9 juli 2024
Opinie
1. Bewoners in aandachtswijken sporten minder.
2. Kinderen en jongeren bewegen minder en hun motoriek gaat achteruit.
3. Sport en bewegen wordt te weinig ingezet binnen de gezondheidszorg.
4. Vergroten en zichtbaar maken van maatschappelijke waarde topsport.
5. De sportinfrastructuur wordt te weinig gebruikt.
6. De betaalbaarheid van sport staat onder druk.
Voor deze zes wicked problems zijn in 2023 strategische plannen voor onderzoek en innovatie opgesteld. Voor de uitvoering van deze plannen is in de komende jaren een bedrag van 13,5 miljoen euro beschikbaar.
Deze column gaat over het tweede wicked problem: ‘Kinderen en jongeren bewegen minder en hun motoriek gaat achteruit’ (zie het betreffende strategische plan). Vaardig zijn in bewegen en voldoende bewegen zijn belangrijke voorwaarden om een leven lang te blijven bewegen en sporten. Of kinderen en jongeren bewegen en sporten – en er plezier in ervaren – hangt af van de thuissituatie, de buurt en de school. Mensen die met kinderen werken kunnen door betere kennis nog meer betekenis krijgen in de ontwikkeling van kinderen; door een passend aanbod en optimale begeleiding.
door: Jessica Gubbels
Kinderen en jongeren bewegen steeds minder, met negatieve effecten op gezondheid, sportdeelname en persoonlijke ontwikkeling. Hoe zorgen we dat sporten en bewegen voor de jeugd in 2040 net zo normaal is als internetten? Onder meer door al heel vroeg te beginnen, met de groep van 0-3 jaar. Samen met ouders, de buurt en bijvoorbeeld de kinderopvang.
Iedereen zal het herkennen: de lichamelijke ontwikkeling van jonge kinderen verloopt onvoorstelbaar snel. Van een kleine wurm die amper iets kan, gaat het binnen no-time via rollen naar kruipen naar lopen naar rennen naar fietsen. De motorische ontwikkeling in de eerste paar jaar legt de basis voor alles wat daarna komt. Wie al heel jong veel beweegt, ontwikkelt al vroeg goede gewoonten en een goede motoriek. Maar andersom geldt het ook: wat je in deze jaren aan motorische ontwikkeling mist, is later niet goed meer te compenseren. Voldoende bewegen tussen 0 en 3 jaar legt dus het fundament voor het hele beweegleven. En daarmee ook voor fysiek en mentaal welzijn.
Kinderen nieuwe dingen aanbieden
Aan de kleintjes zelf zal het meestal niet liggen. Het is hun natuurlijke behoefte op ontdekkingsreis te gaan en daarbij als vanzelf veel te bewegen. Maar in deze tijd wordt het jonge kinderen – deels met de beste bedoelingen – niet makkelijker gemaakt. We snoeren ze vast in hun eetstoeltje, kinderwagen en Maxi-Cosi. Op de kinderopvang moeten ze nogal eens netjes stilzitten: niet van je stoeltje af! En soms krijgen ze al heel jong een scherm met een leuke tekenfilm of een spelletje voor hun neus. Even rust voor papa en mama, maar voor je het weet kan de kleine niet meer zonder. Hoewel jonge kinderen graag willen bewegen, is het toch belangrijk ze erbij te helpen. Dat doe je door steeds nieuwe dingen aan te bieden, zodat ze motorisch weer een stapje verder kunnen zetten. Leren bewegen is net zo goed een onderdeel van de vroegkinderlijke ontwikkeling als leren praten en zindelijk worden.
Binnen het ZonMw-programma MOOI in Beweging startte begin 2024 een multidisciplinair consortium met een praktijkgericht onderzoek rond beweging en de motorische ontwikkeling van kinderen van 0-3 jaar. Actief Systeem voor een Actieve Start (ASAS) kent vier inhoudelijke werkpakketten (zie eerste kader onderin). In het project staat ‘het systeem rondom het jonge kind’ centraal. Dit systeem is het samenstel van alle relevante factoren in de context waarin een kind opgroeit. Het gaat om tastbare zaken als: is er een tuin of een balkon? Is er speelgoed en ruimte om te bewegen? Kun je in de buurt veilig spelen? En het betreft de sociale omgeving: zijn er broers en zussen? Komen opa en oma oppassen? Hoe zijn de regels, bijvoorbeeld als het gaat om tv-kijken en schermtijd?
Hefbomen voor systeemverandering
De samenhang tussen deze onderdelen maakt dat we van een ‘systeem’ spreken. Binnen dat systeem gebeurt van alles; het is het kader waarbinnen kinderen stimulansen krijgen om te bewegen. Of juist niet. Een beweegvriendelijke buurt is beslist een voordeel. Maar als ouders niet met hun kind naar buiten gaan, of als ze het daar geen beweegactiviteiten aanbieden – bijvoorbeeld door expliciet een bal te introduceren – dan werkt het systeem niet optimaal. In ASAS zoeken we naar ‘hefbomen voor een systeemverandering’, ofwel de aanknopingspunten om een kettingreactie te starten die jonge kinderen letterlijk in beweging brengt.
Omdat er maar weinig wetenschappelijke beweegliteratuur over deze leeftijdsgroep beschikbaar is, gaan we eerst praktijkkennis ophalen bij experts en mensen die met jonge kinderen werken. Ook willen we met ouders aan de slag. We komen bij ze thuis voor interviews en observaties van zowel de thuisomgeving als de interacties met het kind. We stellen verschillende vragen, bijvoorbeeld: wat maakt dat het wel of niet lukt om jouw kind gericht te stimuleren tot bewegen? Wie zijn de belangrijke personen in en rond het gezin? Is dat opa en oma, de buurvrouw en misschien de verloskundige? Deze mensen bevragen we vervolgens ook, om zo het hele systeem in kaart te brengen. We gaan niet objectief meten hoeveel een kind beweegt, maar laten de betrokkenen vertellen wat zij waarnemen, ervaren en belangrijk vinden.
Uitdagingen op overgangsmomenten
Onze projectinsteek sluit goed aan bij het strategisch plan voor deze maatschappelijke uitdaging, waarin de systeemaanpak wordt uitgesplitst in een levensloop-, context- en factorenbenadering. Vanuit ASAS sluiten we aan bij het nog te starten project voor 4-6 jaar, omdat we weten dat de uitdagingen juist op overgangsmomenten het grootst zijn. Als het aanbod op de kinderopvang bijvoorbeeld onvoldoende aansluit op wat de basisschool doet, kunnen er breukvlakken ontstaan in de ontwikkeling. Naast de levensloop is de context van het jonge kind relevant. Veel bestaande beweeginterventies voor deze groep worden geïmplementeerd via de kinderopvang. Maar ook de buurt kan bewegen bevorderen of juist belemmeren. En denk aan de mogelijke bijdrage van kraamzorg, buurthuizen of een plaatselijke steungroep zoals Moeders Informeren Moeders.
Uit de contextbenadering volgt dat we breder kijken dan ‘alleen’ naar beweegstimulering. We hebben naast sportspecialisten en bewegingswetenschappers ook de meer algemene ondersteuning in het netwerk rond gezinnen aan boord. Juist zij kunnen vervolgens weer een goede bijdrage leveren binnen de factorenbenadering, onder meer rond de zogeheten ‘interne factoren’ bij ouders, of misschien beter: cognitieve factoren. Hebben ze de kennis of het zelfvertrouwen in huis om hun jonge kind goed te begeleiden in de beweegontwikkeling? Soms ontbreekt het mensen ook aan tijd of geduld, of is er veel stress. En wie geld- of gezondheidsproblemen heeft, of een heel drukke baan, zet bewegen met de kinderen misschien niet op de eerste plaats. De meerwaarde van een systeemaanpak is bij uitstek dat je het onderlinge verband tussen uiteenlopende aspecten blijft zien. En mensen eventueel helpt op andere terreinen dan bewegen op zich.
Aansluiten bij de werkelijkheid
ASAS is net gestart, en onze ambities tot aan de afronding eind 2027 zijn stevig. We gaan aan de slag in de regio’s rondom Eindhoven, Zwolle en Den Haag. In elke regio leidt een regionale coördinator het praktijkonderzoek vanuit de betrokken hogeschool. Zij hebben al een uitgebreid netwerk in de wijken, zodat we met de werving van gezinnen een goede afspiegeling van de samenleving hopen te kunnen realiseren. We zoeken per regio minimaal twaalf deelnemende gezinnen, met een zo groot mogelijke diversiteit in (culturele) achtergrond, opleiding en gezinssamenstelling. Het is niet de bedoeling een losse interventie te ontwikkelen om die vervolgens van bovenaf te droppen. We willen in co-creatie met alle betrokkenen iets realiseren wat aansluit bij de concrete werkelijkheid van gezinnen met jonge kinderen.
Dat ‘ontwikkelen’ gebeurt overigens pas in een latere fase, dus nadat we hebben opgehaald waar de kansen, belemmeringen én aanknopingspunten in die concrete werkelijkheid te vinden zijn. We streven naar een integrale aanpak, dus het worden zeker geen kortdurende interventies gericht op één specifieke setting of één bepaalde doelgroep. We gaan ook geen uitgebreide effectevaluaties doen, met een voor- en nameting en een controlegroep; daarvoor is binnen dit project geen ruimte. De onderzoeksactiviteiten zijn praktijkgericht, en daarbij passen andere methodieken. Zo denken we aan kortdurende pilots die we samen met de betrokkenen opzetten en evalueren.
Dynamiek als uitgangspunt
Ons spannende traject is gestart in een maatschappelijke context die voortdurend verandert. Het is cruciaal juist die dynamiek als uitgangspunt te nemen. Tien jaar geleden zaten kinderen nog niet de hele dag op hun smartphone, vier jaar geleden wisten we nog niet welke impact de covid-crisis zou hebben op – onder meer – het beweeggedrag van de jeugd. Dergelijke onvoorspelbaarheden onderstrepen hoe relevant het is om het onderzoeken, ontwikkelen, implementeren én evalueren in een dynamische afwisseling vorm te geven. Dan pas kun je wetenschap en praktijk zodanig met elkaar verbinden dat je aanpak zowel vraaggestuurd als evidence based wordt. Mijn droom: een levende én lerende ontwikkelpraktijk waarin onderzoek en praktijk met elkaar vervlochten zijn. En die minder afhankelijk is van projectfinanciering. Zodat we letterlijk én figuurlijk kunnen blijven meebewegen met wat er in het echte leven van ouders en kinderen speelt.
Jessica Gubbels is universitair hoofddocent en onderzoeker aan de Universiteit Maastricht. Zij is een van de mensen die werkt aan het wicked problem ‘Kinderen en jongeren bewegen minder en hun motoriek gaat achteruit’. Gubbels is recent gestart met het ZonMw-project ‘Actief Systeem voor een Actieve Start (ASAS)’, waarin een multidisciplinair consortium onderzoekt hoe beweging en motorische ontwikkeling van 0-3-jarige kinderen kunnen worden ondersteund. Kind en gezin staan in dit project centraal in het systeem.
Het projectmanagement is ondergebracht in een vijfde werkpakket.
Het consortium wordt bijgestaan door een brede adviesraad van partijen uit de praktijk en expertiseorganisaties die een rol spelen op gebied van bewegen en ontwikkeling bij jonge kinderen en ouders. In deze adviesraad zitten ook ouders.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.