Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Hoeveel mensen gebruiken doping

Hoeveel mensen gebruiken doping?

12 maart 2013

Opinie

door: Olivier de Hon

De dopingberichten buitelen over elkaar heen deze weken. Op 5 maart voegde lector Mark van den Heuvel zich bij de scribenten over dit onderwerp in zijn stuk 'Alarmerende berichten over dopinggebruik in amateursport behoeven nuance'. Hij vat daarin het mede door hem uitgevoerde onderzoek uit 2002 samen, en gebruikt ook recentere cijfers. Zijn conclusie is dat het cijfer van ongeveer 160.000 actuele dopinggebruikers in Nederland ongenuanceerd is, en hij is bang dat dit gevaarlijk stigmatiserend kan werken naar alle (amateur)sporters in Nederland.

Nuancering is zeker op zijn plaats, maar dat betekent niet dat het getal van 160.000 niet zou kloppen. Mark van den Heuvel heeft twee recentere rapporten over dit onderwerp blijkbaar gemist. Er lopen hier twee problemen door elkaar heen: wat moet precies verstaan worden onder die amateursport? En hoe vallen de verschillende bestaande prevalentiecijfers met elkaar te rijmen?

Niet twee maar drie doelgroepen
Met de verzamelterm ‘amateursporters’ worden vaak alle andere sporters aangemerkt die niet voldoen aan een bepaalde definitie van ‘topsport’. Als men over doping praat, voldoet deze simpele tweedeling echter niet. De meeste anti-dopingmaatregelen zijn gericht op topsporters die op het hoogste nationale niveau in competities uitkomen. De internationale toppers vallen daar uiteraard ook onder. Het onderzoek van Van den Heuvel et al. richtte zich op de vraag of er in de competitieve sport onder die toplaag wellicht ook een dopingprobleem zou kunnen zijn. Het antwoord uit 2002 was ‘niet echt’, en er zijn geen nieuwe ontwikkelingen geweest die ervoor zorgen dat die conclusie in de jaren daarna bijgesteld zou moeten worden. Met andere woorden: in de competitieve amateursport zijn er geen indicaties voor grote dopingproblemen.

Maar er is nog een derde groep sporters te onderscheiden: de fitnessers. Deze mensen sporten in fitnesscentra, sportscholen, health centres of hoe deze instellingen ook maar mogen heten, en werken daar aan hun conditie met behulp van allerlei fitnessapparatuur. Kortom: ze sporten. De meesten doen dat niet in competitief verband. Ze spinnen, lopen, roeien, of hangen aan de gewichten omdat ze dat voor zichzelf leuk en/of nuttig vinden. Uiteraard zijn hier ook sporters bij die tevens in wedstrijdsporten uitkomen, maar voor vele fitnessers geldt dit niet. En er zullen sporters bij zijn die via bodybuildingwedstrijden een zakcentje of zelfs hun brood met beleg verdienen, maar verreweg de meesten zijn ook aan te duiden als ‘amateursporters’. Voor de Dopingautoriteit zijn deze fitnessers een belangrijke doelgroep, die een eigen benadering vereisen.

Geconcludeerd kan worden dat Mark van den Heuvel met zijn uiteenzetting over het in 2002 onderzochte dopinggebruik in de ‘georganiseerde breedtesport’ slechts een deel van die breedtesport bespreekt. De fitnessers vielen bij dat onderzoek buiten de onderzoekspopulatie, en hier zijn wel degelijk (recente) gegevens over beschikbaar.

Meerdere prevalentiecijfers
Nu er drie doelgroepen zijn geïdentificeerd binnen sportend Nederland, zou het logisch zijn om ook drie verschillende prevalentiecijfers te bespreken. Maar zo simpel is het niet: de uitkomsten van prevalentieonderzoeken worden mede bepaald door de gebruikte onderzoeksmethodieken. Het door Van den Heuvel aangehaalde Nationaal Prevalentie Onderzoek betreft een vragenlijstonderzoek (vroeger ‘face to face’; tegenwoordig deels via internet). Het is bekend dat mensen bij vragenlijstonderzoeken op sociaal gevoelige onderwerpen de neiging hebben om zelfbeschermende antwoorden te geven. Oftewel: mensen maken de werkelijkheid iets mooier dan deze daadwerkelijk is, of zoals zij denken dat de onderzoekers dat graag zouden willen zien. Er is een onderzoeksmethode die rekening houdt met deze menselijke neiging, en dat is de Randomized Response Technique.

In een eerder stuk over de prevalentie van het dopinggebruik in de topsport is deze techniek al eens uitgelegd. Deze techniek is door TNO in 2009 gebruikt in een onderzoek naar (onder andere) de prevalentie van dopinggebruik onder fitnessbeoefenaars, en zij kwamen op een geschatte dopingprevalentie van 8,2%. De Gezondheidsraad heeft dit in 2010 vertaald naar een schatting van 160.000 mensen in Nederland die in het afgelopen jaar doping hebben gebruikt. Naar verwachting zijn dit met name ongeorganiseerde sporters - die weliswaar lid zijn van een fitnesscentrum - maar die niet uitkomen in wedstrijden.

Conclusie
In dopingdiscussies is iedereen gebaat bij nuance. Hoewel het simpele bestaan van een dopinglijst suggereert dat er over dit onderwerp zwart-witdiscussies zijn te houden (‘dit is wel doping – en dat niet’), is het in de praktijk zelden mogelijk om een kort antwoord te geven op de vele vragen die leven rondom dit onderwerp. Wat in ieder geval essentieel is in elke dopingdiscussie, is het expliciet vermelden van de groep sporters waarover gesproken wordt. Dit kan vele onduidelijkheden bij voorbaat wegnemen.

Als men discussieert over de prevalentie van dopinggebruik in Nederland, kan men afhankelijk van de besproken doelgroep met evenveel recht stellen dat we daar relatief weinig over weten (binnen de topsport; zie hier), dat deze laag is (binnen de competitieve breedtesport; zie hier), of dat de beste schatting die momenteel bestaat neerkomt op ongeveer 160.000 sporters (onder fitnessbeoefenaars; zie hier). Al deze drie beweringen zijn waar.

Olivier de Hon is afgestudeerd bewegingswetenschapper en sinds 1998 werkzaam op het gebied van doping. Sinds 2006 is hij wetenschappelijk beleidsmedewerker bij de Dopingautoriteit.

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.