18 november 2014
Opinie
door: Michiel Maas
De afgelopen periode zit ik geregeld met collega’s van andere sportbonden en van NOC*NSF om de tafel om te praten over ledenbinding. Hoe binden we leden? Hoe kunnen we blijven groeien? In al deze gesprekken wordt mij iedere keer duidelijk dat de huidige aanpak niet werkt. Met name het verhogen van de sportparticipatiegraad is een lastige kwestie. Het goede nieuws is dat iedereen graag wil, maar om ook daadwerkelijk iets voor elkaar te krijgen moeten we niet alleen anders denken, maar ook anders doen!
Waar gaat het ook al weer om? De gezamenlijke bonden en bijbehorende achterbannen, de verschillende ministeries en de overkoepelende organen als NOC*NSF hebben met elkaar twee grote doelen geformuleerd op de sportagenda. De eerste is de Top 10-ambitie. Deze is bij velen bekend. De afgelopen jaren zien we daar ook een grote ontwikkeling: veel medailles en structureel meer kampioenen. 2014 is het succesvolste sportjaar ooit voor de Nederlandse topsport! Het tweede grote doel is de +10% sportparticipatie. Iedereen is er wel mee bekend, maar het lukt nog niet om daadwerkelijk de groep sporters structureel en met een flink percentage in Nederland te vergroten.
Een belangrijke reden waarom de huidige strategie niet werkt, is dat het samenwerken tussen de bonden niet goed van de grond komt. Iedereen is trots op zijn of haar eigen sport en wil die ook zo goed mogelijk faciliteren. Iedereen wil wel samen werken, maar het samenwerken komt nog niet tot stand. Er is een eindeloze reeks aan projectteams en klankbordgroepen bezig, maar de slagvaardigheid op het gebied van sportparticipatie is matig en dat is een gemiste kans. Veel aanwezige kennis en kunde wordt niet aan elkaar gekoppeld om samen het verschil te maken.
Ook NOC*NSF is een belangrijke speler in deze grote uitdaging. Op inhoud zitten zij al wel op een vernieuwende lijn, maar ook zij blijven met bijvoorbeeld subsidies nog steeds de modellen volgen van jaren geleden, waardoor bonden steeds weer terugvallen in hun oude denkmodel: eigen leden en eigen inhoud eerst, daar is immers de subsidie aan gekoppeld. De relatie tussen bond, sporter en aanbieder is veranderd ten opzichte van een aantal jaar geleden. Vroeger was de enige aanbieder de club. We leven in een consumentenmaatschappij en nu kun je als sporter veel meer zelf bepalen waar je je sport beoefent.
De club is daarbij een optie, maar buiten de georganiseerde sport komen er steeds meer mogelijkheden om ook als sporter actief te zijn. Vaak is de flexibiliteit groter, is de stap om te beginnen laagdrempeliger en het past daarmee vaak beter in de behoefte van de sporter. De rijkdom van de georganiseerde sport is veel waard. Maar de ingebakken starheid belemmert het voorzien in de behoefte van de sporter. Zolang budgetten afhangen van ledenaantallen en zolang ieder alleen zijn eigen sport centraal stelt, remt dit de samenwerking.
Iedereen is keihard bezig met het overbrengen van de perceptie van meerwaarde aan leden die lid zijn van een club, maar vele bonden zitten in zwaar (financieel) weer als het gaat om ledenaantallen. Een ander plan is dus echt noodzakelijk. Daarvoor is het hard nodig om als bond zo dapper te zijn om over je eigen sport heen te kijken. We denken te traditioneel en schuiven te weinig op richting het belang van de sporter zelf en de functie van de bond daarbij. Wat wil de sporter eigenlijk? Waar ben ik goed in als sportbond? Waar kan ik onderscheidend of juist aanvullend zijn bij een andere bond? Willen we echt met elkaar die tien procent meer sportparticipatie genereren, zullen we buiten de geëigende paden moeten denken. Vijf uitgangpunten helpen daarbij.
Ten eerste is de groep mensen die loyaal is aan de sport, groter dan de huidige groep leden van een bond. Natuurlijk behouden bonden de leden zoals we die nu kennen, maar het gaat verder dan dat. De groep wordt uitgebreid met betrokkenen en geïnteresseerden. Sporters zouden misschien wel individueel verbonden kunnen worden aan een bond of sporters zonder binding via een club zouden actief kunnen deelnamen aan activiteiten en evenementen. Als iemand geïnteresseerd is in een sport kunnen wij als bonden de sporter verleiden tot sporten, bij welke sport dan ook.
Ten tweede moeten we de financiële kant van de zaak anders benaderen. Als we als sport de groep waarop we ons richten, uitbreiden naar sporters en sportgeïnteresseerden, worden meerdere verdienmodellen mogelijk. Contributie blijft een belangrijk deel van de omzet, maar er komen meer omzetstromen. Denk aan de ‘verkoop’ van losse producten, evenementbezoekers en deelnamegeld aan wedstrijden/activiteiten. In een ultiem model kan op deze manier de vaste contributie voor de sporters, die gebonden zijn aan een club, omlaag.
Clubs blijven ten derde heel belangrijke sportaanbieders: zij zijn de spin in het web. Maar er zijn ook andere aanbieders waar sporters hun sport kunnen beleven, zoals kinderdagverblijven, basisscholen, revalidatiecentra en commerciële sportscholen. Ook zijn er steeds meer sporten die zich minder makkelijk in clubverband laten organiseren. Daar moeten we onze organisaties op gaan inrichten. Voor clubs blijft een grotere meerwaarde bestaan, omdat zij door zich aan te sluiten weliswaar een hoge vaste bijdrage kennen, maar daar staat een lagere incidentele bijdrage tegenover.
Ten vierde moeten we het traditioneel sportaanbod doorbreken als dat nodig is, om passend aanbod te creëren. We moeten ons niet laten beperken door alleen te denken binnen de richtlijnen die horen bij een discipline of sporttak. Als een groep behoefte heeft aan bijvoorbeeld een combinatie van twee sporten dan moet dat mogelijk zijn. Immers, de sporter staat centraal en niet de richtlijnen die ooit bedacht zijn.
We moeten tot slot een herstart maken en continu leren van wat we aan het doen zijn, luisteren naar de sporters en sportaanbieders en succesvol beleid doorontwikkelen. Daarbij is samenwerken als bonden essentieel. Dat kan ook betekenen dat we sporters ‘delen’ of aan elkaar ‘overdragen’ om de sporter in zijn veranderende behoefte te kunnen blijven voorzien. Het betekent ook dat het minder uitmaakt of iemand lid is van een club, als we als bonden maar weten wie de mensen zijn en waar hun behoefte liggen. Het gaat dus om structureel mensen verbinden in plaats van het verzorgen van lidmaatschappen. Voor NOC*NSF, VWS, NISB en betrokken partijen betekent dat ook iets. Subsidies zullen anders verdeeld moeten worden, de ondersteuning zal anders ingericht moeten worden en de regierol komt veel meer bij de sporter zelf te liggen.
Willen we de additionele tien procent sportparticipatie echt bereiken, dan moet het beleid ten aanzien van ledenbinding veranderen. Natuurlijk is dat traject spannend. Het vraagt creativiteit, vasthoudendheid en vermogen om te anticiperen. Alleen een andere denkwijze is niet voldoende, ga samenwerken!
Michiel Maas is Master of Science in beleid en organisatie in de gezondheidswetenschappen. Hij is werkzaam als Manager Sportparticipatie bij de KNGU. Michiel is verantwoordelijk voor het binden, boeien en behouden van leden, het sportaanbod met bijbehorende events, alle wedstrijdsport en het meerjarenbeleid rondom sportparticipatie. Eerder werkte Michiel voor de KNRB en als projectleider bij NOC*NSF. Voor meer informatie: 06-5288 8741, maas@kngu.nl, www.kngu.nl
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.