20 september 2011
Opinie
‘BEWEEGruimte, dat is toch werk van mijn collega die zich bezighoudt met sport? BeweegRUIMTE, daar gaan wij als afdeling sport niet over, dat doen ze bij ruimtelijke ordening.’ Ruimte voor bewegen, waarom is het zo verschrikkelijk lastig deze twee componenten RUIMTE en BEWEGEN daadwerkelijk bij elkaar te brengen tot BEWEEGRUIMTE?
In het gelijknamig programma ‘Beweegruimte’ werken wij - als Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) - samen met gemeenten aan beweegvriendelijke buurten en wijken. Denk daarbij aan fysieke aanpassingen in de buurt zoals playgrounds, speelplekken, beweegtuinen en aantrekkelijke en veilige wandel- en fietsroutes. Door deze fysieke maatregelen te koppelen aan een goed activiteitenaanbod - of met hulp van duidelijke communicatie over de mogelijkheden hoe gebruik te maken van deze voorzieningen - wordt het sporten en bewegen in de buurt effectiever gestimuleerd. In praktijk blijkt het niet eenvoudig te zijn deze twee aspecten (de fysieke en sociale) met elkaar te verbinden, evenals de ambtenaren die binnen deze beleidsvelden werken.
Uit onderzoek onder Nederlandse gemeenten (door NISB, in maart 2011) blijkt dat 90% van de gemeenten aan één of meerdere aspecten van beweegruimte werkt. In het merendeel van de gemeenten ontbreekt echter de samenhang of een projectplan. De zogenaamde harde en zachte sectoren weten elkaar nog niet zo goed te vinden op het gebied van beweegruimte. Waarom is het zo lastig voor afdelingen als ruimtelijke ontwikkeling, verkeer en (beheer) openbare ruimte om samen te werken met afdelingen welzijn, gezondheid en sport? Komt het door de andere benadering van het thema, spreken ze elkaars taal niet, is er niet voldoende tijd om een samenwerking tot stand te brengen, of weten ze elkaar simpelweg niet te vinden? Of is het meer een kwestie van bewustwording? Juist door samen te werken ontstaat een win-win situatie, kunnen budgetten gekoppeld worden en uiteindelijk ook fysieke en sociale maatregelen in samenhang met elkaar worden genomen. Het is zonde als je na afloop van een ontwikkeling of project ontdekt dat je de boot gemist hebt of elkaar hebt tegengewerkt, terwijl je hetzelfde doel nastreeft!
Is beweegruimte één van de aspecten waar planologen, stedenbouwkundigen, landschapsarchitecten, verkeerskundigen, of beheerders van de openbare ruimte rekening mee houden? Ik hoor ze denken: ‘niet nog zo’n verplichting erbij, we moeten al met zoveel uiteenlopende wensen en belangen van verschillende doelgroepen rekening houden bij het inrichten of ontwerpen van wijken en de buitenruimte.’ Denk aan het aantal parkeerplaatsen per woning, de groenstructuur, speelruimte, etc. waar ook normen en richtlijnen voor zijn ontwikkeld. Voor de beweegvriendelijkheid van een wijk of de buitenruimte zijn geen normen of richtlijnen. Een beweegvriendelijke buurt is geen wettelijk vereiste. Volgens mij is dat ook niet perse nodig. Het instellen van een norm of richtlijn maakt niet automatisch dat de ontwerpers en inrichters de wijk beweegvriendelijk maken. Dat zien we bijvoorbeeld bij het advies dat de minister van VROM aan gemeenten gaf om 3% van de bebouwde omgeving te reserveren voor speelruimte. Ondanks dit advies blijft speelruimte dikwijls een sluitpost in de begroting en blijk achteraf (als de wijk klaar is) dat er overlast ontstaat omdat er onvoldoende speelruimte is, of omdat de aanwezige speelruimte niet aansluit bij de wensen of behoeften van de gebruikers.
Wat we leren uit het al dan niet meenemen van speelruimte bij het ontwerpen van een wijk nemen wij mee in de lessen voor het samenwerken aan beweegruimte. Waarom lukt het de meeste ontwerpers niet van meet af aan rekening te houden met aspecten als speel- en beweegruimte? Is het een kwestie van ontbrekende, ‘dwingende’ normen of wetgeving, of toch niet? Is het misschien een kwestie van geld; de gedachte dat beweegruimte geld kost en geen geld oplevert? Of realiseren ontwerpers zich (nog) niet voldoende dat ze met hun ontwerp van buurten en wijken invloed hebben op het beweeggedrag van de inwoners?
Volgens mij moeten we beginnen met bewustwording. Die samenwerking tussen de ruimtelijke en sociale afdelingen komt pas tot stand als beiden het belang van beweegruimte inzien. Er moet bij alle partijen een sense of urgency zijn om dit thema op te pakken en van meet af aan mee te nemen in de planvorming. De beleidsmedewerker sport zal met goede argumenten naar zijn collega’s van ruimtelijke ontwikkeling moeten gaan om het belang van een beweegvriendelijke buurt duidelijk te maken. De beleidsmedewerker ruimtelijke ontwikkeling zal open moeten staan voor deze argumenten en moet ze kunnen ‘verstaan’ en vertalen naar zijn eigen vakgebied. Hij of zij zal willen weten wat het oplevert, liefst uitgedrukt in euro’s of leefbaarheidsaspecten.
Heel praktisch gezien moeten de verschillende beleidsafdelingen elkaar eerst zien te vinden en te overtuigen voordat een samenwerking van de grond kan komen. Jezelf verdiepen in de taal van je collega helpt daarbij. Want zo werken de ruimtelijke afdelingen graag met kaarten en beelden, terwijl dit voor de afdeling sport geen gewoonte is. Hoe die samenwerking er vervolgens uit ziet, hoe ver die gaat, en of deze structureel of projectmatig is, dat moet je samen uitzoeken. Kies daarbij iets waarvan je weet dat het haalbaar is en in de organisatie past. Of probeer het gewoon eens een keer uit. Trek als ambtenaar ruimtelijke ontwikkeling de ‘stoute sportschoen’ aan en nodig je collega sport eens uit om te praten over wat je voor elkaar kunt betekenen op het gebied van een beweegvriendelijke buurt. Staat er een herstructurering voor een wijk gepland? Is er een nieuwbouwproject? Kijk dan eens hoe je samen op kunt trekken. Of neem ‘vitale samenleving’ - een van de speerpunten uit het Olympisch Plan - als een gezamenlijk uitgangspunt om in gesprek te gaan.
Benieuwd hoe collega gemeenten hierover denken? Marie-Jeanne Aarts heeft promotieonderzoek verricht aan de universiteit van Tilburg op het thema ‘Een beweegvriendelijke omgeving voor kinderen en kansen voor intersectorale samenwerking’. Op de ontmoetingsdag van NISB op 24 november zal ze ons - samen met nog enkele andere experts - meer over dit onderwerp vertellen tijdens de workshop intersectoraal samenwerken aan beweegruimte.
Ook binnen het programma Beweegruimte en het project Beweegvriendelijke Omgeving van NISB is intersectorale samenwerking een belangrijk aspect. In de acht pilotgemeenten die in dit project volgen, monitoren we het proces van intersectorale samenwerking nauwkeurig. Ervaringen die we opdoen zullen we na afloop van de projectperiode verspreiden naar andere gemeenten en geïnteresseerden middels onze nieuw te ontwikkelen website over het thema beweegvriendelijke omgeving.
Een beweegvriendelijke omgeving levert op vele fronten wat op. Een beweegvriendelijke wijk is gezond, leefbaar, veilig en aantrekkelijk om in te wonen. Wie wil dat nu niet?
Voor meer informatie over het programma beweegruimte: Maartje Kunen (maartje.kunen@nisb.nl of 0318-490 900). Of kijk op www.nisb.nl/buurt voor goede voorbeelden van beweegvriendelijke buurten en wijken.
Maartje Kunen werkt sinds medio 2011 bij het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) als adviseur Beweegruimte aan het project ‘Beweegvriendelijke Omgeving’. Daarin ondersteunt en adviseert zij pilot-gemeenten. Ook werkt zij aan het verzamelen van goede voorbeelden, het ontwikkelen van een website, een Quickscan Beweegvriendelijke Omgeving en het opbouwen van een netwerk rondom dit thema. Als sociaal planoloog richt zij zich op de koppeling tussen het fysieke (de harde sector) en het sociale aspect van Beweegruimte.Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.