6 februari 2024
Opinie
1. Bewoners in aandachtswijken sporten minder.
2. Kinderen en jongeren bewegen minder en hun motoriek gaat achteruit.
3. Sport en bewegen wordt te weinig ingezet binnen de gezondheidszorg.
4. Vergroten en zichtbaar maken van maatschappelijke waarde topsport.
5. De sportinfrastructuur wordt te weinig gebruikt.
6. De betaalbaarheid van sport staat onder druk.
Voor deze zes wicked problems zijn afgelopen zomer evenzoveel strategische plannen voor onderzoek en innovatie opgesteld. Voor de uitvoering van deze plannen is in de komende jaren een bedrag van 13,5 miljoen euro beschikbaar. Jan Janssens heeft, samen met vertegenwoordigers uit de sector, de plannen voor de twee laatstgenoemde wicked problems opgesteld. In een vierluik van artikelen analyseert hij deze uitdagingen en geeft hij een voorzet voor de aanpak.
In de eerste bijdrage ging hij in op de onderbenutting van de sportinfrastructuur (WP 5). In de daarop volgende drie bijdragen ligt de focus op de spanning die er bestaat tussen de wens om enerzijds de kwaliteit van het sportaanbod te verhogen en anderzijds de sport betaalbaar te houden (WP 6). In de tweede bijdrage stonden de prijs en de betaalbaarheid van sport centraal. In dit derde artikel borduurt hij hierop verder en komen de kwaliteit en organisatie van sport aan de orde.
door: Jan Janssens
Meer dan de prijs is de kwaliteit van het sportaanbod bepalend voor sport- en beweegdeelname. Als we de sportparticipatie en de maatschappelijke impact daarvan willen verhogen, dan moeten we vooral daar naar kijken. De kwaliteit van het sportaanbod kan mensen ervan weerhouden om te gaan of te blijven sporten. Denk bijvoorbeeld aan een gebrekkige pedagogisch en sporttechnisch verantwoorde begeleiding, beperkte inclusiviteit of flexibiliteit, teveel verplichtingen en te weinig service.
Aan de ene kant scoort onze bevolking verhoudingsgewijs heel hoog op sport- en beweegdeelname en spreekt deze in enquêtes grote tevredenheid uit over het sportaanbod (accommodaties, openbare ruimte en begeleiding). Aan de andere kant zijn vooral beleidsmakers binnen de sector niet tevreden en ervan overtuigd dat er op dit vlak nog veel verbeteringen mogelijk en wenselijk zijn. Zie bijvoorbeeld de opsomming van uitdagingen in Sportakkoord II. Dat lijkt een tegenstelling maar is eerder een paradox.
Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de sporters het sportaanbod positief beoordelen in de wetenschap dat het in veel gevallen door welwillende vrijwilligers wordt georganiseerd en daar lage kosten mee zijn gemoeid. De aanbieders daarentegen worstelen vaak om voldoende geschikte vrijwilligers te vinden en te binden, hebben moeite om aan de veranderende wensen en voorkeuren van sporters en aan de hogere eisen van bonden en overheden tegemoet te komen. Zij zien ook de concurrentie groeien en (althans in de verenigingssport) de deelname afnemen. Beleidsmakers constateren dat een flink deel van de bevolking niet voldoet aan beweegrichtlijnen en beseffen dat er veel meer gezondheidswinst is te halen uit sport en bewegen wanneer deze een groter bereik zouden hebben. Daardoor hebben de beleidsmakers in de sport meer dan de sporters oog voor de tekortkomingen.
Hoe dan ook mag worden verwacht dat verbetering van de kwaliteit zal resulteren in meer (structurele) deelname aan sport en bewegen en meer maatschappelijke impact.
Dimensies van kwaliteit
Voor de formulering van ambities en uitdagingen binnen de in mijn vorige bijdrage geschetste driehoek (prijs-kwaliteit-organisatie) is kwaliteit misschien een beter startpunt dan prijs. Maar net als de prijs van sport is ook de kwaliteit van sport een diffuus containerbegrip. Echter het begrip kwaliteit kan wel concreter worden gedefinieerd.
In de literatuur op het gebied van kwaliteitsbeleid in de sport worden vier dimensies van kwaliteit onderscheiden, waarop vanuit verschillende perspectieven kan worden gereflecteerd. Kwaliteit is:
Bij de eerste dimensie (product) gaat het erom of het sportaanbod voldoet aan bepaalde specificaties. Worden trainingen deskundig verzorgd? Is de begeleiding pedagogisch verantwoord? Wordt er met deugdelijke materialen en in een veilige omgeving gesport? Staat de prijs in verhouding tot het gebodene? Is de toegankelijkheid van de voorzieningen gewaarborgd?
De tweede dimensie (proces) omvat kwaliteitsaspecten die met de werkwijze van sportorganisaties te maken hebben. Wordt er efficiënt en effectief gewerkt? Hoeveel invloed kunnen sporters uitoefenen op het sportaanbod waar zij gebruik van maken? Hoeveel inspraak heeft het sportkader daarbij? Hoe zijn hun arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden?
De derde dimensie (gebruiker) heeft betrekking op de mate waarin rekening wordt gehouden met, en ingespeeld wordt op, wensen en verwachtingen van de (potentiële) sporter. Hoe is het gesteld met de service, flexibiliteit, informatie, betrouwbaarheid enz. In hoeverre wordt de sporter als klant tevreden gesteld?
Bij de vierde dimensie (maatschappij) staan verschillende maatschappelijke waarden centraal. In hoeverre worden positieve maatschappelijke effecten van sportbeoefening, zoals fysieke en mentale volksgezondheid, leefbaarheid, sociale cohesie en integratie bevorderd? En in hoeverre worden de nadelige gevolgen zoals milieubelasting, ruimtebeslag, risico van blessures en grensoverschrijdend gedrag tegengegaan of opgevangen?
Organisatie bepaalt prijs en kwaliteit
De organisatie van het sportaanbod is in belangrijke mate bepalend voor de prijs en kwaliteit. Direct en indirect heeft zij veel invloed op sportdeelname en de maatschappelijke meerwaarde ervan. Afhankelijk van de wijze waarop sport wordt aangeboden en beoefend draagt zij meer of minder bij aan volksgezondheid, leefbaarheid, educatie, identiteitsvorming, integratie, sociale cohesie enz.
Om de sportdeelname (structureel) te verhogen en met sport meer maatschappelijke impact te genereren is een duurzame versterking van het sportaanbod noodzakelijk. Met name verenigingen hebben moeite om tegemoet te komen aan de veranderende wensen en voorkeuren van sporters en aan de hogere eisen van bonden en overheden. Ze worstelen vaak om voldoende geschikte vrijwilligers te vinden en te binden.
Het vrijwilligerswerk en de zelfwerkzaamheid van de leden, die dominant zijn is in de traditioneel georganiseerde verenigingssport, drukken de prijs, maar tegelijk ook de kwaliteit van dat aanbod. Immers bij werving van vrijwilligers is beschikbaarheid vaak belangrijker dan deskundigheid. Dit werkt ook door in het commercieel georganiseerde sportaanbod dat daarmee concurreert. Zowel binnen de verenigingssport als binnen de ondernemende sport is (goede) begeleiding van sporters geen vanzelfsprekendheid.
Dat een groot deel van de sportwereld sterk leunt op de inzet van vrijwilligers bevordert sociale participatie maar remt professionalisering. Professionalisering is ook een containerbegrip. In de praktijk worden verschillende definities gehanteerd. Soms wordt professionalisering als een synoniem beschouwd voor deskundigheidsbevordering, maar hier niet. Hier wordt professionalisering opgevat als een proces waarin drie aspecten centraal staan: verhoging kwaliteit, inzet betaalde arbeid en beroepsvorming. Deze aspecten verhouden zich tot elkaar als doel, middel en randvoorwaarde.
Concurrentie
Waar in de sportsector wel beroepsbeoefenaren actief zijn, moeten zij vanwege de beperkte financiële ruimte vaak genoegen nemen met relatief matige arbeidsvoorwaarden en weinig carrièreperspectieven. Dat resulteert in een relatief groot verloop en beperkt de opbouw van kennis en ervaring in de sector. In de huidige krappe arbeidsmarkt kan de sportwereld de concurrentie met andere maatschappelijke sectoren zoals zorg, welzijn, kinderopvang en onderwijs eigenlijk niet aan.
Terwijl in de sportsector het vrijwilligerswerk dominant is en gepaard gaat met vrijblijvendheid zijn in bovengenoemde sectoren overwegend professionele krachten werkzaam en bestaan stringente wettelijke kaders. Dit zorgt ervoor dat men elkaar niet altijd even goed verstaat en begrijpt. Dat bemoeilijkt de samenwerking en dat is jammer want er bestaat zowel binnen het onderwijs als binnen de kinderopvang een groeiende behoefte aan ruimte en ondersteuning op het gebied van sport en bewegen. Om de samenwerking met andere maatschappelijke sectoren te bevorderen en zo de maatschappelijke betekenis van sport te vergroten is verdergaande professionalisering van de sportsector wenselijk. En daar hangt een prijskaartje aan.
Lastige vragen
Hoe kunnen we die professionalisering het best organiseren en bekostigen? Welke organisatievormen en bedrijfsmodellen passen daar het beste bij? En welke strategieën voor prijsstelling? Zijn er naast de bedoelde ook onbedoelde en ongewenste gevolgen van professionalisering? Hoe kunnen we voorkomen dat het streven naar meer (maatschappelijke) kwaliteit van sport en bewegen door professionalisering ten koste gaat van de toegankelijkheid van de sport? Het zijn de lastige vragen. Ze worden samengevat in de overkoepelende vraag die als titel boven dit artikel staat: hoe kunnen we de kwaliteit van het sportaanbod verhogen en de sport toch betaalbaar houden?
Ook al ontbreken vooralsnog de antwoorden op deze lastige vragen, het betekent niet dat we volledig in het duister tasten. Er zijn allerlei interessante en hoopgevende ontwikkelingen waarneembaar binnen de driehoek van prijs, kwaliteit en organisatie. Daarvan zouden we (bij nadere bestudering) veel kunnen leren. Deze ontwikkelingen komen aan bod in het laatste artikel van deze reeks.
Er is een ruim budget beschikbaar voor een meerjarig onderzoeksprogramma gericht op verhoging van de kwaliteit en versterking van de organisatie van het sportaanbod. Daarbij staan onderzoeksvragen centraal die betrekking hebben op:
Deze thema’s sluiten aan bij onderzoeksvragen die zijn geformuleerd in het kader van de wicked problems 5 en 6 van MOOI in Beweging. Dat betekent dat de middelen die daarvoor beschikbaar zijn gesteld, worden samengevoegd.
Het budget zal niet worden versnipperd. Het is de bedoeling dat, onder aanvoering van een universiteit of hogeschool, brede consortia worden gevormd die deze twee deelprogramma’s in de komende jaren ter hand gaan nemen. De onderzoekers moeten samen met (vertegenwoordigers van) sportaanbieders, gemeenten en andere betrokken organisaties meer kennis en inzichten verzamelen over de bovengenoemde thema’s en deze vervolgens teruggeven aan het veld.
Voor het eerstgenoemde thema (professionalisering) is afgelopen najaar al een subsidieoproep gedaan, maar deze heeft nog niet tot een toekenning geleid. Binnenkort zal een enigszins herziene oproep worden geplaatst. Voor het andere thema (bedrijfsvoering) is afgelopen week een subsidieoproep gepubliceerd. Dat is een grote en gecombineerde subsidieoproep voor WP5 en 6. Daarin gaat het niet alleen over de organisatie en bedrijfsvoering in de sport, maar ook over de exploitatie en benutting van sportaccommodaties.
Daarnaast zal ook een budget beschikbaar worden gesteld voor fysieke experimenteeromgevingen rond vernieuwende vormen van samenwerking, organisatie en/of bedrijfsvoering in de sport. Daarvoor kunnen t.z.t. gemeenten en/of instellingen voor HBO of MBO aanvragen indienen.
Op de website van Mooi in Beweging is alle informatie over wicked problem 5 en wicked problem 6 te vinden. Daar kunnen de betreffende strategische plannen worden gedownload en ook de kennis- en innovatiescans die door het Mulier Instituut zijn opgesteld.
Jan Janssens is directeur-eigenaar van onderzoek- en adviesbureau Chionis. Eerder was hij o.a. directeur van het Mulier Instituut, lector Sport Management & Ondernemen bij de Hogeschool van Amsterdam, formateur van sport- en preventieakkoorden in acht gemeenten en kwartiermaker bij ZonMw.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.