23 januari 2024
Opinie
1. Bewoners in aandachtswijken sporten minder.
2. Kinderen en jongeren bewegen minder en hun motoriek gaat achteruit.
3. Sport en bewegen wordt te weinig ingezet binnen de gezondheidszorg.
4. Vergroten en zichtbaar maken van maatschappelijke waarde topsport.
5. De sportinfrastructuur wordt te weinig gebruikt.
6. De betaalbaarheid van sport staat onder druk.
Voor deze zes wicked problems zijn afgelopen zomer evenzoveel strategische plannen voor onderzoek en innovatie opgesteld. Voor de uitvoering van deze plannen is in de komende jaren een bedrag van 13,5 miljoen euro beschikbaar. Jan Janssens heeft, samen met vertegenwoordigers uit de sector, de plannen voor de twee laatstgenoemde wicked problems opgesteld. In een vierluik van artikelen analyseert hij deze uitdagingen en geeft hij een voorzet voor de aanpak.
In de vorige bijdrage ging hij in op de onderbenutting van de sportinfrastructuur (WP 5). In deze en volgende bijdragen gaat hij in op de spanning die er bestaat tussen de wens om enerzijds de kwaliteit van het sportaanbod te verhogen en anderzijds de sport betaalbaar te houden (WP 6). In dit artikel staan de prijs en betaalbaarheid van sport centraal.
door: Jan Janssens
De missie van het programma MOOI in Beweging is om zoveel mogelijk mensen te laten sporten, op een manier die waardevol is voor het individu en voor de samenleving. Een kwalitatief goed én betaalbaar sport- en beweegaanbod is daarvoor een belangrijke randvoorwaarde. Om meer mensen in beweging te brengen is het zaak om de kwaliteit van dat sportaanbod te verhogen, zonder dat daarbij de betaalbaarheid van de sport in het gedrang komt.
We kunnen de sportvraag en het sportaanbod benaderen vanuit drie verschillende invalshoeken die met elkaar samenhangen maar ook in een gespannen relatie tot elkaar staan. Het zijn de drie factoren die in belangrijke mate bepalen hoe de sport wordt aangeboden, of mensen aan sport gaan en blijven doen, hoe zij de sportbeoefening ervaren, en hoeveel profijt de samenleving hiervan heeft: prijs, kwaliteit en organisatie. In dit artikel zal ik inzoomen op de prijs en betaalbaarheid van sport. In het volgende artikel komen de kwaliteit en organisatie van sport aan de orde. In het afsluitende artikel zal ik belangrijke ontwikkelingen binnen deze driehoek van prijs, kwaliteit en organisatie beschrijven.
Moet sport goedkoop zijn?
De prijs van sport is een samengestelde variabele. Het betreft contributie of abonnementsgeld, maar ook de kosten voor kleding, materialen, vervoer, consumpties e.d. Deze kosten variëren sterk. Sommige takken van sport zijn duurder dan andere. Hoewel sommige takken van sport (zoals fitness, golf, zeilen en paardensport) vaker of zelfs vooral worden beoefend door mensen met meer financiële draagkracht, is het niet zo dat er een heel duidelijk en eenduidig verband bestaat tussen inkomenspositie en uitgaven voor sport. Allerlei kracht- en vechtsporten bijvoorbeeld zijn relatief duur, maar worden toch vaker beoefend door mensen met een relatief laag inkomen.
Met name voor mensen met minder financiële draagkracht kunnen de kosten niettemin een drempel opwerpen om te gaan of blijven sporten. Maar ook andere factoren spelen een belangrijke rol in de beslissing om wel of niet te sporten. Sterker nog, de kosten zijn meestal niet het (grootste) probleem. Vaker gaat het om een gebrek aan tijd, prioriteit, motivatie en ‘doenvermogen’ (wel willen sporten maar toch niet in actie kunnen komen).
Goede financiële vangnetregelingen zoals bijzondere bijstand, stadspassen, het Jeugd- en Volwassenenfonds Sport en Cultuur verlagen de financiële drempels, maar hebben geen optimaal bereik en zijn niet toereikend om meer intrinsieke gedragsverandering tot stand te brengen. Daarvoor is een meer integrale benadering nodig waarin ook bestaanszekerheid en sociale relaties worden betrokken. Maar daarop kan vanuit de sport niet of nauwelijks invloed worden uitgeoefend.
Het is voor velen vanzelfsprekend dat sport voor iedereen toegankelijk en daarom ook goedkoop moet zijn. Veel sportaanbieders kijken onvoldoende naar de reële kostprijs bij de bepaling van het prijsniveau en indexeren ook lang niet altijd hun lidmaatschaps- of abonnementsprijzen. Dat geldt voor verenigingen die sowieso vaak al een lagere prijs kunnen rekenen omdat zij direct of indirect (lagere dan marktconforme huurtarieven) overheidssubsidie ontvangen. Die zijn in veel gevallen beducht om aan hun leden een grotere eigen bijdrage te vragen en zijn doorgaans al tevreden als ze quitte draaien. Maar ook veel ondernemende sportaanbieders werken met hele smalle winstmarges. Ze willen zich niet uit de markt prijzen.
Betalingsbereidheid en prijselasticiteitEr bestaat een sterke maar ingewikkelde samenhang tussen opleiding, inkomen en sportdeelname: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe meer wordt gesport; hoe hoger de opleiding, hoe hoger het inkomen. Daardoor zijn het paradoxaal genoeg juist de mensen met hogere inkomens die profiteren van de terughoudendheid onder sportaanbieders om hogere tarieven te rekenen. En van overheidssubsidies op sport.
Vanuit dit perspectief bezien is het niet zo vreemd dat er onder veel sporters, zowel in de traditionele als ondernemende sport, een behoorlijke bereidheid lijkt te bestaan om meer te betalen voor sport. Ongeveer twee derde van de verenigingsleden en bijna de helft van de fitnessers zou daar meer geld voor over hebben.
Bewust wordt hier voorzichtig gesteld dat die bereidheid lijkt te bestaan. Er zijn weinig harde onderzoeksgegevens over sport en betalingsbereidheid (wat heeft men er voor over?) of prijselasticiteit (hoe verandert de deelname en bij verandering kosten?), maar er zijn wel sterke aanwijzingen dat prijsverhogingen van lidmaatschappen en abonnementen weinig invloed hebben op sportdeelname.
Financiering door overheid, werkgevers en verzekeraars
De samenleving heeft profijt van sport en betaalt er aan mee. Met name de lokale overheid neemt een belangrijk deel van de kosten die gemoeid zijn met sportbeoefening voor haar rekening. De gemeenten zorgen voor sportaccommodaties waar vooral sporters in verenigingsverband of ongeorganiseerd (bezoek van zwembaden en ijsbanen) gebruik van maken. Ook zorgen zij, deels samen met provincies, ervoor dat de openbare ruimte (mede) kan worden gebruikt voor sport en recreatie.
De openbare ruimte is belangrijk voor sport en bewegen. Denk aan de sportbeoefening op en in het open water, het luchtruim, de bossen, parken, stranden, pleinen, wegen, fietspaden, mountainbikeroutes en ruiterpaden. Toch ga ik daar verder aan voorbij omdat er op zijn best sprake is van medegebruik door de sport. Functies in de sfeer van economie, verkeer, recreatie en natuur zijn in de openbare ruimte doorgaans belangrijker dan sportbeoefening, en daardoor ook meer bepalend voor de wijze waarop deze wordt benut en bekostigd.
Voor het gebruik van sportvelden, -hallen en -zalen, maar ook van zwembaden en ijsbanen worden doorgaans tarieven gerekend die allesbehalve kostendekkend zijn. Veel ondernemende sportaanbieders maken geen gebruik van gemeentelijke sportfaciliteiten. Waar zij dat wel doen, gelden voor hen meestal hogere tarieven. Deze omstandigheid en het gegeven dat sportondernemingen minder gebruik maken van vrijwilligerswerk, zorgen ervoor dat de sportbeoefening in dit deel van de sector over het algemeen duurder is dan in de traditioneel georganiseerde verenigingssport.
Desondanks groeit de deelname aan de sport georganiseerd door ondernemers al jaren gestaag en neemt de deelname aan de verenigingssport allengs af. Nog sterker groeit de ongeorganiseerde sportdeelname in de openbare ruimte. Een belangrijke verklaring voor deze ontwikkeling is de individuele vrijheid en flexibiliteit die sporters genieten bij gebruik van het commercieel georganiseerde sportaanbod of het ongeorganiseerd sporten (individueel of in informele verband) in de openbare ruimte.
Sommige werkgevers en verzekeraars stimuleren en faciliteren hun werknemers c.q. klanten om te sporten, maar per saldo dragen werkgevers en verzekeraars, relatief weinig bij in de kosten van sportbeoefening. Terwijl zij daar veel profijt van hebben (hogere arbeidsproductiviteit en lagere zorgkosten). Ze draaien wel op voor de nadelige gevolgen ervan en de kosten die daaruit voortvloeien zoals arbeidsverzuim en behandeling blessures. Hoewel zij een evident belang hebben bij een gezonde (beroeps)bevolking, ervaren zij het niet als hun verantwoordelijkheid om sportbeoefening financieel te ondersteunen. De positieve gezondheidseffecten treden vooral op langere termijn op, terwijl de kosten op korte termijn aantikken. Zorgverzekeraars verzekeren zorg, niet gezondheid. Sommige verzekeraars zetten ook wel in op preventie, maar dat is vooralsnog beperkt, zij willen niet teveel investeren in switchende klanten.
Hoewel het belang van preventie overal wel steeds meer begint door te dingen ligt net als bij de zorgverzekeraars ook bij de overheid het accent nog sterk op zorg en niet op preventie.
Welke prijs voor wie betaalbaar?
De kosten gemoeid met sportbeoefening lopen per individu en per activiteit sterk uiteen. En net als de kosten variëren ook de baten die voortvloeien uit de sportbeoefening sterk, zowel voor de sporters zelf als voor de samenleving. Een en ander maakt het feitelijk onmogelijk om algemene uitspraken te doen over de prijs en de betaalbaarheid van de sport. Want over welke prijs hebben we het dan precies? Wie plukt daarvan welke vruchten? En wat kan, tegen deze achtergrond bezien, voor wie betaalbaar worden geacht? Welk deel van de rekening zou moeten worden betaald door de sporter zelf, en wat zou voor rekening moeten komen van de overheid, het bedrijfsleven, het verzekeringswezen of andere sectoren?
Er komt binnenkort een ruim budget beschikbaar voor een meerjarig onderzoeksprogramma gericht op de prijs en betaalbaarheid van sport. Daarbij staan onderzoeksvragen centraal die betrekking hebben op:
Het budget zal niet worden versnipperd. Het is de bedoeling dat, onder aanvoering van een universiteit of hogeschool, een breed consortium wordt gevormd dat verschillende projecten uit dit onderzoeksprogramma in de komende jaren ter hand gaan nemen. De onderzoekers moeten samen met (vertegenwoordigers van) sportaanbieders, gemeenten en andere betrokken organisaties meer kennis en inzichten verzamelen over de bovengenoemde thema’s en deze vervolgens teruggeven aan het veld.
De subsidieoproep zal deze winter worden gepubliceerd op de website van ZonMw. Op de website van Mooi in Beweging is alle informatie over dit wicked problem te vinden. Daar kan het strategisch plan worden gedownload en ook een kennis- en innovatiescan die door het Mulier Instituut is opgesteld.
Jan Janssens is directeur-eigenaar van onderzoek- en adviesbureau Chionis. Eerder was hij o.a. directeur van het Mulier Instituut, lector Sport Management & Ondernemen bij de Hogeschool van Amsterdam, formateur van sport- en preventieakkoorden in acht gemeenten en kwartiermaker bij ZonMw.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.