17 juni 2008
Opinie
Op 10 juni lanceerde prof. dr Ruud Koning op de site van Sport Knowhow XL een alternatieve aanpak in de dopingbestrijding. Hij bepleit – naast of in plaats van dopingcontroles en tuchtprocedures – een op economische principes gebaseerd borgsomsysteem te introduceren. De gedachte is dat sporters een deel van hun inkomen in een spaarfonds storten en dat ze na ‘dopingvrije’ beëindiging van hun sportcarrière hun ‘inleg’ kunnen gebruiken om een nieuw begin te maken. Wie betrapt wordt, is zijn/haar inleg kwijt. Ik vrees dat het voorstel van Koning in zijn huidige vorm ons niet veel verder zal brengen.
Om te beginnen blijven ook in het borgsomsysteem dopingcontroles onontbeerlijk. Er zal immers op een of andere wijze moeten worden vastgesteld óf een sporter dopingvrij zijn/haar ‘pensioen haalt’ en ik zou niet weten hoe dat anders zou moeten dan door… dopingcontroles. En omdat de rechtspositie van sporters van het grootste belang is, moet ik er vanuit gaan dat ook de contra-expertise (de analyse van ‘het B-monster’) fier overeind blijft. En zelfs daar stopt het niet, want iedere sporter die meent in zijn/haar belangen geschaad te zijn heeft (gelukkig) het recht om een onafhankelijke rechter of arbiter om een oordeel te vragen, dus ook van de tucht- of privaatrechtelijke procedures komen we op deze manier niet af. In essentie komt het borgsomsysteem dan ook neer op een voorstel om het sanctiestelsel en de strafmaat te wijzigen, maar voor het overige de bestaande procedures te handhaven.
Maar mijn bezwaren tegen het borgsomsysteem zitten nog wel een slagje dieper, want Koning vooronderstelt dat sporters hun besluit om al dan niet doping te gebruiken (vooral) baseren op economische overwegingen. Ik meen echter dat dat slechts in een kleine minderheid van de gevallen echt zo is, al doet de berichtgeving over enkele zaken bij topwielrenners en topatleten misschien anders vermoeden.
Het overgrote deel van het dopinggebruik vindt plaats buiten de georganiseerde sport. In en om sportscholen en fitnesscentra gebruiken op dit moment ca. 55.000 mensen doping (vooral anabolica en stimulantia) en nog veel meer mensen hebben ooit gebruikt. Deze gebruikers doen niet mee aan competities of kampioenschappen, en geld verdienen ze al helemaal niet met hun sport. In tegendeel, hun sport kost geld en de kosten van het dopinggebruik komen daar simpelweg bovenop.
Nu kan geredeneerd worden dat het borgsomsysteem binnen de georganiseerde sport wel van waarde zou kunnen zijn. Ik vrees echter dat ook hier de economische wetten niet onverkort opgaan. Topsporters zijn namelijk betrekkelijk zelden grootverdieners, en het grootste deel van de Nederlandse topsporters verdient zelfs weinig of niets aan zijn sport. Voor de meeste A-sporters is het zogenoemde Stipendium (gefinancierd uit een daarvoor door de overheid ingericht fonds) de belangrijkste - en vaak zelfs de enige - inkomstenbron. Geld is in het merendeel van de gevallen niet de reden waarom sporters zich uit de naad trainen, en evenzo is geld niet bepalend voor de vraag of een sporter besluit doping te gaan gebruiken. Het grootste deel van de vastgestelde dopingovertredingen wordt juist begaan door subtoppers voor wie geldelijk gewin al helemaal geen issue is: slechts een enkeling van de 54 Nederlandse sporters die in 2007 werden betrapt op een dopingovertreding was een (inter)nationale topper.
Het borgsomsysteem zou in ons land dan ook hoogstens een extra bijdrage kunnen leveren bij een klein aantal ‘echte’ profsporten (m.n. bij voetballen, tennissen, wielrennen en schaatsen, aangevuld met enkele absolute toppers binnen andere sporten). Financiële overwegingen zullen bij deze groep inderdaad een belangrijke rol spelen, maar ook bij hen blijft het zeer de vraag of dit erg relevant is voor de keuze om al dan niet doping te gebruiken. Onderzoek wijst steevast uit dat andere factoren (veel) belangrijker zijn, met als grootste uitschieters: 1. de persoonlijke norm van de sporter; 2. denkt de sporter dat zijn concurrent gebruikt?; en 3. hoe hoog schat de sporter de pakkans?
Tenslotte: introductie van het borgsomsysteem zou betekenen dat één van de hoofdprincipes van het huidige mondiale beleid (harmonisatie van procedures, regels en sancties voor alle sporters in alle landen) zou moeten worden losgelaten. Alleen profsporters worden immers geraakt. Nu kan de redenering zijn dat de sterkste schouders ook de zwaarste lasten moeten dragen, maar de zeer ongewenste keerzijde lijkt mij dat dit een volstrekt verkeerd signaal naar de amateursporten zou zijn: het feit dat van een kale kip toch niets te plukken valt zou dopinggebruik door amateurs feitelijk immers straffeloos maken.
En helemaal tenslotte: in de huidige praktijk is een tendens zichtbaar waarbij dopinggebruikende profsporters toch al in hun portemonnee geraakt worden. Met name in het wielrennen worden via arbeidsrechtelijke weg al zeer forse boetes opgelegd, en worden bovendien renners ontslagen met weinig uitzicht op voortzetting van hun profcarrière. Deze straffen komen bovenop de gewone, verenigingsrechtelijke, benadering van dopinggebruik. Het ziet er dan ook naar uit dat voor een kleine groep ‘echte’ profsporters al economische principes geïntroduceerd worden, maar dan wel met gelijktijdige en volledige handhaving van het bestaande antidopingbeleid.
Herman Ram is vanaf 1 mei 2006 directeur van de Stichting Anti-Doping Autoriteit Nederland. Daarvoor was hij ruim zes jaar directeur van de Nederlandse Ski Vereniging. Eerder was hij directeur van de badmintonbond (van 1994 tot 2000) en de schaakbond (van 1992 tot 1994).
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.