9 november 2010
Opinie
Vanwege mijn promotieonderzoek naar de effecten van epo in de wielersport lees ik veel over doping en aanverwante onderwerpen. Ook de discussies op Sport Knowhow XL trokken mijn aandacht. Ten eerste omdat ze gevoerd worden vanuit verschillende wetenschapsdomeinen. Ten tweede omdat de auteurs op hun gebied veelal deskundig zijn. Dit sluit aan bij mijn visie dat het dopingprobleem - als dat er al is - multidisciplinair opgelost moet worden.
Hieronder beschrijf ik kort mijn indrukken over de discussies, aangevuld met persoonlijke overwegingen. Ik sluit af met - volgens mij - de kernvraag in het dopingprobleem: ‘in welke mate bevordert doping prestaties?’. Deze vraag komt in de discussies op Sport Knowhow XL - maar ook in de bredere dopingdiscussie - niet of nauwelijks ter sprake. Iedereen lijkt overtuigd van het prestatiebevorderend effect van doping. Nadere discussie wordt dan niet noodzakelijk geacht. In latere columns wil ik de lezers informeren over de voortgang van en de (voorlopige) conclusies uit mijn onderzoek, en ik werk diverse items dan verder uit.
Ik heb bewondering gekregen voor de wijze waarop Herman Ram - directeur van de Dopingautoriteit - de kritiek op zijn instituut steeds pareert. Of die kritiek nu fysiologisch, psychologisch, methodologisch, testtheoretisch, juridisch, arbeidsrechtelijk of mensenrechtelijk van aard was, steeds wist Ram foute argumentaties te weerleggen en te vervangen door de juiste (die van de Dopingautoriteit, ingebed in het wereldomvattende WADA-beleid). Deskundigen lijken hun deskundigheid te verliezen zodra het over doping gaat. Het kostte Ram dan ook veel werk om al die foute opvattingen te corrigeren.
Of is er bij de Dopingautoriteit sprake van tunnelvisie: het volharden in de eigen opvatting, ondanks weerlegging daarvan. Alternatieven worden terzijde geschoven, ontkent of met onjuiste argumenten ontkracht. Ram gebruikte cirkelredeneringen: bewezen achten wat nog bewezen moet worden. Tunnelvisie is een veel voorkomend verschijnsel. Gerechtelijke dwalingen (Schiedammer parkmoord, Lucia de Berk, Ina Post, enzovoorts) en problemen bij grote infrastructurele werken (Betuwe lijn, Noord-Zuid lijn) worden onder andere toegeschreven aan tunnelvisie. Een belangrijke - zo niet de belangrijkste - cirkelredenering in het antidopingbeleid is de World Anti-Doping Code zelf. Dit WADA-reglement definieert doping als overtreding van zichzelf. Objectievering van de dopingdefinitie - hoe moeilijk ook - is hiermee losgelaten. Dit geeft het dopingestablishment de ruimte om het dopingbegrip op te rekken tot alles wat hen goeddunkt. En dat is wat we in de praktijk zien, zoals de clenbuterolwaarde bij Tourwinnaar Contador van 0,000000000005 gram. Onvoorstelbaar weinig.
Opvallend was de toenemende heftigheid in het debat. Dat bereikte een climax toen een dertien jarig schaatsstertje onder het meest strikte controleregiem van de dopingautoriteit werd geplaatst. Een adequate reactie van de medisch-ethische commissie van sportartsen temperde die heftigheid. Zij wezen terecht op het effect van de gebruikte terminologie op een dertienjarige. In deze fase van de discussie voelde Herman Ram zich persoonlijk aangevallen, vooral door een column van Klaas Faber. Ik ben het met Ram eens dat de discussie over inhoud moet gaan. Soms is echter het gedrag van een discussiant deel van die inhoud. Dan moet de discussie zich beperken tot dat gedrag en mag niet over de persoon gaan. Vanuit deze visie is de uitspraak ‘Jan is dom’ (persoon) niet, maar ‘Jan gebruikt verkeerde argumenten’ (gedrag) wel toegestaan. Naar mijn oordeel gaat Fabers kritiek over gedrag. Hij betoogt dat Ram cirkelredeneringen gebruikt om gelijk te krijgen. Faber gebruikt een scherpe, bijna sarcastische, pen. Dat is misschien niet altijd effectief, maar kan verwacht worden als kritiek van deskundigen voortdurend als ondeskundig wordt weggezet.
Mijn persoonlijke ervaring is dat Ram zelf niet schroomt om op de persoon spelen. Mijn promotieonderzoek bevindt zich op de grens van meerdere disciplines, waaronder (inspannings)fysiologie. Tijdens een lezing betwiste Ram mijn fysiologische kennis, ondanks dat ik mijn competenties hierin duidelijk had aangegeven: meer dan dertig jaar schaats- en wielrentrainer en scholing tot universitair niveau. Toch was ik volgens Ram ‘psycholoog’ en had dus geen verstand van fysiologie. Zonder inhoudelijke argumentatie werden mijn voorbeelden publiekelijk als onzin bestempeld. Ofwel: ik was dom. Bij dezelfde lezing besprak ik de signaaldetectietheorie. Ram vroeg: ‘waar ik dat vandaan had?’. Ondanks dat Ram’s instituut via tests mensen veroordeelt, ontbrak daar de kennis van dit elementaire testtheoretisch begrip. Dat hoeft binnen een directiefunctie geen probleem te zijn, maar dat verandert als de directeur persoonlijk de argumenten van deskundigen pareert.
Uit de discussie blijkt dat sporters bij hun verdediging slechts procedures mogen aanvechten. Het probleem zit echter vaak in de inhoud van die procedures: foute statistiek, testfouten, onduidelijke validiteit/betrouwbaarheid, foute interpretaties, enzovoort. Dat zijn ook procedures. Kortom procedures bestrijden met procedures. Veelal onderschijf ik echter de kritiek. Als psycholoog echter mis ik de mens in de discussie. Wat ervaart een sporter als hij/zij voor - objectief gezien - een overtreding van een spelregel wereldwijd aan de schandpaal wordt genageld? Bijvoorbeeld in vergelijking met een voetballer die tegenstanders invalide schopt. Wat gebeurt er met sporters, als die beschuldiging onterecht of tenminste twijfelachtig is? Zoals bij Yuri van Gelder, die buiten-competitie cocaïne gebruikte, dat hij buiten-competitie mocht gebruiken. Toch werd hij geschorst en weggezet als junk. Tenminste zo beleefde Yuri het, als hij zegt: ‘Ik wil niet neergezet worden als junk’. Was Yuri een junk? Hij gebruikte volgens eigen zeggen eens per week/veertien dagen en soms twee keer per week. Cocaïnegebruik is af te raden, maar Nederland krijgt een probleem als iedereen met een dergelijke ‘recreatieve’ gebruiksfrequentie uit zijn werk wordt gezet. En kan een junk op wereldniveau presteren?
Van Gelders uitsluiting voor het Wereldkampioenschap in Rotterdam was zo mogelijk nog twijfelachtiger. Yuri werd sinds zijn rentree regelmatig door de KNGU getest en we mogen aannemen tenminste op cocaïne. Alle tests waren negatief, tot op de dag van zijn uitsluiting. Toch zagen KNGU-officials dat het weer mis was met de sporter en gingen met hem in gesprek. Daarbij zou Yuri hernieuwd cocaïnegebruik bekend hebben. Derksen - schrijver van het boek dat Lucia de Berk vrijpleitte - noemt dat ‘geloof in het magisch oog’: denken aan iemands gedrag te kunnen zien dat hij/zij schuldig is. Alle antwoorden van de ‘verdachte’ worden dan in dat licht geïnterpreteerd (mindset), terwijl sterker bewijs - de negatieve tests - wordt genegeerd (tunnelvisie). Groningse rechercheurs rapporteerden een bekentenis, die volgens later bestudeerde video-opnames een ontkenning was. In het geval Yuri werd de mindset bij de KNGU mogelijk nog versterkt door de angst, dat een nieuwe kwestie van Gelder het door hen georganiseerde WK volledig zou overschaduwen. Voor de KNGU een absoluut rampscenario.
Angst geeft aandachtsvernauwing en verhoogt daarmee de kans op tunnelvisie sterk. Ook ‘haast’ verhoogt het risico op tunnelvisie sterk en het WK kwam snel dichterbij. Volgens Yuri heeft hij gezegd dat hij door de spanning van het WK bang was weer te gaan gebruiken. Dat is geen bekentenis, maar een hulpvraag. De uitspraken echter ‘Ik ben bang weer te gebruiken’ en ‘ik heb weer gebruikt’, liggen zo dicht bij elkaar dat een misinterpretatie snel is ontstaan. Zeker als de verhoorders door een mindset bevooroordeeld zijn en de verhoorde door spanning/schaamte zich mogelijk minder duidelijk uitdrukt. De invloed van Yuri’s advocaat op zijn verklaring is onbekend. Vooralsnog wordt de opvatting van Yuri door de negatieve tests gestaafd, terwijl de KNGU-opvatting (nog) niet onderbouwd wordt. NOC*NSF heeft Yuri nu een mentaal begeleider toegewezen. Als het kalf verdronken is, … Mijn zorgen over de mens Yuri van Gelder zijn niet weggenomen.
De van dopinggebruik verdachte Duitse schaatsster Claudia Pechstein werd bij een wereldbekerwedstrijd in Berlijn openlijk genegeerd door de schaatswereld, waarvan ze meer dan twintig jaar een prominent lid was. Men wilde niets met deze ‘fraudeur’ te maken hebben. Buiten een groep gestoten worden (sociale uitsluiting) is een van ergste dingen die mensen kan overkomen. Slachtoffers van sociale uitsluiting hebben een verlaagde zelfwaardering, minder controle over hun leven en kunnen de fundamentele menselijke behoefte om ergens bij te horen niet meer vervullen. Dit kan tot depressie en verzwakking van het immuunsysteem leiden. In mijn proefschriftplan (februari 2010) uitte ik mijn zorgen hierover. Helaas, ze zijn bevestigd. In haar op 6 november 2010 uitgebrachte biografie onthult Pechstein dat ze samen met haar man heeft overwogen zelfmoord te plegen. Wielrenner Michael Rasmussen maakte na zijn ontslag bij de Rabobankploeg – in de bijna door hem gewonnen Tour de France van 2007 – dezelfde overweging.
En wat is de impact van de whereabouts en de out-of-competition-controles op het psychisch welzijn van sporters. Recent onderzoek van (onder andere) de Dopingautoriteit toonde dat een niet nader omschreven (waarom niet?) aantal sporters zich onvrij voelt iets te ondernemen, uit angst de controleur te missen. Een dergelijke aanhoudende angst kan generaliseren tot een angststoornis of leiden tot wat in de psychologie ‘aangeleerde hulpeloosheid’ wordt genoemd: geleerd hebben gebeurtenissen niet te kunnen beïnvloeden. Hierdoor kan men zichzelf niet meer helpen, ook als dat wel zou kunnen.
Dat kan tot mentale stoornissen, klinische depressie en levenslange problemen leiden. Het onderzoek toont ook dat 47% van de sporters die onder de whereabouts-regeling vallen, de dopingregels als een te grote inbreuk op hun privacy ervaren. Bij sporters die niet onder die regeling vallen is dat 19%. De impact van de whereabouts op het privéleven wordt blijkbaar sterk onderschat. In een tv-interview doet Herman Ram dat af als een onvermijdelijk gevolg van topsport. Dat is onjuist, het is het gevolg van het gevoerde anti-dopingbeleid. En dat geldt ook voor de plannen om tijdens de Tour de France ’s nachts dopingcontroles uit te gaan voeren. Een cirkelredenering: nachtelijke controle > verstoorde nachtrust renner (en slapie) > toenemende vermoeidheid > afnemende prestatie > compensatie door doping > twee keer per nacht controle. Ook leidt toenemende vermoeidheid tot concentratieverlies en daarmee op een verhoogd valrisico. (Nacht)rust is belangrijk in de Tour. Joop Zoetemelk zei het al: ‘De Tour win je in bed’.
Samengevat: het huidige anti-dopingbeleid tot kan ernstige consequenties voor het fysiek en psychisch functioneren van sporters leiden. De proportionaliteit tussen de overtreding en het opsporings- en sanctiebeleid lijkt ernstig verstoord. Het middel is dan ernstiger dan de kwaal. Mijn zorg is dat binnenkort een sporter zo daadwerkelijk voor een onomkeerbare oplossing kiest, als daar al geen voorbeelden van zijn.
Tot slot een volgens mij elementaire omissie in het dopingdiscours. In hoeverre bevordert doping sportprestaties? Mijn onderzoek richt zich op het prestatiebevorderend effect van epo bij wielrennen en waarom men daarin gelooft. Zowel populaire als wetenschappelijke publicaties zeggen dat dit effect overduidelijk is aangetoond. Verbruggen - voormalig voorzitter van de UCI - zegt dat wielrenners door epo meer dan twintig procent beter presteren, zonder dit echter te specificeren. Het Radio 1 Sportforum van 25 september 2010 bespreekt de terugkeer van Ricardo Riccó in het wielerpeloton. Kort na een met overmacht gewonnen bergetappe in de Tour de France van 2008, werd Riccó met veel machtsvertoon gearresteerd. Hij had epo gebruik. Het vaste forumlid - Ton Boot - zei: ‘als je epo neemt, win je’. Dat is een denkfout. Gezien de vele bekentenissen, werd epo enkele jaren geleden in het peloton veel gebruikt. Ook Boot beweerde eerder dat alle renners gebruiken. Toch had iedere wedstrijd slechts één winnaar. Maar zelfs als Riccó in 2008 als enige epo gebruikte, is dat geen bewijs voor Boot’s stelling. Won Riccó dankzij of ondanks epo? Wij vragen sporters ons te vermaken met topprestaties, om vervolgens die prestatie te gebruiken als bewijs voor bedrog. Opnieuw een cirkelredenering.
Er zijn slechts twee dubbelblind placebogestuurde onderzoeken over prestatiebevordering door epo gedaan. Beiden kennen een reeks methodologische bezwaren, die zowel de interne als de externe validiteit aantasten. Interne validiteit is de mate waarin de prestatieverbetering aan epo kan worden toegeschreven. Externe validiteit zegt in hoeverre de onderzoeksresultaten ook buiten het onderzoek geldig zijn, bijvoorbeeld bij beroepswielrenners. Maar zelfs als we de methodologische bezwaren negeren, leidt prestatieverbetering door epo - voor zover die uit deze onderzoeken blijkt - hooguit tot een marginale verbetering van de fietssnelheid van beroepswielrenners. Aerodynamische aanpassingen (romphouding etc.) geven al snel betere resultaten. Volgens andere onderzoekers is er geen relatie tussen het natuurlijk hemoglobineniveau en presteren.
Dat verkleint de waarschijnlijkheid van prestatiebevordering door epo. De veronderstelling is immers dat epo het hemoglobineniveau verhoogt en dat renners daardoor beter kunnen presteren. Weer andere auteurs beschouwen het menselijk hemoglobineniveau als een evolutionair optimum tussen bloeddikte en microcapillarisatie (haarvaatjes in de spieren). Dat betekent dat zowel te weinig (bloedarmoede) als te veel hemoglobine tot prestatievermindering leidt. Epo laat renners dan slechter presteren, tenzij ze bloedarmoede hebben. Samengevat: dat epo prestaties van wielrenners zo duidelijk verbetert als veelal wordt beweerd, is zeer twijfelachtig.
Bovenstaande is essentieel voor het anti-dopingbeleid. Een middel of methode is doping als het aan twee van drie criteria voldoet: (1) prestatiebevorderend, (2) gezondheidsrisico en (3) tegen de ethiek van de sport. Criterium 3 volgt uit criterium 1. Epo is tegen de ethiek van de sport, omdat het prestaties ongeoorloofd bevordert. Zo niet, dan is het niet tegen de ethiek van de sport en blijft slechts criterium 2 over. Epo is dan geen doping. Laten we de relatie tussen criterium 1 en 3 los, dan wordt het antidopingbeleid volledig willekeur en kan alles als doping worden gedefinieerd: melk, meisjes met rode haren, homo’s, enzovoort. In de praktijk is dit wat we zien gebeuren. De dopinglijst bevat middelen waarvan prestatiebevordering niet is aangetoond, zoals de cocaïne die Yuri van Gelder gebruikte. Het verband tussen criterium 1 en 3 geldt niet voor criterium 2 en 3. Als iets tegen de ethiek van de sport is vanwege haar gezondheidsrisico, is de sport tegen haar eigen ethiek. De inherente gezondheidsrisico’s van sport zijn veelal groter dan die van dopinggebruik. In bijna vijftig jaar wielersport heb ik veel ongevallen meegemaakt. Soms met invaliderende en soms met fatale gevolgen. De gezondheidsrisico’s van epo lijken daarbij verwaarloosbaar, zeker bij gecontroleerd gebruik. Dit is geen vrijbrief voor gecontroleerd gebruik, maar voor een genormaliseerde benadering van een middel waarvan prestatiebevordering ten minste sterk overdreven lijkt.
Gebruikte litteratuur
• Alle columns in het Dossier Doping van Sport Knowhow XL
• Birkeland, K. I., Stray-Gundersen, J., Hemmersbach, P., Hallen, J., Haug, E., & Bahr, R. (2000). Effect of rhEPO administration on serum levels of sTfR and cycling performance. Medicine & Science in Sport & Exercise 32[7], 1238-1243.
• Brouwer, B. (2008). Doping als Drogreden. De cyclus van bevestigingsvertekening en zelfbevestigende voorspellingen van doping in de wielersport. Heerlen: Open Universiteit. [masterthesis].
• Brouwer, B., Lodewijkx, F.M. & Kuipers, H. (2009). Dopingbekentenis langs de wetenschappelijke meetlat. Sportpsychologie Bulletin, 20: 24-37.
• Brouwer, B. (2010). De mythe van erythropoëitine in wielrennen: Prestatiebevordering door epo en bloeddoping en waarom wielrenners daar in geloven. Heerlen: Open Universiteit. Intern document [proefschriftplan].
• Derksen, T. (2006). Lucia de B. Reconstructie van een gerechtelijke dwaling. Diemen: Veen magazines.
• Derksen, T. (2008). Het O.M. in de fout.94 structurele missers. Diemen: Veen magazines.
• Eijs, I., Havenga, A. & Hon, O. de (2010). De Nederlandse topsporter en het antidopingbeleid. Capelle aan den IJssel, Nieuwegein, Hoofddorp: Dopingautoriteit, NL-sporter, VVCS.
• Kuipers, H., Moran, J., Dubravcic-Simunjak, S., Mitchell, D. W., Shobe, J., Sakai, H. et al. (2007). Hemoglobin level in elite Speed Skaters from 2000 up to 2005. and its Relationship with Competitive Results. International Journal of Sports Medicine 28, 16-20.
• Kuipers, H., Moran, J., Mitchell, D. W., Shobe, J., Dubravcic-Simunjak, S., Sakai, H. et al. (2007). Hemoglobin Levels and athletic performance in elite Speed Skaters During the olympic Season 2006. Clincal Journal of Sport Medicine, 17 (2), 135-139.
• Kuipers, H. & Ruijsch van Dugteren, G. (2006). The prohibited List and Cheating in Sport. International Journal of Sports Medicine, 27: 1-3.
• Ouwerkerk, J.W. (2004). De invloed van angst voor sociale uitsluiting op prosociaal gedrag in groepen.
• Rassin, E. (2007). Waarom ik altijd gelijk heb: Over tunnelvisie. Schiedam: Scriptum psychologie.
• Schmidt, W., Bierman, B., Winchenbach, P., Lison, P. & Böning, D. (2000). How valid is the determination of hematocrit values to detect blood manipulations. International Journal of Sports Medicine, 21: 133-138.
• Seligman, M.E.P. (1975). Helplessness: On depression, Development, and Death. San Francisco: W.H. Freeman.
• Studio Sport (2010, 13 oktober) Hangen en Opstaan. Video documentaire.
• Verbruggen, H. (2001). The EPO Epidemic in Sport. Bloodline, 1, pp. 3-4
• Villafuerte, F.C., Cardenas, R., & Monge, C.C. (2004). Optimal hemoglobin concentration and high attitude: a theoretical approach for Andean men at rest. Journal of Applied Physiology, 96: 1581-1588.
• Volkskrant (2006, 11 december) Politie hoort ontkenning aan voor een bekentenis.
• Volkskrant (2010, 14 september) Pechstein lijdt aan zenuwinzinking.
• Volkskrant (2010, 30 oktober) WADA adviseert in de Tour ook ’s nachts op doping te controleren.
• WADA (2009). World Anti-Doping Code. Montreal: World Anti-Doping Agengy
• Wilkerson, D. P., Rittweger, J., Berger, N. J. A., Naish, F., & Jones, A. M. (2005). Influence of recombinant human erythropoitin treatment on pulmonary O2 uptake kenetics during exercise in humans. Journal Physiology, 568 (2), 639-652.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.