4 september 2012
Opinie
Onlangs gaf Henk Kraaijenhof hier een korte evaluatie van een lange sportzomer en zoomt daarbij onder andere in op de inzet van sportpsychologie bij de Olympische Spelen. Hij schrijft dat: ‘sommigen van u wellicht denken dat (...) sportpsychologie een soort van magie is’ en dat dat ‘ook een beetje waar is’. Als Henk Kraaijenhof gelijk heeft, en behalve hijzelf er meer mensen zijn die denken dat sportpsychologie een soort van magie is, dan neem ik graag de gelegenheid te baat om toe te lichten wat sportpsychologie is én wat sportpsychologen eigenlijk uitspoken op de Olympische Spelen.
Sportpsychologen zijn specialisten op het gebied van mentale aspecten van sport en prestatie. Sportpsychologische begeleiding kan vele doelen dienen. Vaak gaat het om het helpen van sporters bij hun psychologische voorbereiding op training en wedstrijden. Onder psychologische voorbereiding wordt verstaan: de cognitieve, emotionele en gedragsmatige strategieën die sporters en teams gebruiken om zich in een ideale prestatietoestand te brengen (Gould, Flett, & Bean, 2009). Simpeler gezegd: de sportpsycholoog helpt de sporter zijn gedachten, emoties en gedrag te reguleren zodat de sporter kan zorgen dat hij/zij klaar is om te presteren.
Daarbij maakt een sportpsycholoog (bij mijn weten) geen gebruik van magie, maar van interventies en methoden uit de psychologie en aanpalende wetenschappen. Uitgangspunten bij zowel de Vereniging van Sportpsychologie Nederland (VSPN) als de post-academische opleiding tot praktijksportpsycholoog zijn: de cliënt (sporter, coach, team) is leidend en staat centraal, de sportpsycholoog werkt vanuit de coulissen, werkt ethisch verantwoord, vanuit een gefundeerde visie. De sportpsycholoog werkt evidence based, met inachtneming van innovaties en de relatief jonge leeftijd van het vakgebied, wat aanleiding kan geven tot een wetenschappelijk gefundeerde, in plaats van een wetenschappelijk reeds bewezen, aanpak.
De begeleiding door een sportpsycholoog kan verschillende uitkomsten tot doel hebben. Anderson en collega’s (Anderson, Miles, Mahoney, & Robinson, 2002) vatten de mogelijke uitkomsten als volgt samen: een effectieve sportpsycholoog kan bijdragen aan het welzijn en de sportbeleving van de sporter, de psychologische vaardigheden van de sporter en - last but not least - de prestatie van de sporter. Op de Spelen lijken overigens al deze aspecten samen te vallen, zoals Sean McCann (sportpsycholoog van meerdere Amerikaanse olympische equipes) het zo treffend stelt: ‘At the Olympics, everything is a performance issue’ (McCann, 2000; 2008 ). Daarmee wordt bedoeld dat door de druk en complexiteit van de Spelen elk schakeltje dat verkeerd staat - of het nou het welzijn, de sportbeleving, de psychologische vaardigheden, de training, communicatie, of wat dan ook is - kan leiden tot cruciale prestatievermindering.
Sportpsychologie op de Spelen?
De sportpsychologische begeleiding is een proces en maakt idealiter onderdeel uit van een totale voorbereiding en ontwikkelingsplan van de sporter. Met andere woorden, je kunt niet op een groot evenement pas beginnen te werken aan psychologische voorbereiding. Het werk moet al vóór het ‘uur U’ gedaan zijn. De vraag of een sportpsycholoog dan wel op de Spelen aanwezig hoeft te zijn, is legitiem. Om die vraag te beantwoorden - en nog verder te laten zien wat een sportpsycholoog doet - beschrijf ik wat sportpsychologen op de Spelen eigenlijk doen. Een aantal sportpsychologen rapporteren over hun Olympische werkzaamheden in verschillende journals (o.a. special issue International journal of sport and exercise psychology: (Pensgaard, 2008; Samulski en Lopes, 2008; Vernachia en Henschen, 2008; Hodge 2010) . Ik licht er twee uit van ervaren rotten, te weten Daniel Birrer (Birrer, Wetzel, & Schmid, 2012) en Sean McCann (McCann, 2008).
Het dagboek van Birrer
Daniel Birrer (Birrer et al., 2012) analyseert zijn ervaringen als sportpsycholoog van de Zwitserse equipe tijdens de spelen van 2006, 2008 en 2010. Voor het Zwitserse olympisch comité was een aantal ‘kritieke incidenten’ tijdens voorafgaande Spelen aanleiding een sportpsycholoog op te nemen in het olympische begeleidingsteam. Tijdens drie eerdere Spelen was het functioneren van (delen van) het Olympisch team door onverwachte gebeurtenissen in gevaar gekomen (Noot 1). Het doel van het opnemen van de sportpsycholoog was voor de Zwitsers om ‘voorbereid te zijn op noodgevallen tijdens de Spelen’.
Uit de logboeken van Birrers werkzaamheden tijdens de drie Spelen, blijkt dat hij allerminst stil gezeten heeft en dat een substantieel deel van de olympische equipe gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de sportpsycholoog tijdens de Spelen in te schakelen. In Beijing consulteerde 25% van de equipe hem en in Vancouver 11% (Noot 2). Informele contactmomenten zijn hier in niet meegerekend, alleen professionele contactmomenten waarin de sportpsycholoog in functie werd geconsulteerd. Het totale aantal interventies dat Birrer pleegde betrof 40 in Turijn, 102 in Beijing en 70 in Vancouver. Zonder het nut van de aanwezigheid van medische staf bij de Spelen in twijfel te willen trekken, zou het interessant zijn om deze getallen te vergelijken met de contacten en interventies van medische specialisten die onderdeel uitmaken van de staf.
De vragen die deze getallen ook oproepen zijn uiteraard: wie zochten de sportpsycholoog op en waarom, en hebben die mensen er iets aan gehad? Uit het overzicht van Birrer blijkt dat met name sporters op individuele basis hem consulteerde, maar daarnaast ook een deel van de coaches. De aanleidingen om de sportpsycholoog in te schakelen blijken enorm divers te zijn (zo ook bij McCann, zie hieronder) en grofweg onder te verdelen in algemene prestatie-aspecten, issues die specifiek zijn voor de Olympische Spelen, organisatorische problemen en persoonlijke kwesties. Een aantal sporters schakelde hem in voor hulp bij hun voorbereiding direct voorafgaand aan hun prestatie, anderen zochten hulp om te dealen met fysieke uitputting of de bijzondere olympische setting, of klopten aan vanwege persoonlijke problemen zoals bijvoorbeeld ziekte of blessures.
Coaches schakelden de sportpsycholoog vooral in als zij moeite hadden met organisatorische problemen, zoals wrijving in het team of problemen met de veiligheid. Door de diversiteit en veelheid van contacten is het ondoenlijk een volledig overzicht te geven, het originele artikel doet dat wel (zie referentielijst).
De toename in contacten tijdens de Spelen en de langdurige inzet van de sportpsycholoog in de equipe lijken er op te wijzen dat de aanwezigheid van de sportpsycholoog werd gewaardeerd door de betrokkenen. Helaas ontbreekt een evaluatie van de effectiviteit van de begeleiding, dat is een grote omissie. Wel gaan Birrer en collega’s nader in op de vraag of een sportpsycholoog zijn werk niet voor de Spelen afgerond zou moeten hebben. Hij zegt daarover dat kritieke incidenten, persoonlijke crises en zelfs onvoorziene prestatie-slumps zich altijd voor kunnen doen op de Spelen. Als voorbeeld van een kritiek incident noemt hij de dood na een crash van een rodelaar tijdens de Spelen van Vancouver. Het is in dergelijke gevallen goed om een sportpsycholoog ter plaatse te hebben, idealiter om het werk wat voorafgaand aan de Spelen door sporter en sportpsycholoog gedaan is te effectueren.
De vele Spelen van McCann (McCann, 2008)
Sean McCann is sinds 1991 betrokken bij het Amerikaanse olympisch comité en maakte de laatste zeven Spelen deel uit van de Amerikaanse olympische staf. Ook hij is van mening dat idealiter het werk van de sportpsycholoog op de Spelen ‘gewoon’ een voortzetting is van het werk dat voorafgaand aan de Spelen gedaan is. Hij benadrukt dat de sportpsycholoog op de Spelen vooral bedreven moet zijn in de korte contactinterventies in soms ongebruikelijke contexten, of zoals hij ze noemt: de tien-minuten-in-de-bus-sessie, de-skilift-consultatie en het vertrouwelijke-gesprek-in-een-eetzaal (McCann 2000).
De lange lijst met issues die McCann voorbij heeft zien komen tijdens de Spelen laat zien hoeveel verschillende, mogelijke onvoorziene, voorvallen er passeren (McCann, 2008). Ik doe een greep uit zijn lijst:
• klinische issues zoals gedachten aan zelfmoord, depressies en manies, verslaving aan slaapmiddelen, obsessieve gedachten en slapeloosheid;
• moeilijkheden met externe factoren zoals relatieproblemen, financiële of juridische problemen en onzekerheid over dopingtesten. In deze categorie geeft McCann mee dat in elke Olympische ploeg waarmee hij op de spelen was er minstens één sterfgeval is geweest in de familie en vriendenkring van een sporter;
• conflicten met coaches, managers, partners en teamgenoten;
• afleiding door partners die ook meedoen, seksualiteit, media, goodies die je krijgt en sponsoren;
• prestatiedruk uit vele verschillende hoeken.
Je kunt je afvragen of je niet kunt anticiperen op (een aantal van) deze zaken, zonder dat de sportpsycholoog nodig is op het evenement. Uiteraard is het van belang vóór de Spelen na te gaan wat er allemaal kan gebeuren en een plan te hebben voor als iets daadwerkelijk gebeurt (zie ook o.a. Stambulova, Stambulov & Johnson, 2012; Blumenstein & Lidor, 2008). En sporters zijn ook geen tere wezentjes die van het minste of geringste van slag raken, integendeel.
Echter wanneer je weet dat er ongelofelijk veel dingen voor kunnen vallen op de Spelen, en dat al deze dingen een potentiële bedreiging vormen voor de prestatie, dan lijkt het een goed idee een specialist ter plaatse te hebben. Die specialist kan het gedrag, de emoties en gedachten van de sporter snel duiden, beschikt over concrete interventietechnieken, is opgeleid om een vertrouwelijke rol te vervullen en is een getraind gesprekspartner of luisterend oor.
Ook bij de voorbeelden van McCann doemt uiteraard de vraag op of de sportpsycholoog van nut is geweest. De Amerikaanse ploeg evalueert de sportpsychologische inzet sinds 2002 systematisch. Uit de evaluaties komt volgens McCann naar voren dat sporters en coaches de sportpsychologische begeleiding van grote (positieve) invloed ervaren op de prestaties. Ook komt uit de evaluatie consistent het verzoek naar voren om meer sportpsychologische begeleiding en aanwezigheid voorafgaand aan de Spelen.
McCann definieert zelf succes als sportpsycholoog op de spelen als: sporters en coaches helpen te voorkomen dat een probleem kritiek wordt (McCann, 2008). Dat is een pittige taak, waar zelfs een getrainde professional zijn handen vol aan kan hebben. En in mijn overtuiging dus zeker niet iets wat een goedwillend lid van de staf zonder achtergrond of training net zo goed zou kunnen volbrengen, hoewel dat in het verleden wellicht wel geprobeerd is (in de tijd van Fanny, Ard en Anton?).
Samenvattend en concluderend
Afgaande op de uitgewerkte beschrijvingen van ervaringsdeskundigen is er voor sportpsychologen nuttig werk aan de winkel tijdens de Spelen. Sportpsychologische training voorafgaand aan het evenement is onontbeerlijk, maar het lijkt goed een specialist ter plaatse te hebben voor de gevallen waarin dat, alle voorbereiding ten spijt, toch nodig is. Dat riekt misschien naar een ‘wij van WC-eend adviseren WC-eend’ conclusie. Mede daarom is evaluatie door alle stakeholders zo belangrijk.
De inzet van een sportpsycholoog zou ten aller tijde, dus ook bij de Spelen, gedegen geëvalueerd moeten worden. Die evaluatie moet leiden tot aanpassingen van de voorbereidende programma’s en antwoord geven op de vraag wat de toegevoegde waarde van de sportpsycholoog precies is geweest. De effectiviteit van het inzetten van sportpsychologie voorafgaand aan en op de Spelen staat en valt met de kwaliteit van de sportpsycholoog. Wanneer gekozen wordt voor excellente, ervaren professionals, met een brede opleidingsachtergrond, die werken op basis van de eerder genoemde uitgangspunten (cliënt-centraal, uit de coulissen, evidence based, ethisch verantwoord) kan sportpsychologie sportprestaties faciliteren. En daar is niks magisch aan...
Noten:
1. Helaas wordt uit de publicatie niet duidelijk welke voorvallen de ‘kritieke incidenten’ waren.
2. De Zwitserse equipe verbleef in Vancouver in twee verschillende Olympische dorpen, waardoor de beschikbaarheid van de sportpsycholoog voor een deel van de equipe beperkt was.
Referenties:
Anderson, A., Miles, A., Mahoney, C., & Robinson, P. (2002). Evaluating the effectiveness of applied sport psychology practice: Making the case for a case study approach. Sport Psychologist, 16(4), 432–453.
Birrer, D., Wetzel, J., & Schmid, J. (2012). Analysis of sport psychology consultancy at three Olympic Games: Facts and figures. Psychology of Sport & Exercise, 13 (5), 702-710.
Blumenstein, B., & Lidor, R. (2008). Psychological preparation in the Olympic village: A four-phase approach. International Journal of Sport and Exercise Psychology, 6(3), 287–300.
Gould, D., Flett, M. R., & Bean, E. (2009). Mental preparation for training and competition. In B. W. Brewer (Ed.), Handbook of Sports Medicine and Science (pp. 53-63). Hoboken, NJ: Wiley-Blackwell.
Hodge, K. (2010). Working at the Olympics. In S. J. Hanrahan, & M. B. Andersen (Eds.), Routledge handbook of applied sport psychology (pp. 405-413). London: Routledge.
McCann, S. (2000). Doing sport psychology at the really big show. In M. Andersen (Ed.), Doing sport psychology (pp. 209-222). Champaign, IL: Human Kinetics.
McCann, S. (2008). At the Olympics, everything is a performance issue. International Journal of Sport and Exercise Psychology, 6(3), 267–276.
Pensgaard, A. M. (2008). Consulting under pressure: How to help an athlete deal with unexpected distracters during Olympic Games 2006. International Journal of Sport and Exercise Psychology, 6(3), 301–307.
Samulski, D. M., & Lopes, M. C. (2008). Counseling Brazilian athletes during the Olympic Games in Athens 2004: Important issues and intervention techniques. International Journal of Sport and Exercise Psychology, 6(3), 277–286.
Stambulova, N., Stambulov, A., & Johnson, U. (2012). `Believe in Yourself, Channel Energy, and Play Your Trumps': Olympic preparation in complex coordination sports. Psychology of Sport & Exercise, 13(5), 679–686.
Vernacchia, R. A., & Henschen, K. P. (2008). The challenge of consulting with track and field athletes at the Olympic Games. International Journal of Sport and Exercise Psychology, 6(3), 254–266.
Vana Hutter werkt als docent/adviseur/onderzoeker bij EXPOSZ, faculteit der Bewegingswetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam. Zij is sportpsycholoog VSPN® en inspanningsfysioloog en kent de sportpraktijk van binnen uit, door haar werk in de top- en breedtesport. Zij is één van de oprichters van de post-academische opleiding tot praktijksportpsycholoog en bestuurslid van de Europese federatie voor sportpsychologie (FEPSAC).Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.