17 maart 2009
Opinie
“Ik weet zeker dat de breedtesport het aflegt tegen de NOC-tak in NOC*NSF. Er ontbreekt gewoon balans. Het wordt tijd dat eens een onderzoek plaatsvindt naar de stijging van de Lottogelden die vanaf 1993 heeft plaatsgevonden en de verdeling ervan over breedtesport en topsport. Tevens zou ook eens op een rij moeten worden gezet met welke subsidiebedragen NOC*NSF aan de haal gaat eveneens vanaf 1993.”
Dit schreef ik op 27 oktober 2008 in een brief aan NOC*NSF (zie hier voor de volledige brief). Steeds meer hoor je mensen die er openlijk voor uit komen dat de breedtesport meer aandacht verdient dan dat die nu bij NOC*NSF krijgt. Joop Atsma vindt dat, Ard Schenk ook, en dan nu een opmerking daarover van Jan Rijpstra. Het zijn terechte opmerkingen die in de praktijk van alle dag gevoeld worden.
De toenmalige fusie tussen NSF en NOC is er uiteindelijk op uitgedraaid dat de breedtesport niet alleen achter is gesteld, maar dat ze uiteindelijk verdwijnen zal. De uitgestippelde koers van NOC*NSF gaat in de richting van twintig bonden die overblijven. De kleinere bonden - vaak de bonden waar de breedtesport overheerst, dat zijn bonden beneden de 40.000 leden en met minder dan € 1.5 miljoen ‘omzet’ - moeten of samenwerken of fuseren vόόr 2012. Of zelfstandig blijven, met alle financiële gevolgen van dien omdat je dan buitengesloten wordt van financieringsbronnen die voor die grotere bonden wel openstaan.
De column van Rijpstra brengt mij op een ander niet onbelangrijk punt. Het verdelen van zowel functies als het verdelen van macht en geld, is nu eenmaal gevestigd bij een aantal lieden en bonden, waar de kleinere bonden – tweeënvijftig in getal - niet aan te pas komen. Vergaderingen van NOC*NSF lijken democratisch, maar zijn het niet vanwege de stemverhoudingen. De grote bonden hebben het altijd voor het zeggen, hebben hun lijntjes, kunnen ook meer in de weegschaal leggen en mensen meenemen naar grote sportevenementen.
Op zich heb ik daar geen bezwaar tegen. Zo loopt het nu eenmaal in het leven en in de afgelopen dertig jaar heb ik dat allemaal wel voorbij zien komen. Echter, ik vind dat de grenzen bereikt zijn. Dat de onbalans nu zo groot dreigt te worden dat er moet worden ingegrepen en dat diegenen die het al eerder opmerkten dat de breedtesport een ernstig ondergeschoven kindje is, dit mede zouden moeten bewerkstelligen. Als voorzitter van een kleine bond, wil ik daar best aan meewerken.
Wie durft het aan om hier op een fatsoenlijke manier een begin mee te maken?
Frans Fakkers is voorzitter van de Nederlandse Kruisboog Bond.
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.