30 augustus 2016
Opinie
door: Guus Heijnen
Sportfilosoof Ivo van Hilvoorde schrijft in de Volkskrant van 6 augustus jl. een pittig opiniestuk over de Olympisch Spelen van Rio. Hij betoogt, kortgenomen, dat we naar een strijd tussen overheden zitten te kijken die hun ogen sluiten voor de ravage die de Olympische Spelen achterlaten. Sport gaat om het landsbelang, nationale trots en een mooi feest. Als reactie en aanvulling daarop zal ik proberen aan te geven dat we het politieke van de sport in (ten minste) twee opzichten kunnen begrijpen. In termen van macht of vrijheid.
Ten grondslag aan de discussie over sport en politiek ligt de spanning tussen enerzijds het tot middel of instrument maken van de sport en anderzijds de eigenheid van de sportpraktijk zelf. Met Tamboer en Steenbergen(2004) kunnen we stellen dat die dubbelzinnigheid intrinsiek verbonden is met de sport. Voor de deelnemers en toeschouwers maar vooral voor bestuurders en managers is het de kunst om de balans te bewaren. Om niet het hoofd te buigen naar de instrumentalisering maar de sportpraktijk ook niet als een eilandje te beschouwen.
Om met woorden van Alasdair MacIntyre en W.J. Morgan te spreken, er is een onderscheid mogelijk tussen de logica (taal en werkwijze) van de sport als praktijk en de sport als institutie. Voor bestuurders en managers in de sport behoort het politieke aspect tot de dagelijkse praktijk. Aan de ene kant is er de vertegenwoordigende functie, het politieke namens de sport. Aan de andere kant het politieke in de sport zelf. Met het politieke bedoel ik dus niet alleen ‘Den Haag’ maar de terugkerende discussie over macht en vrijheid met betrekking tot de sportpraktijk.
Politiek namens de sport
In de georganiseerde sport spelen verschillende belangen een rol. Zoals Van Hilvoorde schrijft is het van landsbelang geworden. Er zijn verschillende partijen die iets willen met of door de sport. In dat verband is er sprake van een doel-middelrationaliteit. Als die relatie met een extern doel dominant wordt - dat wil zeggen, dat de sport vooral ingezet wordt als middel om een ander doel te behalen - dan kunnen we spreken over instrumentalisme. ‘We hebben medailles nodig om trots te zijn op onze nationaliteit.’
Naast de instrumentele benadering is er ook nog zoiets als de eigenheid van de sportpraktijk. Een waardesysteem dat niet kan worden gereduceerd tot een functie van de overheid. Wanneer de eigenheid in dit politieke krachtenveld niet goed vertegenwoordigd wordt, kunnen bepaalde waarden worden overstemd. Dit zijn krachten waar de sportbestuurder de sportpraktijk voor wil beschermen in het belang van de deelnemers aan de sportpraktijk. Die eigenheid zit voor een groot gedeelte juist in de relatieve onafhankelijkheid van de interne logica van de sportpraktijk ten opzichte van de logica van instituties. Een praktijk ziet de filosoof MacIntyre als:
'Any coherent and complex socially established co-operative human activity through which goods internal to that form of activity are realised in the course of trying to achieve those standards of excellence which are appropriate to, and partially definitive of, that form of activity, with the result that human powers te achieve excellence and human conceptions of the ends and goods involved are systematically extended' i
Tamboer en van Steenbergen (2004) geven daarbij aan dat het centrale element de gerichtheid op de interne goederen is. Die interne goederen vormen in het geval van de sociale praktijk ‘sport’ de eigenheid van de sport.ii
In 1994 neemt sportfilosoof Morgan de theorie van MacIntyre over en waarschuwt de lezer voor de ontwikkeling dat de sport wordt benaderd vanuit de logica van instituties. Aangezien instituties ten opzichte van een praktijk uitgaan van een doel-middelrationaliteit lopen de interne goederen volgens Morgan gevaar. De twee logica’s leven op gespannen voet met elkaar.
Het is in het gezamenlijke belang van de sportpraktijk en alles wat daaromheen een belang heeft in de sport, dat de balans bewaard blijft. Het blijft een steeds terugkerende vraag voor de sportorganisatie of de interne goederen van de sport niet in te grote mate worden aangetast. Wat bij externe verhoudingen meestal het geval is, is dat sport als middel inzetbaar is of zou moeten zijn. Het gaat om het bereiken van effecten door sportbeoefening die niet zonder meer bijdragen aan de intrinsieke waarden van de sport.
Sterker nog, het is juist vanwege die intrinsieke waarden dat het politieke gewicht toeneemt en een beoogd effect kan worden gesorteerd in een ander maatschappelijk domein met commerciële, pedagogische of gezondheidsdoelen. Overigens is de georganiseerde sport vanaf de invoering hand in hand gegaan met pedagogische (en militaire) doelen. En ook de oprichting van het IOC door De Coubertín had verwachtingen van de sport die verder reikten dan de lijnen van het sportveld. Er zit dus een fundamentele verwevenheid in de geschiedenis van de sport met andere domeinen van de samenleving.
Politiek in de sport
Dan nu een ander perspectief namelijk dat van het politieke ín de sport. Om dit standpunt te verhelderen introduceer ik hier de gedachten van Hannah Arendt. Zij betoogt in Was ist Politiekiii dat het politieke in een democratie niet om macht draait maar juist om vrijheid:
'...(dat) niet de heerschappij, maar vrijheid het oorspronkelijke fenomeen van het politieke is, vrijheid als een vermogen om te handelen.' iv. “De vrijheid staat in verband met het kunnen beginnen.”, “Vrijheid is iets nieuws beginnen, initiatief nemen.'V
Deze vrijheid richt zich niet op het vrij kunnen kiezen, maar op het vrije handelen. 'Zo lang mensen in staat zijn om te handelen, kunnen ze het onwaarschijnlijke en onberekenbare voortbrengen' vi.
Ik volg de gedachte van Arendt omdat ik denk dat het in de sport als praktijk ook om vrijheid te doen is: de vrijheid van het spelen en het vormen van een tijdelijke microkosmos door regels, tradities etc. Uiteraard is dit geen vrijheid zonder meer.
Ten grondslag aan deze mogelijkheid tot vrijheid ligt het gegeven van menselijke pluraliteit, dat wil zeggen, dat alle mensen verschillend zijn en dus een ‘eigen positie’ hebben. De totstandkoming van het vrije handelen is gelegen in het blijven mogelijk maken van het verwerven en cultiveren van ieders eigen positie. Dat is per definitie een samen-met-anderen, een intersubjectief gebeuren.
Het is ook deze vrijheid die in de sport op een eigen manier mogelijk wordt en die naar buiten toe een zekere autonomie moet blijven genieten wil ze blijven bestaan. Deze opvatting vormt een vruchtbaar beginpunt om vanuit te beschouwen waar vrijheden die de sport mogelijk maakt, worden bedreigd. Bijvoorbeeld door belangen van andere institutionele logica’s (Den Haag, Brussel, het bedrijfsleven, onderwijs).
Het belang van sport als een bewegingshandeling en als sociale praktijk (physical game) kunnen we in deze politieke zin dus breed opvatten als een plek waar mensen - in vrijheid - spelenderwijs hun eigen, intersubjectieve, positie creëren. Het is een manifestatie van vrijheid gebaseerd op de fundamentele pluraliteit in menselijke bestaanswijzen. Ter illustratie kunnen we ook de campagne ‘Veilig Sport Klimaat’ opvatten als een poging een dusdanig gevoel van veiligheid te creëren dat mensen ook vrij kúnnen handelen (al lees ik in de rapportages weinig diepere beschouwing).
Krachtenveld
Als het maatschappelijke belang van sport toeneemt ontstaat er ook een grotere druk op het politieke aspect van de sport. Verschillende partijen proberen het belang van hun positie te benadrukken, te behouden of te vergroten. Elke sportorganisatie moet zich in dat krachtenveld enerzijds staande zien te houden en anderzijds ook het vrije handelen mogelijk blijven maken in de gedachte van Arendt. Hoe kunnen die twee politieke perspectieven - die van de belangenstrijd en die van de morele vrijplaats - tot hun recht blijven komen?
In het vraagstuk van het politieke en de sport gaat het enerzijds om een zorgtaak (beschermheer) van de sportpraktijk tegen externe krachten die een te grote macht willen uitoefenen ten behoeve van een ander doel. Anderzijds ook om een interne dialoog mogelijk te blijven maken in politieke vrijheid over wat sport voor hem of haar betekent in het dóen. Een constructieve politiek als het samen inrichten van de ruimte.vii Alle deelnemers (in brede zin) hebben daarin de verantwoordelijkheid het openhouden van het letterlijke en figuurlijke speelveld zodat mensen een vreedzame strijd met elkaar of met zichzelf kunnen voeren.
Van Hilvoorde maakt in mijn ogen een zeer legitiem punt over de positie van de overheden en dat daarover een hardgrondige discussie nodig is. Daarbij denk ik dat we, om die discussie goed te voeren, meer geholpen zijn met een politieke opvatting die draait om vrijheid dan om macht.
Noten:
i. MacIntyre, A.C., After virtue: A Study in Moral Theory. 1985. P. 187.
ii. Tamboer, Jan en Johan Steenbergen, Sportfilosofie. 2004. P. 88.
iii. Arendt, Hannah. Was ist Politiek. Aus dem Nachlass herausgegeben von U. Ludz, München, Piper, 1993.
iv. Bossche, M. van den, Kritiek van de Technische Rede. Een onderzoek naar de invloed van de techniek op ons denken. Uitgeverij. Jan van Arkel. 1995. p. 178.
v. Ibid. p. 182
vi. Ibid. p. 182
vii. Ik zal in een latere bijdrage wellicht nog ingaan op het idee van sport als een open midden tussen mensen en instituten als een speelruimte voor een vreedzame strijd. Door de geaccepteerde spelregels (lusory attitude) ontstaan mogelijkheden om de ander of zichzelf te verslaan. Deze tijdelijk microkosmos is geen vrijheid zonder meer maar geeft voor even een speels alternatief. Een ontsnapping. Zodra we daarna weer in de ‘normale’ verhoudingswijze terugvallen kan er ook een verfrissend effect optreden ten opzichte van de normale wereldverhoudingen. Dit is een effect dat zich tot op zekere mate onttrekt aan de voorstelling en de maakbaarheid. Het moet worden ondergaan wil de betekenis ontstaan.
Guus Heijnen (1984) is als buiten-promovendus verbonden aan de Vrije Universiteit Brussel. Hij groeide op in Drenthe maar verhuisde in 2003 naar Amsterdam en studeerde daar Sportmarketing (BA) en Wijsbegeerte (MA). Tot vorig jaar was hij op het actief als marathon in-line skater (hoogste divisie landelijk) en schaatser (C/Regionaal). Nu is hij in zijn vrije tijd nog voorzitter van de (semi-) professionele marathonschaatsploeg Team Haven Amsterdam/SKITS en doet hij aan hardlopen, schaatsen, wielrennen en in-line skaten. In zijn filosofische onderzoek richt hij zich op de vraag naar de betekenis van sport in een belevenismaatschappij en is hij als adviseur/expert betrokken bij verschillende organisaties zoals NOC*NSF en Coöperatie NKS.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.