18 mei 2010
Opinie
Reactie op ‘Het wezen gaat voor de schijn’
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het artikel ‘Het wezen gaat voor de schijn’ van mr. Edward van Bommel.
In het betaalde voetbal wordt vaak in de arbeidsovereenkomst tussen de voetballer en de club een optiebeding opgenomen. Het beding houdt in dat de voetballer de club de bevoegdheid geeft de arbeidsovereenkomst eenzijdig te verlengen. Een dergelijke constructie is vooral na het Bosman arrest in het betaald voetbal populair geworden. Doordat sindsdien voetballers aan het einde van de arbeidsovereenkomst ‘transfervrij’ kunnen vertrekken, sluiten clubs arbeidsovereenkomsten voor een lange duur en verlengen die arbeidsovereenkomsten vervolgens dikwijls. Het doel is de voetballer tussentijds te verkopen en een transfersom op te strijken. Een (goede) voetballer die een arbeidsovereenkomst uitdient, is tegenwoordig dan ook een uitzondering.
De auteur stelt dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voorzien van een optiebeding geen arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is, maar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, omdat het niet mogelijk zou zijn de einddatum van de arbeidsovereenkomst te bepalen. Het gevolg zou, aldus de auteur, zijn dat de voetballer deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan opzeggen, zonder dat hij schadeplichtig is. Deze redenering is mijns inziens niet juist.
Ik breng in herinnering de zaak tussen Ajax en de voetballer Hatem Trabelsi in 2004 NOOT 1). De casus: Ajax en Trabelsi waren een arbeidsovereenkomst aangegaan voor de duur van drie jaar, van 1 juli 2001 tot 30 juni 2004. In de arbeidsovereenkomst was een optiebeding opgenomen, inhoudend dat Ajax het onherroepelijke recht had de arbeidsovereenkomst te verlengen met twee jaar. In oktober 2003 had Ajax Trabelsi laten weten van dit recht gebruik te willen maken. Trabelsi stelde echter dat het optiebeding niet rechtsgeldig was, omdat het beding in strijd zou zijn met ‘het gesloten systeem van beëindiging van arbeidsovereenkomsten’. Subsidiair stelde Trabelsi dat de contractduur van de arbeidsovereenkomst niet objectief bepaalbaar zou zijn en er dus sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit is ook het standpunt van de auteur in het onderhavige artikel.
Het College van Arbiters van de KNVB oordeelde dat de aan Ajax verleende optie op verlenging van de arbeidsovereenkomst niet in strijd was met het ontslagrecht. Het was volgens de arbitragecommissie een onherroepelijk aanbod van Trabelsi de arbeidsovereenkomst te verlengen en niet een eenzijdig verstrekte bevoegdheid de arbeidsovereenkomst op een door Ajax willekeurig gewenst tijdstip op te zeggen. Evenmin was volgens het College van Arbiters sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, omdat de contractduur van de arbeidsovereenkomst niet objectief bepaalbaar zou zijn. Volgens het College van Arbiters van de KNVB was de contractduur van de arbeidsovereenkomst objectief vastgesteld op drie jaar met een verlengingsmogelijkheid van twee jaar ingeval Ajax gebruik zou maken van het onherroepelijke aanbod van Trabelsi. Mijns inziens een juist oordeel van het College van Arbiters op basis waarvan de redenering van de auteur niet opgaat.
De voorspelling van de auteur dat de voetballer de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan opzeggen, zonder dat hij schadeplichtig is, gaat dan ook niet op. Bovendien zal een dergelijke ‘breach of contract’ leiden tot sportieve en financiële sancties op grond van de FIFA Regulations on the Status and Transfer of Players en een (internationale) overschrijving beletten. De Dispute Resolution Chamber, de commissie van arbitrage van de FIFA, heeft herhaaldelijk geoordeeld over de geldigheid van een optiebeding. In een uitspraak van 12 januari 2007 (niet gepubliceerd) heeft de Chamber vijf vereisten geformuleerd waaraan een geldig optiebeding moet voldoen:
1. de mogelijke maximale duur van de arbeidsovereenkomst mag niet excessief zijn (op grond van artikel 18 lid 2 van de FIFA Regulations on the Status and Transfer of Players is de maximale duur vijf jaar);
2. de optie dient een redelijke termijn vóór het eindigen van de lopende arbeidsovereenkomst te worden uitgeoefend (in Nederland vóór 1 april van het laatste contractjaar);
3. het salaris gedurende de optionele contractjaren moet in de originele arbeidsovereenkomst zijn vastgelegd;
4. de club mag niet de macht hebben over de voetballer, dat wil zeggen dat het uitoefenen van de optie door de club de voetballer een duidelijke salarisverhoging moet opleveren; en
5. het optiebeding moet duidelijk in de originele arbeidsovereenkomst zijn opgenomen, zodat de voetballer bewust is van het beding ten tijde van het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst.
Ook het Court of Arbitration for Sport (CAS) heeft geoordeeld dat een optiebeding geldig is, mits de voetballer in alle vrijheid heeft getekend en er, ex tunc getoetst, reële afspraken zijn gemaakt. Volgens het CAS is een optiebeding niet geldig indien de voetballer onder de druk van de omstandigheden geen gelijke onderhandelingspositie had en geen voordeel heeft bij het optiebeding NOOT 2).
Ten slotte: zoals opgemerkt, deel ik het oordeel van het College van Arbiters in de zaak Ajax / Trabelsi wat betreft de objectief bepaalbare contractduur van de arbeidsovereenkomst. Ik plaats wel om een andere reden een vraagteken bij het oordeel van het College van Arbiters van de KNVB. Indien een voetballer en een club een arbeidsovereenkomst voor de duur van drie jaar aangaan en daarbij twee optionele jaren overeenkomen, dan zijn de voetballer en de club feitelijk een arbeidsovereenkomst voor de duur van vijf jaar overeenkomen met dien verstande dat de club de voetballer na drie jaar op straat kan zetten door simpelweg de optie niet uit te oefenen NOOT 3). Dit is regelrecht een omzeiling van het ontslagrecht.
NOTEN:
1. College van Arbiters KNVB 4 juni 2004, JAR 2004 / 239.
2. Court of Arbitration for Sport 10 oktober 2006, JIN 2007 / 194
3. Zie ook: A.F. Bungener en E. Verhulp, ‘De eenzijdige verlengingsoptie in de arbeidsovereenkomst’, ArbeidsRecht 2004 / 12, p. 12 – 13.
Frank ter Huurne is werkzaam als arbeidsrechtadvocaat bij Lexence. In die hoedanigheid houdt hij zich vooral bezig met (collectieve) ontslagprocedures. Daarnaast legt Frank zich in het bijzonder toe op het arbeidsrecht in de sport. Frank heeft een uitgebreide proceservaring, zowel bij de ‘gewone’ rechter als arbitrale colleges. Zijn cliënten zijn (internationale) ondernemingen en statutaire directeuren. In de sportwereld begeleidt Frank topsporters, voetbalclubs en sportbonden. Voor meer informatie: 020-573 6839, 06-1096 0633 of f.ter.huurne@lexence.com
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.