15 juni 2010
Opinie
In diverse opiniestukken wordt de uitspraak van het Europese Hof van Justitie op 16 maart 2010 in de procedure tussen Olivier Bernard en Olympique Lyonnais beschouwd als ‘redelijk’ en ‘positief voor de voetbalsport’. De uitspraak zou echter de ondergang kunnen vormen voor diverse voetbalclubs, met name in opleidingslanden als Nederland.
Bernard tekende in 1997 een zogeheten ‘beloftencontract’ met Olympique Lyon. Op grond van dit contract diende Olympique Lyon Bernard een profcontract aan te bieden. Indien Bernard er echter voor zou kiezen te vertrekken, zou hij gehouden zijn een schadevergoeding te betalen ter hoogte van één jaarsalaris.
Bernard weigerde het voorstel van Olympique Lyon en vertrok naar het Engelse Newcastle United. Olympique Lyon vorderde daarop een schadevergoeding ter hoogte van € 53.357,16. Bernard stelde zich op het standpunt dat een dergelijke vergoeding in strijd zou zijn met het vrij verkeer van werknemers.
Het recht op het vrij verkeer van werknemers kan worden beperkt indien daarmee een legitiem doel wordt bereikt en de maatregel proportioneel is. Inzake Bernard oordeelde het Hof dat het vragen van een schadevergoeding een legitiem doel is gezien de investeringen die Olympique Lyon in de ontwikkeling en opleiding van Bernard heeft gedaan. Het beschermen van de eigen jeugdopleiding wordt door het Europese Hof dan ook gezien als een legitiem doel. De vergoeding gebaseerd op één jaarsalaris acht het Hof echter niet proportioneel. Volgens het Hof moet de vergoeding gebaseerd zijn op de werkelijke opleidingskosten en mag de vergoeding niet vooraf worden bepaald.
Kortom: het beschermen van de eigen jeugdopleiding door het vragen van een opleidingsvergoeding is een toelaatbare beperking op het vrij verkeer van werknemers, mits de vergoeding wordt gebaseerd op werkelijke opleidingskosten.
In dit laatste gedeelte schuilt een gevaar voor de FIFA en de clubs. In de FIFA-reglementen staat namelijk een regeling opgenomen die clubs beloont voor het opleiden van talenten. Dit is de training compensation.
De training compensation houdt in dat een club op het moment dat de speler zijn eerste contract tekent een vergoeding dient te betalen aan de clubs die aan de ontwikkeling van de speler hebben bijgedragen. Deze vergoeding wordt gebaseerd op de kosten die de verkrijgende club had moeten maken indien zij de speler zelf had opgeleid. Deze vergoeding wordt berekend aan de hand van door de FIFA bepaalde richtlijnen en vooraf vastgestelde bedragen.
De vergoeding die voorkomt uit de training compensation is niet gebaseerd op de werkelijke opleidingskosten, maar komt voort uit een vooraf bepaald bedrag. Daarbij bedraagt het kosten die de verkrijgende club zou hebben gemaakt en derhalve niet een vergoeding voor de opleiding van de speler. Mijns inziens staat dit dan ook haaks op de uitspraak die het Europese Hof van Justitie inzake Bernard heeft gedaan.
Indien de lijn van het Europese Hof wordt gevolgd zou dit kunnen betekenen dat de huidige regeling omtrent de training compensation op termijn in strijd wordt geacht met het vrij verkeer van werknemers en derhalve niet is toegestaan. De vergoeding zou moeten worden gebaseerd op de werkelijke opleidingskosten. Het wegvallen van de huidige vergoeding is nadelig voor de voetbalsport. De vergoeding van de werkelijke kosten van de opleiding liggen namelijk aanzienlijk lager dan de vergoeding die een club verkrijgt op basis van de huidige regeling.
Op basis van de huidige regeling kan een Nederlandse club een vergoeding van maximaal € 90.000,- per jaar ontvangen. Indien een speler zijn volledige opleiding, vanaf 12 jaar tot 21 jaar, bij een club heeft gevolgd bedraagt de vergoeding derhalve bijna één miljoen euro. Het behoeft geen discussie dat een dergelijk bedrag niet in verhouding staat tot de werkelijke opleidingskosten. Dat zou immers met zich brengen dat een club als Ajax met 220 jeugdspelers, ieder jaar bijna twintig miljoen euro betaalt voor het onderhoud van het complex, het aanschaffen van materialen (voor zover de sponsor dit niet vergoedt) en een selecte groep trainers en begeleiders.
Veel clubs bestaan mede door de inkomsten die voortvloeien uit de training compensation. Indien de huidige regeling zou worden vervangen door een vergoeding op basis van de werkelijke opleidingskosten lopen zij aanzienlijke inkomsten mis. Daarnaast vallen de aanmoediging en de mogelijkheden om te investeren in de jonge spelers weg. Voor een opleidingsland als Nederland kan zulks weer zeer nadelige gevolgen hebben voor het niveau van de competitie en het Nederlands elftal.
Hoewel de uitspraak van het Hof van Justitie dan als redelijk kan worden beschouwd - er wordt immers een uitzondering gemaakt op het vrij verkeer van werknemers ten gunste van de voetbalsport - zouden de gevolgen voor de voetbalwereld wel eens groter kunnen zijn dan gedacht. Zeker voor een opleidingsland als Nederland zou het wegvallen van dergelijke regeling uiteindelijk zeer nadelig voor veel clubs en het niveau van het Nederlandse voetbal kunnen zijn.
Jordi Rosendahl is werkzaam als advocaat bij BrantjesVeerman Advocaten. BrantjesVeerman Advocaten heeft een specifieke sectie Sportrecht die als ‘full service solution provider’ topsporters, sportbonden en sportorganisaties bijstaat. BrantjesVeerman Advocaten is binnen de voetbalwereld onder andere de juridische samenwerkingspartner van ProProf en Pro-Agent.Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.