevorderen, is dat meer dan een semantische kwestie. Als er in de betreffende gezinnen echt onvoldoende middelen zijn om kinderen te laten sporten, moet daar naar worden gezocht. Maar als het meer met de prioriteitsstelling te maken heeft, dan moet de focus van het beleid wellicht toch meer gericht worden op voorlichting en bewustwording.

Natuurlijk speelt inkomen ook een rol in de verklaring van sportdeelname, maar het is al langer bekend dat deze relatie niet eenduidig is en dat opleiding (waarmee inkomen sterk correleert) eigenlijk een belangrijkere variabele is in de verklaring van het sportgedrag. Verschillen in inkomen en opleiding zorgen voor verschillen in levensstijl. En de verschillen in sportdeelname hangen samen met verschillen in levensstijl. Lang geleden was sport een elitaire aangelegenheid en konden alleen de hogere klassen zich zo’n nutteloos tijdverdrijf permitteren. Met het groeien van de welvaart is de sport gepopulariseerd, maar van sociale gelaagdheid is nog steeds sprake. Mensen met een hogere opleiding hechten meer waarde aan sport. Verklaringen daarvoor zijn onder meer dat zij bewuster keuzes maken en dat zij in het dagelijks leven minder aan beweging toekomen en daarvoor in hun vrije tijd compensatie zoeken. Ouders die zelf sporten en een actieve leefstijl hebben, hebben doorgaans ook sportievere en actievere kinderen, omdat zij een voorbeeld geven dat navolging krijgt en omdat zij hun kinderen daarin ondersteunen, begeleiden en aansporen.

Sociaal-culturele dimensie sportdeelname
Door alle aandacht voor de financiële aspecten, blijven de effecten van sociaal-culturele factoren in het SCP-onderzoek merkwaardig genoeg onderbelicht. Toch zijn er in het onderzoek verschillende aanwijzingen dat deze een grote rol spelen. Kijkend naar de demografische samenstelling van de verschillende inkomensgroepen die door het SCP van elkaar worden onderscheiden, vallen enkele zaken op die een ander licht werpen op de geconstateerde verschillen in sportdeelname en die andere dan puur financiële verklaringen daarvoor plausibel maken.

Zo blijkt in bijstandgezinnen het financiële argument een grotere rol te spelen bij meisjes dan bij jongens. Terwijl 53% van de meisjes in deze gezinnen om financiële redenen niet meedoet aan één of meer maatschappelijke activiteiten, is dat bij de jongens in 42% het geval. Het zullen vermoedelijk vooral allochtone meisjes die buiten spel staan. Het is bekend dat voor veel jonge moslima’s op sport en bewegingsactiviteiten een taboe rust en dat ook deelname aan andere activiteiten in gemengd verband of onder mannelijke leiding problematisch zijn. Etnische en religieuze aspecten lijken de financiële argumenten te kleuren. Dat komt op meer plaatsen naar voren in het SCP-onderzoek.

Allochtonen zijn sterk oververtegenwoordigd onder de arme gezinnen. Zo is bijvoorbeeld meer dan de helft van alle gezinnen die van de bijstand moeten rondkomen, van allochtone kom-af. En de deelname aan sport en andere vrijetijdsactiviteiten is in autochtone en allochtone gezinnen alles behalve gelijk. In 27% van de arme autochtone gezinnen wordt door de kinderen om financiële redenen niet deelgenomen aan één of meer vrijetijdsactiviteiten op het gebied van sport en cultuur, terwijl dat in arme allochtone gezinnen zelfs om 44% gaat. Ook onder niet-arme gezinnen zijn grote verschillen geconstateerd tussen de maatschappelijke participatie van autochtone en allochtone kinderen. In autochtone gezinnen doet 8% om financiële redenen niet aan mee aan één of meer activiteiten, in allochtonen gezinnen betreft dat 18%.

Deze uitkomsten maken duidelijk dat financiële redenen belangrijk kunnen zijn als verklaring voor (niet) deelname aan vrijetijdsactiviteiten, maar dat hierin ook andere factoren verdisconteerd zijn, die uiteindelijk misschien zelfs wel belangrijker zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan de onbekendheid met het verenigingsleven bij de ouders van allochtone kinderen. Het betekent hoe dan ook dat de beleidsinzet zich niet zou moeten beperken tot financiële injecties. Het is, mede gelet op het beperkte effect van de huidige financiële ondersteuning, ook de vraag of het beschikbaar stellen van meer geld wel de meest effectieve manier is om in de volle breedte tot meer maatschappelijke participatie te komen. Het zal met name (arme) allochtone meisjes die willen sporten naar alle waarschijnlijkheid nog weinig soelaas bieden. Zij hebben in die sfeer baat bij laagdrempelige voorzieningen én een beschermde omgeving. En bij ouders die beseffen welke mogelijkheden en verantwoordelijkheden zij hebben om hun kinderen te stimuleren tot meer maatschappelijke participatie. Voorlichting en bewustwording, ook van andere ouders van arme kinderen natuurlijk, is geen makkelijke opgave, maar wel een heel belangrijke.

Jan Janssens is lector Sportbusiness Development aan de opleiding Sport Management & Ondernemen (SM&O) van de Hogeschool van Amsterdam. E-adres: j.w.janssens@hva.nl

Voor een reactie van Gerda Jehoel-Gijsbers op bovenstaand artikel, klik hier

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.