11 mei 2010
Opinie
Ik heb een buurman. Omdat hij Kees heet noem ik hem maar Paul. Dan wordt hij niet herkend, blijft hij anoniem. Dat vindt hij vast prettig, want mijn buurman heeft een vreemde neiging. Hij gaat met regelmaat als vrouw gekleed over straat. Zie ik hem weer in een rokje met netkousen rondstappen, make-up rond de ogen, pruik op de kop, rode lippen en om het bovenlichaam een bustier, één of ander pakje van een strenge meesteres. Hij is dan zij en heet Paula. Net een wijf, doch onmiskenbaar een vent. Een als vrouw verklede man.
In dit geval moet ik denken aan het gezegde over die eend: als het kwaakt als een eend, zwemt als een eend en loopt als een eend, dan is het een eend. Geen kip.
Op Kees, die dus eigenlijk Paul heet, toegespitst betekent dit dat hij er nu wel als een vrouw uit kan zien, maar daar het loopt als een vent, praat als een vent en pist als een vent, welnu, is het een vent. Daarenboven rookt het als een ketter en vloekt het als een bootwerker. Een man dus! En niet anders. Zeker geen vrouw. Een wolf in schaapskleren blijft een wolf. Oppassen dus. De werkelijkheid gaat boven wat het probeert te zijn. Het wezen gaat voor de schijn.
Dit principe geldt ook in het verbintenissenrecht. Wat in werkelijkheid een huurcontract is, omdat het er alle elementen van bezit, dat is een huurcontract. Ook al geven partijen er een andere naam aan. Als een overeenkomst alle kenmerken van een arbeidsovereenkomst heeft, dan is het een arbeidsovereenkomst. Andersom geldt het ook. Het wezen gaat voor de schijn. De werkelijke aard gaat voor datgene wat men pretendeert te zijn. Wat heeft Kees, die dus Paul heet, nu met voetbalcontracten en arbeidsrecht te maken. De man zelf niets, het voorbeeld echter alles.
Het hierna vermelde gaat over het eenzijdig optieding dat vaak in voetbalcontracten wordt gebruikt. Een voetbalcontract dat ook een arbeidscontract is. Zoals ieder arbeidscontract is het een contract voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. Voetbalclubs zeggen contracten voor bepaalde tijd te sluiten met hun spelers. Is dat wel zo?
Als u het artikel leest, dan vraag ik u met Kees, Paul dus, rekening te houden. Bedenkt u daarbij dat het clubs in vele gevallen slechts om één ding te doen is: een speler zo kort mogelijk aan zich binden, doch zo lang mogelijk er de beschikking over houden. Zo kort als mogelijk is de verplichting van werkgever op zich nemen, doch zo lang als mogelijk is proberen de werknemer aan zich te binden. Zo kort mogelijk plichten aangaan, zo lang mogelijk rechten claimen. Korte vastigheid, lange verleng mogelijkheid. Denk aan het wezen, denk aan de schijn.
Vraag u aan het eind van mijn beschouwing af of er sprake is van een contract voor bepaalde tijd. Of houdt een club slechts de schijn op en is er in werkelijkheid sprake van een contract voor onbepaalde tijd?
Het eenzijdig optiebeding bepaalt de aard van een voetbalcontract!
In 1967 is bij vonnis van de Kantonrechter te Rotterdam bepaald dat een voetbalcontract een arbeidscontract is. Het ging toen echter niet om art. 7:610 BW, doch om het toenmalige art. 1637a BW.
De huidige standaard spelerscontracten bevatten alle elementen waaraan op grond van art. 7:610 BW dient te zijn voldaan. Zo is het verrichten van arbeid benoemd in art. 6 van het standaardreglement en zijn het loon in art. 4, de looptijd voor bepaalde tijd in art. 1 en de gezagsverhouding in art. 6 geregeld.
Conclusie van dit alles is, dat ieder voetbalcontract als een arbeidscontract kan worden gekwalificeerd daar het, door middel van invoeging van het standaard
contract, voldoet aan alle elementen welke art. 7:610 BW aan een arbeidsovereenkomst stelt.
In onderstaand artikel ga ik in op de betekenis van het zijn van een contract voor bepaalde tijd, dan wel voor onbepaalde tijd. Wat bepaalt het, wat is het verschil en bovenal wat is het belang ervan voor het voetbal, de voetballer en het voetbalcontract.
De arbeidsovereenkomst voor bepaalde/onbepaalde tijd
Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt in beginsel van rechtswege na tijdsverloop, zo bepaalt art. 7:667 lid 1 BW. Meestal wordt de periode exact aangegeven, doch de duur kan ook afhankelijk worden gesteld van het voltooien van een project 1) of van een zekere toekomstige gebeurtenis. Als de datum niet exact is aangegeven, dan moet deze objectief bepaalbaar zijn 2) en onafhankelijk zijn van de wil van één der partijen. 3)
De einddatum van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ligt niet vast. Opzegging is vereist om deze te beëindigen, zo bepaalt art. 7:667 lid 6 BW.
In het Nederlandse voetbal is een CAO van kracht. Deze CAO is algemeen verbindend verklaard en dus van toepassing op iedere arbeidsovereenkomst gesloten tussen een speler en een voetbalclub.
Art. 6 lid 1 van de huidige CAO 4) bepaalt dat ieder contract wordt aangegaan voor bepaalde tijd en altijd eindigt op 30 juni van enig jaar. De reden hiervoor is een logische. Werken met contracten voor onbepaalde tijd zou een chaotisch competitieverloop in de hand werken, daar een speler op ieder moment zijn contract zou kunnen opzeggen, rekening houdend met de wettelijke opzegtermijn geregeld in art. 7:672 BW.
Lopende een seizoen zou dus een groot deel van de spelers kunnen verdwijnen, met alle nadelige gevolgen voor de club, maar ook voor de competitie en daarmede voor de andere clubs.
Hoe nu moet art. 6 lid 1 van de CAO gelezen worden? Er zijn naar mijn mening twee interpretatiemogelijkheden om de bepaling te duiden. De eerste zegt dat het contract een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is, ongeacht de inhoud van het contract. Dat staat er los van. Wat er ook in het contract wordt bepaald maakt niet uit, het is voor bepaalde tijd gesloten.
De tweede interpretatiemogelijkheid verplicht de clubs tot het sluiten van contracten voor bepaalde tijd. De inhoud moet dus voldoen aan al hetgeen een contract juist een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd maakt. Het is een bepaling met een verplichtend karakter. Deze laatste is naar mijn mening de juiste.
In art. 7:668a BW wordt bepaald dat - in bepaalde omstandigheden - een keten arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten omgezet wordt in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Zo geldt een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, indien arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden en er een periode van 36 maanden, de tussenpozen inbegrepen, wordt overschreden.
Tevens geldt de vierde opeenvolgende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, indien er geen sprake is van tussenpozen langer dan drie maanden. Lid 5 van het artikel bepaalt echter, dat bij CAO ten nadele van de werknemer mag worden afgeweken van het gestelde in art. 7:668a BW. Van belang is dat de CAO in art. 6 lid 2 artikel 7:668a BW buitenspel zet.
Wat betekent dit alles nu, indien er een eenzijdige optieclausule in het contract is opgenomen? Dan rijst de vraag wanneer het contract eindigt. Na verloop van het basiscontract? Of licht de club de optie en loopt het contract af na verloop van dit verlengde contract? Of bevat het verlengde contract zelf mogelijkerwijs ook nog eens een optiebeding? Het is in die situatie niet mogelijk een einddatum te bepalen.
Ik concretiseer bovenstaande situatie: een voetballer sluit in augustus 2009 een contract met een looptijd van twee jaar. Dit contract bevat een eenzijdig optiebeding voor één jaar. Ook dit verlengde contract zal een optiebeding bevatten met wederom een looptijd van één jaar. Maakt de club gebruik van deze mogelijkheid, dan moet dit drie maanden voor afloop van het basiscontract aan de speler gemeld worden. Derhalve voor 31 maart 2011.
De vraag is nu of de speler in augustus 2009, dus bij het tekenen van het contract, kan zeggen wanneer hij wederom contractvrij zal zijn. Dat kan hij niet. In dit voorbeeld is er sprake van drie mogelijkheden. Naar mijn mening is er dan geen sprake van een objectief te bepalen einddatum.
Tevens is het moment van beëindiging van het contract volledig afhankelijk van de wens van de club. Enkel de club bepaalt of zij al dan niet met de speler door wil of niet. De redenen om te bepalen om wel of niet met de speler door te gaan is volledig aan de club.
Nu blijkt dat er geen sprake is van een objectief te bepalen einddatum - terwijl deze volledig afhankelijk is van de wil van één der partijen - is er naar mijn mening geen sprake van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, doch van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. 5)
Het bepaalde in art. 6 CAO ziet slechts op art. 7:668a BW, niet op art. 7:667 BW.
Gezien het bovenstaande is het zeer wel mogelijk dat een door een speler en een club gesloten arbeidsovereenkomst welk een eenzijdig optiebeding bevat, niet als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, doch als een arbeidsovereenkomst gesloten voor onbepaalde tijd wordt aangemerkt. Van meet af aan!
Naar mijn mening zijn clubs hun plicht tot het sluiten van contracten voor bepaalde tijd, indien daarin een eenzijdig optiebeding is opgenomen, niet nagekomen. Het gevolg is dat er van begin af aan een contract voor onbepaalde tijd is gesloten. Deze arbeidsovereenkomsten zijn door een speler - mits hij zich daarbij houdt aan de termijnen welke de wet hem stelt in art. 7: 672 BW - op te zeggen. De speler kan na opzegging naar een andere club verkassen, zonder de oude club enige aanspraak op een afkoopsom te laten. Het behoeft geen nader betoog dat dit voor de voetbalwereld een schok zal zijn.
Betreffende de duur en de kwalificatie van een gesloten arbeidsovereenkomst, nog het volgende. In een arbeidsovereenkomst - dus ook in een voetbalcontract - is de looptijd ofwel de duur een essentieel bestanddeel. Het is partijen verboden dergelijke bestanddelen eenzijdig te wijzigen. Wat betekent dit nu in relatie tot het eenzijdig optiebeding?
In Nederland is hierover nog geen rechtspraak ontwikkeld. In België werd een dergelijk beding echter buiten toepassing verklaard, daar het de mogelijkheid gaf aan één der partijen de overeenkomst eenzijdig te wijzigen op een wezenlijk bestanddeel van de overeenkomst, namelijk de duur. 6)
Het feit dat een club op grond van het eenzijdig optiebeding, in een voetbalcontract van bepaalde duur, het recht heeft verworven eenzijdig te kunnen beslissen of de samenwerking al dan niet verder wordt voortgezet, is moeilijk te verenigen met het verbod een overeenkomst eenzijdig te kunnen wijzigen.
Het wachten is slechts op die éne speler die het aandurft het gebruik van het optiebeding aan te vechten voor de rechter.
Noten:
1. HR 8 januari 1952, NJ 1952, 243 (Stenencampagne)
2. HR 19 februari 1988, NJ 1988, 468 (Muyres/Dekker)
3. H.L. Bakels, ‘Schets van het Nederlandse Arbeidsrecht’, Kluwer 18e druk, p. 55; zie ook HR 8 januari 1952, NJ 1952, 243 (Stenencampagne)
4. CAO voor Contractspelers Betaald Voetbal Nederland 2008-2011
5. Zie ook H.T van Staveren, Syllabus Recht en Sport, VU Amsterdam, 2003, p. 127 e.v
6. H. de Waele, ‘Optieclausule in het contract van betaalde sportbeoefenaar’, NJW 2004, p. 646-656; zie ook R. Planpain, ‘Vrijheid van arbeid en beroepsvoetbal’, RW 2004, p. 1384 e.v.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.