Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
Een ministerie van sport of een sportminister

Een Ministerie van Sport of een Sportminister?

27 april 2010

Opinie

Integratie of segregatie

door: Anton J. Geesink

‘Nederland moet na de verkiezingen een minister van sport krijgen’, dat is de boodschap uit vooral kringen van buiten de georganiseerde sportwereld. Op dit moment kan ik niet anders dan vaststellen dat hier sprake is van kretologie. Ik heb daar minimaal drie motieven voor.

1. De eisers
Het bevreemdt mij dat de boodschap dat ‘we’ een sportminister zouden moeten krijgen voor een belangrijk deel komt uit de koker van ‘nauwelijks georganiseerden’. Het is in Nederland mode dat zij schieten op bestaande organisaties. Niet zelden bedienen zij zich van BN-ers (oud-atleten, businessmen en captains of industry) die ze rond zich verzamelen en die dan met alle kracht roepen hoe goed die oudgedienden zijn in nieuw te creëren functies. De initiatiefnemers hopen er een betaalde job aan over te houden en de mensen rond hen hopen vanuit het principe ‘voor wat, hoort wat’ ook hun voordeel er mee te doen als betrokkene die nieuwe job krijgt.

2. Politiek aspect
Zowel een minister als een staatssecretaris zijn in feite ‘ships passing in the night’. Steeds meer moet ik vaststellen dat zij ‘slechts’ de uitvoerders zijn van een regeerprogramma dat is overeengekomen tijdens coalitiebesprekingen of - zoals u wilt - de uitvoerders van een taakstellende begroting. Zou het nu iets hebben uitgemaakt of wij in de afgelopen jaren een staatssecretaris of minister van sport hadden? Overigens, de staatssecretaris van VWS mag zich in het buitenland minister van sport noemen. Dat is dus ook nog doorslaggevend argument voor het hebben van een staatssecretaris van sport in plaats van een minister.

Ook het aspect van beperkt beschikbare tijd omdat de aandacht moet worden verdeeld, speelt geen rol. Ik heb nog nooit gehoord dat iemand een staatssecretaris tijdens zijn ambt het verwijt maakte: `Mijnheer of mevrouw de staatssecretaris, u hebt verzuimd uw ongetwijfeld goede dossierkennis aan te vullen met kennis van het sportdossier´. Integendeel. Iedere staatssecretaris werd op handen gedragen voor zijn inzet en sportdossierkennis. En een staatssecretaris heb ik nooit horen zeggen ‘Jammer dat ‘mijn’ minister tegen mijn wens in het thema niet tijdens de wekelijkse ministerraad aan de orde heeft gesteld’.

3. Het eigen voorbeeld in de sport
Toen ik in 1987 gekozen werd tot IOC-lid, was er een NOC en een NSF. Een schoolvoorbeeld van segregatie. Ze leefden in gescheiden werelden. Ik noemde het NOC in mijn eerste beleidsplan een veredeld reisbureau - een sleeping beauty - dat eens in de vier jaar een afvaardiging naar Olympische Spelen zond. Daarnaast functioneerde de NSF. Soms leek het erop dat beiden maar één doel voor ogen hadden namelijk het erop letten dat ze niet op elkaars terrein kwamen.

In diezelfde periode koos ikzelf voor het steken van mijn energie als de IOC-vertegenwoordiger in Nederland in de breedtesport, schoolsport en sportontwikkeling. Mijn motief daarbij was dat gemakkelijker mensen gevonden worden om topsport te leiden dan sportontwikkeling. Dat deed ik samen met de academies voor Lichamelijke Opvoeding, de CIOS-en en sportbonden met een aantal vrijwilligers in de Stichting Nederlandse Schoolsport. Met een budget van 25.000 guldens organiseerden wij tegen alle stromen in schooltoernooien op regionaal en nationaal niveau in pakweg vijfentwintig takken van sport. We hebben dat zolang gedaan tot de KVLO de aanpak institutionaliseerde. We hadden destijds nog geen Olympic Day Run, we hadden geen Olympische Academie en we hadden geen enkele band met het onderwijs. Het kwam er allemaal, inclusief een Mobiele Olympische Academie, die scholen en evenementen bezocht.

Ik ben ervan overtuigd dat deze aanpak op heel natuurlijke wijze eraan bijdroeg dat NOC en NSF bij elkaar werd gebracht in de fusie van 1993. Anno 2010 werken wij nog steeds volgens deze integratie-aanpak.

Dat is een voorbeeld uit de rijke historie. Maar er zijn ook zeer recente voorbeelden van de integratie gedacht binnen NOC*NSF te vinden. Afgelopen jaar werd in het kader van de reorganisatie van NOC*NSF en de nieuwe technisch directeur gekeken naar de mogelijkheid de verantwoordelijkheid voor Olympische Zomerspelen en Winterspelen te splitsen. Inmiddels is de kogel door de kerk: het blijft de verantwoordelijkheid van de technisch directeur voor beiden (integratie).

En NOC*NSF schafte vanuit de gedachte van integratie het principe af dat elk bestuurslid zijn/haar eigen portefeuille had.

Mijn visie
Tot nog toe vind ik de oproep om een minister van sport in plaats van een staatssecretariaat niet actueel. Zolang er geen uitvoerige studie naar is gedaan, zou ik inzetten op de partijpolitieke aandacht voor de sport in de verkiezingsprogramma’s en na de verkiezingen proberen enige invloed uit te oefenen op het regeerakkoord. Daar wordt de ‘wat’-vraag voor een belangrijk deel bepaald. De waarde en kracht van het lid van de regering dat met de uitvoering wordt belast ligt vervolgens in het ‘doen wat we hebben afgesproken’. En daar heb je krachtige mensen voor nodig; mensen met persoonlijkheid. Dan maakt het verder niet zoveel uit of ze zich alleen in het buitenland of ook in Nederland minister van sport mogen noemen.

Eerder zou ik - we vinden netwerken zo belangrijk - willen kijken aan welk ministerie ‘sport’ wordt gekoppeld. Gezien de toenemende samenhang tussen ‘sport en onderwijs’ zou dat ook niet verkeerd zijn. Maar dat wil niet zeggen dat de huidige koppeling helemaal verkeerd is. Ik zeg dat vanuit mijn overtuiging en lidmaatschap van de IOC Sport for All Commissie, waarvoor ik zojuist herbenoemd ben. In die commissie staat het recht van ieder om te sporten en de volksgezondheid samen met de educatieve waarde van sport centraal. Wij werken daarin samen met de Verenigde Naties (onder leiding van secretaris-generaal Ban Ki-moon en de aan de VN verbonden World Health Organisation) En die aanpak van onze commissie raakt zowel het Ministerie van Onderwijs als dat van VWS.

Een gedegen krachtveldanalyse, waarbij ‘voors en tegens’ naast elkaar worden gelegd, dient vooraf te gaan aan een conclusie. Daarbij zou ik het meer dan wenselijk vinden als de regeringsfunctionaris belast met de portefeuille sport een dermate krachtige persoonlijkheid is dat hij/zij werkt vanuit persoonlijke overtuiging. Mensen die werken vanuit persoonlijke overtuiging leiden hun macht niet af uit hun functie. Zij zien niet hun functie en het regeerakkoord als overtuigend argumentatie voor hun denken en doen, maar hun eigen overtuiging.

Anton J. Geesink is de vertegenwoordiger van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) in Nederland.

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.