14 februari 2012
Opinie
door: Paul Verweel
Jan Raateland wees vorige week in zijn column - op een voor mij overtuigende wijze - op een in het debat over de toekomst van de organisatieprincipes in de sport en van sportverenigingen nog onderontwikkelde schakel. Dat is de eigen stem van verenigingen in het tot stand komen en uitvoeren van beleid ten aanzien van de sport en sportverenigingen. Ik voeg daar graag nog een aantal gedachten en ervaringen aan toe.
Jan Raateland wijst er nog eens op dat in de georganiseerde sport wekelijks meer dan één miljoen vrijwilligers zich inzetten voor die sport en dan vooral voor de directe uitvoering van het sporten. Mijn analyse is altijd geweest dat dit komt omdat mensen - tegen alle cultuurpessimisme van wetenschappers en beleidsmakers in - er in de onderlinge relatie nog altijd veel voor over hebben om wat voor een ander en tegelijk voor zichzelf te doen. Sport geeft zelfvertrouwen, sport geeft trots en binding en sport brengt je dichter bij de beleving van zelfs je eigen kinderen en het is leuk dat voor anderen te doen.
Zelfs of juist ervaren managers met de nodige organisatiehardheid vinden het heerlijk in de sportsfeer te vertoeven. Naast de betrokkenheid bij de directe uitvoering van het spel vraagt dat in een vereniging ook aandacht voor eigen en overheidsbeleid. Aandacht voor de belangenbehartiging van de club naar gemeente, bond en andere partijen. Veel clubs hebben dat in de dagen dat ze vooral erkenning hadden vanwege het sporten op eigen basis gedaan. Ze hebben hun eigen contacten onderhouden. Maar sinds de vergroting van de overheidsbemoeienis op nationaal en lokaal niveau met de sport vanwege andere beleidsdoelen als gezondheid, integratie en leefbaarheid en gecombineerd met tal van lokale acties tot herstructuring van sportvelden om reden van bezuinigingen, betaalbaarheid en ruimtelijke ordening, is er behoefte aan een bredere vorm van belangen behartiging.
Zo vindt de door Jan Raateland genoemde VSU (Vereniging Sport Utrecht) haar oorsprong in de plannen voor exorbitante verhoging van de veldhuur voor alle type sporten en heeft zij bijvoorbeeld een belangrijke rol gespeeld om voor verenigingen die hun veld verloren in het oude deel van Utrecht de financiële en ruimtelijke voorwaarden te bevechten om prachtige accommodaties terug te krijgen in Leidsche Rijn. En bij de verdeling van de gelden van de combifunctionarissen was het belangrijk niet alleen uit scholen en hun behoefte aan uitvoerders bij clubs te denken, maar juist ook aan het versterken van de band met de school vanuit de clubs en vanuit de club nieuwe arrangementen aan te bieden.
Om die rol te kunnen spelen is meer nodig dan alleen liefde voor het spelletje zelf. Het is nodig om bij het door overheden, koepelorganisaties en zelfs bonden opgeroepen verlangen tot tal van acties die vooral verenigingen moeten uitvoeren ook de stem van verenigingen en kennis over uitvoeringspraktijk in te brengen. Ik ben het volledig met Jan eens dat het daar teveel aan ontbreekt. En ook ben ik geheel met hem eens dat het gat gevuld lijkt te worden door op het oog onafhankelijke organisaties. Maar omdat deze organisaties vrijwel geheel afhankelijk zijn van projectgelden van de overheid, ze toch vooral als uitvoerders van overheidsbeleid herkenbaar zijn en logischerwijze niet als belangbehartiger van sportverenigingen.
Ik zie ook tegenbewegingen. In verschillende steden organiseren - meestal als vereniging of netwerk - clubs zich (bijvoorbeeld in Alkmaar, Veenendaal, Nijmegen). Ik zie bijvoorbeeld dat als onderdeel van de VSU in Utrecht clubs op eigen wijze direct in gesprek gaan met hun bond en de gemeente over wenselijkheid en (on)mogelijkheden van overheids/bondsbeleid en over hun eigen wensen. Dat ze een eigen geluid ontwikkelen en al dan niet met steun van de onafhankelijke organisaties als belangenbehartiger, die ook graag iets zeggen voordat ze ‘de nieuwe vereniging’ heten.
Heel positief vind ik dat veel gemeenten zelf proberen deze ontwikkeling te stimuleren omdat ze zien dat clubs, door helder te maken wat hun wensen en (on)mogelijkheden zijn, zich juist meer oriënteren op een passende toekomst of aan beleidsmakers helder kunnen maken dat al die overheids- en olympische verlangens van NOC*NSF, die voor hen bedacht zijn, wellicht beter op andere wijze beter geholpen kunnen worden.
Die vereniging van verenigingen is nodig als we in het artikel van Raateland zien wat weer allemaal bedacht is aan beleid. Ik gruw van een begrip als ‘nieuwe vereniging’. Doet mij aan ‘het nieuwe (bijeen gekochte) Feyenoord’ denken. Dat is ook pas gaan werken toen het woord niet meer uitgesproken werd en men terug moest vallen op oude waarden als ‘eigen jeugd’. Maar dat terzijde. Laten we niet vergeten dat het nieuwe alleen maar werkt als we de oude kernwaarden van de sport overeind houden.
Dat geldt niet alleen voor sport maar ook voor profit- en non-profitorganisaties. Voor liefhebbers verwijs ik graag naar het boek van Hans van der Loo: ‘Kus de visie wakker’. Ik steiger ondanks alle sympathie voor de olympische ambities omdat dat geen ambities zijn van clubs of minimaal met hen doorgesproken en op realiteitszin gewogen maar de uitkomst van ambities van bestuurders. Ik zeg niet dat ik ze verkeerd vind maar wijs er wel op dat ze alle kenmerken van top down planning vertonen waar we uit ervaring en theorie toch weten dat beleid minimaal interactief moet zijn. En met interactief bedoel ik niet een gesprek tussen de bestuurlijke machten in dit land maar ook met de mensen die in de sport nu eenmaal de producenten (om de liefhebbers van het ‘klant denken’ te bedienen) of de pro-sumers (de consument, die zelf producent zoals dat in de dienstverlenende theorie heet) zijn.
Ik heb geen bezwaar tegen bestuurlijke ambities en de sport(club) mag het zich aantrekken als ze de door Raateland bepleitte noodzaak van het zichzelf organiseren op lokaal niveau niet weet waar te maken. Maar als je het nu op lokaal en nationaal niveau bepleitte eigenaarschap/burgerschap van mensen serieus neemt (het nieuwe welzijn en vraag- in plaats van aanbodgestuurde activiteiten in de wijk), zal je al die bewegingen die op landelijk politiek en sport bestuurlijk niveau (bonden en NOC*NSF) plaatsvinden moeten voorzien van een directe stem van de vereniging van lokale sportclubs. En zolang de sportclubs daar eigenaar van zijn, kan dat professioneel georganiseerd worden. Al is het - wat mij betreft - aan de clubs om daar beleid op te maken.
Prof. dr Paul Verweel is hoogleraar op de ‘Krajicek-leerstoel’ voor Bestuurs- & Organisatiewetenschap aan de Universiteit Utrecht. Sinds 2003 was hij al hoogleraar aan die Universiteit. Daarnaast is hij o.m. voorzitter van het W.J.H. Mulier Instituut, en vicevoorzitter van het dagelijks bestuur amateurvoetbal bij de KNVB.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.