door: Bram Brouwer
Na ruim anderhalf jaar heeft het Internationaal Sporttribunaal (CAS) de Contador-doping-case in behandeling genomen. Binnenkort wordt eindelijk beslist wie de Tour de France 2010 won: de Spanjaard Alberto Contador of de Luxemburger Andy Schleck. De sportwereld weet de spanning er in te houden. Op tv meldde Contador opnieuw waar het over gaat: cero punto cero cero cero cero cero cero cero cero cero cero cinco. Ofwel, in het bloed van de Spanjaard werd tijdens die Tour vijftig picogram (pg) per liter (NOOT 1) clenbuterol aangetroffen. Dat is onvoorstelbaar weinig, maar dat kan de Deense ‘wetenschapper’ Rasmus Damsgaard verklaren (NOOT 2 en 3).
Bij Contador zou met clenbutterol vervuild bloed zijn afgenomen. Dat bloed moest de renner - tijdens de Tour - via een infusie terug krijgen (bloeddoping). Dat vervuilde bloed is volgens Damsgaard vóór die reinfusie vermengd met ‘schoon’ bloed, waardoor de clenbuterol vervuiling zeer klein werd. Dus volgens Damsgaard bewijst de clenbuterol bij Contador niet alleen het gebruik van dat middel, maar ook van bloeddoping. Ondersteunend bewijs hiervoor zijn de weekmakers die in Contadors bloed zouden zijn aangetroffen, afkomstig van de bloedzakken waarin het bloed werd bewaard (
NOOT 2 en 3).
Cruciaal in de Contador-case is het begrip
weinig. Dat 50 pg/l weinig is, betwist niemand. Maar hoe weinig is weinig. Ik denk dat vrijwel niemand zich daar iets bij voor kan stellen. Vandaar de volgende vergelijking. Neem een suikerklontje (geen miniklontje), dat weegt ongeveer vijf gram. En maak, voordat u verder leest, voor uzelf een voorstelling over hoeveel water nodig is, om dat klontje in op te lossen tot 50 pg suiker per liter.
Tijdens lezingen stel ik deze vraag ook aan mijn publiek. Dat begint met schattingen van één tot vijf emmers water. Als ik zeg dat het ook in badkuipen mag, is de hoogste schatting tot nu toe vijftien volle badkuipen. Niemand heeft enig idee wat 50 pg/l werkelijk betekent. Om het suikerklontje op te lossen tot 50 pg/l is 100 000 m3 water nodig, ofwel 40 volle Olympische zwembaden (50x20x2 mtr.). Die hoeveelheid water thuis uit de koud waterkraan laten stromen kost ruim negentien jaar.
Nadat we hebben gedefinieerd hoe weinig weinig in dit geval is, beschouwen we Damsgaards
vermengingshypothese opnieuw. Daarbij gebruiken we een
reductio ad absurdum (herleiding tot het absurde) redenering (
NOOT 4). Daarin wordt de logische consequenties van de bewering tot het uiterste doorgevoerd. Vervolgens passen we
Ockhams scheermes (
NOOT 5) toe, het principe van spaarzaamheid. Dat zegt dat bij even valide verklaringen de simpelste moet worden gekozen. Dit is een al achthonderd jaar oude wetenschappelijke methode om uit rivaliserende hypothesen de meest plausibele te kiezen.
Damgaards vermengingshypothese impliceert dat veel ‘schoon’ bloed nodig is om de verhouding 50 pg/l te krijgen. Immers een 1-op-1 vermenging van ‘schoon’ en ‘vervuild’ bloed levert slechts een toename op tot 100 pg clenbuterol per liter vervuild bloed. Voor ons suikerklontjes is dat nog steeds twintig volle zwembaden. Een 999 op 1 (schoon/vervuild bloed) menging geeft nog steeds een vervuilingsniveau in het vervuilde bloed van slechts 50 nanogram/l. Dat is een factor duizend groter, maar nog steeds onvoorstelbaar weinig. Per halve liter gemengd bloed is dan 499,5 liter schoon en 0,5 liter vervuild bloed nodig. En al dat bloed moet autoloog zijn: van Contador zelf afkomstig. Homoloog bloed (van anderen) wordt immers direct gedetecteerd.
Per keer wordt meestal een halve liter bloed afgenomen. Als we een half jaar voor de Tour dagelijks een halve liter bloed bij Contador afnemen levert dat nog steeds maar ongeveer 90 liter bloed op. Dat lijkt volstrekt onvoldoende voor Damsgaards vermengings-hypothese.
Stel we nemen Contador een half jaar dagelijks een halve liter bloed af. Hoe moet hij dan trainen? Na een bloedafname neemt het prestatievermogen sterk af (
NOOT 1) door een tekort aan rode bloedcellen. Herstel kost ongeveer zes weken. Dagelijkse een halve liter bloed afnemen zou de renner overigens niet overleven. Zelfs als we de renner een half jaar voor de Tour slechts vier keer bloed afnemen, verstoort dit zijn volledige trainingsopbouw (vier keer zes ofwel 24 weken, dat is ongeveer een half jaar prestatieafname).
Damsgaards hypothese roept meer vragen op. Waarom werd vervuild bloed met schoon bloed vermengd?
Wist men dat het bloed vervuild was? Waarom werd niet alleen schoon bloed gebruikt? Als men het niet wist, waarom werd dan toch gemengd? Is bloed mengen gebruikelijk bij reinfusies? Waarom was bij de Nederlandse mountainbiker Rudi van Houts en bij een aantal voetballers clenbuterol geen bewijs voor bloeddoping? Bij deze sporters werd ongeveer evenveel clenbuterol gevonden. Welk extra bewijs rechtvaardigt dan deze beschuldiging aan het adres van Contador?
Zit die rechtvaardiging in de weekmakers die in Contadors bloed gevonden zouden zijn? Volgens dopingdeskundige Douwe de Boer – die bij de Contador-case betrokken was – is niets bekend over weekmakers in Contadors bloed (
NOOT 3). Waarom zijn die weekmakers niet als bewijs gebruikt bij het behandelen van de Contador-case bij het Spaanse sporttribunaal, dat de renner vrijsprak. Het weekmaker verhaal was toen al bekend (
NOOT 2)? Bloedzakken zijn bedoeld voor het bewaren van bloed, dat veelal wordt gebruikt bij zeer kwetsbare mensen. We mogen aannemen dat die zakken uit hoogwaardige kunststoffen zijn gemaakt en dat de kans dat ze sporen achterlaten in hun inhoud veel kleiner is dan van het plasticzakje waarin een trainende renner bijvoorbeeld een geschild, in partjes gesneden appel meeneemt. Google naar weekmakers en u krijgt vele hits over de gevaren ervan en hoe gemakkelijk we ze in ons lichaam krijgen. Kortom: het vinden van weekmakers in Contadors bloed lijkt eerder logisch dan het bewijs van bloeddoping (als het al gevonden is).
Het CAS trekt vier dagen uit voor het proces en er worden ‘experts’ uit de hele wereld aangetrokken, zowel door de Internationale wielerbond (UCI), het wereld antidopingbureau (WADA), als door Contadors verdediging (
NOOT 3). Er is zelfs een polygraafexpert (leugendetector) uit America ingevlogen. Leugendetectors mogen in Europa vrijwel nergens als bewijsmiddel worden gebruikt. Ze zijn onbetrouwbaar. Een leugendetector registreert fysieke veranderingen (zweten, hartfrequentie, spierspanning, et cetera). Een dergelijke verandering kan ontstaan door liegen, maar ook door spanning bij een valse beschuldiging. Ook de herkomst van de bij Contador gemeten clenbuterol kan verschillen. De 50 pg/l kan zijn ontstaan door dopinggebruik (Damsgaards vermengingshypothese), door het eten van een vervuilde biefstuk (Contadors biefstuk-hypothese), of door een onbekende oorzaak (‘we-weten-het-niet-hypothese’). Alle drie hypothesen zijn even overtuigend en valide.
Vervolgens laten we Ockham scheermes zijn werk doen. De complexe vermengingshypothese van Damsgaard valt als eerste af. Die roept te veel onbeantwoorde vragen op. Als tweede valt de biefstuk-hypothese af, omdat de ‘we-weten-het-niet-hypothese’ nog simpeler is en daarmee het meest plausibel. Kortom, de beste verklaring voor de 50 pg/l clenbuterol in Contadors bloed is dat we weten dat het er zat, maar niet hoe het daar gekomen is. Of Contador op basis daarvan veroordeeld mag worden, laat ik aan u als lezer over.
Literatuurlijst
1. Ekblom, B., Goldbarg, A. N., & Gullbring, B. (1972). Response to exercise after blood loss and reinfusion.
Journal of Applied Physiology, 33, 175-180.
2. LC (2010, October 2). Contadors waarheid niet ieders waarheid.
LC.
3. Pijpker, J. (2011, November 22). Sporttribunaal buigt zich over dopingzaak Contador.
Volkskrant.
4. Wikipedia. (2011).
Bewijs uit het ongerijmde. Op 24-11-2011 gedownload van
http://nl.wikipedia.org/wiki/Bewijs_uit_het_ongerijmde.
5. Wikipedia. (2011).
Ockhams scheermes. Op 24-11-2011 gedownload van
http://nl.wikipedia.org/wiki/Ockhams_scheermes.
Bram Brouwer is ruim dertig jaar schaatstrainer en was een van de eerste gediplomeerde wielrentrainers in Nederlanden. Hij heeft 15 jaar professioneel duursporters begeleid en is daarna psychologie gaan studeren aan de Open Universiteit. Hier studeerde hij in 2009 cum laude af als arbeids en organisatiepsycholoog op het onderwerp ‘Doping als drogreden’ en behaalde de basisaantekening sportpsychologie. Momenteel werkt hij aan zijn proefschrift met als werktitel ‘De mythen van epo bij wielrennen’. Daarnaast werkt hij in zijn eigen praktijk, als adviseur/coach voor mensen en organisaties die willen presteren en verzorgt lezingen over deze onderwerpen. Voor meer informatie: info@brambrouwer.nl of www.brambrouwer.nl