8 februari 2022
Opinie
door: Jan Janssens
Op 11 januari van dit jaar publiceerde ik op uitnodiging van de redactie van dit platform een opiniërende bijdrage over 'De sportvereniging in 2032'. Ik schreef onder meer dat het einde van de verenigingssport weliswaar niet in zicht komt, maar dat het gestaag dalende aantal sportverenigingen nóg verder zal dalen. Vooral omdat de wensen en voorkeuren van sporters verder zullen veranderen en het voor veel verenigingen te moeilijk zal blijken om daar goed op in te spelen. Op mijn bijdrage kwamen via sociale media en ook op dit platform nogal wat reacties. Er was instemming en er was kritiek. Hoog tijd voor een repliek.
Allereerst aan het adres van Wilbur Gans. Hij onderschreef mijn betoog en noemde 'het bestuursmodel dat veelal draait op vrijwilligers de grootste bedreiging voor het voortbestaan van verenigingen'. Hij betwijfelde of 'de nieuw generatie' nog wel bereid is om zich op vrijwillige basis in te zetten voor een vereniging, en informeerde of hiernaar onderzoek is gedaan. Daarop zou ik het volgende willen zeggen.
Vraag en aanbod
Omdat het merendeel van de verenigingen in hoofdzaak draait op de inzet van vrijwilligers, zijn zij in hun functioneren vanzelfsprekend erg afhankelijk van de beschikbaarheid van voldoende geschikte vrijwilligers. Toch zou ik de problemen van sportverenigingen zeker niet uitsluitend willen ophangen aan een gebrek aan vrijwilligers. Het is een kwestie van vraag en aanbod. Enerzijds kun je constateren dat verenigingen te maken hebben met hogere en andere verwachtingen, meer wensen en hogere eisen (van de leden en het kader van verenigingen zelf, van de bonden en de koepel, de overheden en de samenleving). Anderzijds is de bereidheid en beschikbaarheid om vrijwilligerswerk te doen in de sport afgenomen.
Ik schrijf in dit laatste zinnetje bewust ‘in de sport’, want er wordt vandaag de dag in veel meer maatschappelijke sectoren een beroep gedaan op vrijwillige inzet dan in het verleden het geval was. Denk bijvoorbeeld aan het onderwijs en de (mantel)zorg. Het neemt overigens niet weg dat nog steeds heel veel mensen op vrijwillige basis werkzaamheden verrichten voor sportverenigingen, maar dat gebeurt wel met wat meer vrijblijvendheid.
Vergrijzing verenigingskader
Voor afgebakende taken of tijdelijke projecten zijn veel mensen te vinden, voor meer structurele inzet en verantwoordelijke functies steeds minder. Het gevolg hiervan is een sterke vergrijzing van het verenigingskader. Over deze ontwikkelingen is het nodige geschreven. Ik kan opnieuw naar mijn eigen publicaties op dit platform verwijzen, maar lees vooral ook het brancherapport 'Sportverenigingen in Nederland' of surf naar de websites van SCP, NOV, Mulier Instituut, NL Sportraad en Kenniscentrum Sport & Bewegen voor meer actuele informatie.
Dan het korte commentaar van Theo van de Rijt op Twitter dat wordt onderschreven door Loek Jorritsma. 'Wel teleurgesteld in @JWJanssens die ineens de helft van de sportverenigingen ten grave draagt'. Tegen Theo en Loek zou ik, verwijzend naar de tragedie van Antonius en Cleopatra van Shakespeare, willen zeggen: don’t shoot the messenger. Ik snap de teleurstelling over de voorspelde verdere afkalving van het verenigingsleven. Maar jullie kennen mij ook goed genoeg om te bedenken dat ik die ontwikkeling zelf ook zeer betreur. Ik heb bij herhaling gewezen op de grote betekenis van de vereniging voor sport en samenleving. Zie bijvoorbeeld het artikel over het onderzoek naar veranderende lidmaatschappen in de sport, waar ik de zegeningen van de verenigingssport tel. Overigens is mijn voorspelling van het aantal verenigingen iets minder dramatisch dan in de Tweet van Theo van de Rijt wordt gesuggereerd; in mijn becijferingen verdwijnt niet de helft van de verenigingen, maar ‘slechts’ een derde.
Paniek bij NOC*NSF?!
Over dramatiek en overdrijving gesproken. Jan Raateland kan daar ook wat van. Hij schrijft op LinkedIn dat 'het bijna niet anders kan, dan dat er paniek is ontstaan bij de directie van NOC*NSF na het lezen van mijn artikel' en dat 'alle bespiegelingen van een nog verder groeiend aantal olympische medailles, direct konden worden gedeletet'. En hij besluit met 'De vertwijfeling op Papendal moet wel groot zijn'. Dat eerste en laatste waag ik te betwijfelen, want ik baseer me in hoge mate op de eigen rapportages van NOC*NSF. In de tweede gevolgtrekking (minder verenigingssport zal resulteren in minder topsportprestaties) kan ik me misschien wel meer vinden, al vind ik dat aspect in de discussie over de implicaties, net als Stan Stolwerk die zich op LinkedIn ook roerde, toch iets minder relevant.
'Paniek is een hele slechte raadgever', merkte Werner Ter Avest, eveneens deelnemer aan de discussie, op. Daar kan ik het alleen maar mee eens zijn. Paniek is niet gewenst, maar goed beleid wel. Misschien is het zo onderhand toch eens tijd voor een soort Deltaplan voor versterking van sportverenigingen of, laten we het iets breder trekken, voor sportclubs. Er zijn immers ook veel sportclubs met andere rechtsvormen waarvoor de toekomst net zo ongewis is. Over de inrichting van zo’n Deltaplan heb ik ook wel ideeën, maar die zal ik hier en nu niet delen. Die bewaar ik nog even.
Verenigingen worden groter
Tot slot ga ik graag in op het commentaar en de vraag die Dick Zeegers onder mijn bijdrage schreef over de ontwikkeling van het aantal verenigingssporters. Zijn idee dat het totaal aantal sporters (redelijk) op peil zal blijven, deel ik wanneer we het hebben over de sportdeelname in de volle breedte. Dat heb ik ook in mijn bijdrage met zoveel woorden voorspeld: de sportdeelname zal na de pandemie wel weer aantrekken, misschien zelfs toenemen. Maar de suggestie dat bij een afnemend aantal sportverenigingen het aantal verenigingssporters toch op peil zal blijven, kan ik helaas weer niet onderschrijven. Zeker, verenigingen worden groter en er is de afgelopen jaren volop gefuseerd. Die schaalvergroting zal ook in de komende jaren doorgaan. Het is, maar dat terzijde, geen toeval dat ik binnenkort een fusiehandleiding voor verenigingsbestuurders en -ondersteuners zal publiceren. Hoe dan ook, er is niet alleen sprake van schaalvergroting. Er is meer aan de hand.
In mijn bijdrage over de sportvereniging in 2032 refereer ik aan cijfers van NOC*NSF over de ontwikkeling van het aantal verenigingen in de afgelopen jaren. Wanneer ik ook de ontwikkeling van het aantal verenigingssporters daarop baseer, kom ik eveneens op een neerwaartse trend, al is die wel iets minder sterk. Tot 2013 nam het aantal lidmaatschappen bij NOC*NSF jaarlijks toe, sindsdien neemt het elk jaar af. Ik beperk me daarom tot de periode na deze trendbreuk. In de periode van 2013 tot 2020 (het jaar waarin de pandemie uitbrak) nam het aantal verenigingslidmaatschappen elk jaar met gemiddeld 45.000 af. Bij elkaar opgeteld ging het om een afname van het aantal lidmaatschappen met 5%. In diezelfde periode zijn 2.520 verenigingen verdwenen, wat neerkomt op een afname van 10%. Het is een substantieel verschil dat kan worden verklaard door de genoemde schaalvergroting.
Verschraling sportaanbod
Als we de trend van de afgelopen jaren doortrekken naar de toekomst valt te verwachten dat we in 2032 ongeveer 600.000 minder verenigingslidmaatschappen zullen registreren. En waar ik verwacht dat de teruggang van het aantal verenigingen zich in de komende tien jaar veel sterker dan trendmatig zal voortzetten, voorzie ik dat ook bij de teruggang van het aantal verenigingslidmaatschappen. Daarvoor zijn verschillende aanwijzingen. De bevolking groeit licht (net als in de voorbije jaren) maar de veranderende samenstelling van de bevolking heeft veel meer effect. Met name door de vergrijzing en ‘verkleuring’ van de bevolking valt te verwachten dat het aantal verenigingssporters verder afneemt. Daarnaast zal het vergrijzen en verdwijnen van verenigingen hier en daar tot verschraling van het sportaanbod leiden en een zelfstandig effect hebben op de sportdeelname in verenigingsverband. Daarbij komen dan de gevolgen van de pandemie.
De instroom van jeugdleden was in 2020 veel lager dan in de jaren hiervoor. Mensen zijn vaker ongeorganiseerd of in informeel verband gaan sporten. Dat het aantal geregistreerde lidmaatschappen bij NOC*NSF in 2020 nog slechts met 35.000 is afgenomen, lijkt mee te vallen, maar dit dient te worden genuanceerd. Dit aantal wordt geflatteerd door de sterke toename van het aantal leden van Sportvisserij Nederland (+80.000) en KNGF (+ 22.000). Er waren in 2020 weliswaar veel meer sportvissers en golfers, maar veel minder leden bij de ‘gewone’ sportverenigingen.
Trendwatchen is geen wetenschap. Het is in hoge mate koffiedik kijken, maar ik wil hier ook wel een voorspelling geven van de terugloop van het aantal verenigingssporters. Puur trendmatig kan in 2032 ten opzichte van nu een afname van 600.000 leden worden verwacht. Maar het zou mij, gelet op de hierboven gegeven argumenten, verbazen als het beneden de miljoen blijft.
Jan Janssens is directeur-eigenaar van onderzoek- en adviesbureau Chionis. Eerder was hij o.a. directeur van het Mulier Instituut, lector Sport Management & Ondernemen bij de Hogeschool van Amsterdam en sportformateur in acht gemeenten.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.