6 juli 2010
Opinie
Koen Breedveld, Froukje Smits, Niels Reijgersberg en Gerard Molleman
Jaarlijks investeert de overheid ruim een miljard euro in de sport. In totaal gaat erin de sector 8,6 miljard euro om. Zo’n 0,2% daarvan wordt besteed aan onderzoek en onderbouwing van beleid. Dat is ver beneden wat landelijk aan kennis en onderzoek wordt besteed (1,7%) alsmede wat in de Lissabon-akkoorden daarover als doelstellingen zijn geformuleerd (3%). Om de doelstellingen van het Olympisch Plan te realiseren zal meer moeten worden geïnvesteerd in kennis en onderzoek. Zowel het uitvoeren van nieuw onderzoek als het verspreiden en vertalen van onderzoeksresultaten naar de praktijk behoeven versterking.
‘Ik ben altijd blij als er tussen mijn vergaderstukken een dik onderzoeksrapport zit, dan heb ik weer iets dat ik kan overslaan’. ‘Het aantal nieuwsbrieven is niet meer bij te houden’. Degenen die beleidsmatig werkzaam zijn in de sport zullen deze quotes bekend voorkomen. De paradox van het sportbeleid en –onderzoek is dat er enerzijds onderzoek plaatsvindt dat niet gelezen wordt, en dat anderzijds sportbeleid wordt geformuleerd dat niet of nauwelijks gebaseerd wordt op voorafgaand onderzoek. Wie welke positie verdedigt laat zich raden aan de hand van de positie die men inneemt in het veld. Onderzoekers klagen over het gebrek aan interesse vanuit het beleid voor het werk dat ze afleveren, beleidsmakers dat ze in die berg aan gegevens nooit kunnen vinden wat hen interesseert. De sport is een wereld van doeners, niet van denkers.
Nieuw is deze discussie allerminst. Vierendertig jaar terug - in 1976 - werd ook al eens onderzocht hoe het sportonderzoek meer kon aansluiten bij de praktijk. Na een uitgebreid, twee jarig onderzoek leidde dat toen tot de formulering van 37 prioritaire onderzoeksthema’s. Daaronder - onder meer - ‘professionalisering van kader’, ‘spelverruwing’ en ‘optimalisering van gebruik van sportaccommodaties’. Some things never change, klaarblijkelijk.
Gelukkig is er ook verandering. De tijd heeft inmiddels wel antwoord gegeven op het destijds relevant geachte vraagstuk van de ‘bestaansrecht van de sportvereniging’. En verder zal niemand in deze tijd van presteren en excelleren nog snel spreken van een ‘topsportproblematiek’.
Wat ook is veranderd, is het sportonderzoek zelf. Er vindt ontegenzeggelijk meer sportonderzoek plaats dan in de jaren zeventig. Anno 2010 telt de sport elf sporthoogleraren en zeventiem sportlectoren. Met InnosportNL, het W.J.H. Mulier Instituut, NISB en het Loso (bundeling van het onderzoek van de universitaire medische centra) kent de sport een mooie baaierd aan kennisbevorderende organisaties. Ook kenden we in 1976 nog geen Rapportages sport, geen vaktijdschriften als Sport en Strategie en geen wekelijkse elektronische nieuwsbrieven als van Sport Knowhow XL.
Tegelijkertijd lijken sportbeleidsmakers en -onderzoekers nog steeds om elkaar heen te draaien als geblinddoekte kleuters op een kinderfeestje. Dat suggereert welhaast dat alle getrooste moeite voor niets is geweest, maar wie die conclusie trekt miskent de dynamiek in de sport. Dat afstemming van onderzoek en de praktijk nog steeds een issue is, zegt vooral iets over het gestegen ambitieniveau van de sport. We willen meer van en met de sport. De sportdeelname moet naar 75%, de maatschappelijke betekenis van de sport moet groter worden en beter op het netvlies komen – lees: vertaald worden in euro’s – we willen meer evenementen, een groter publiek dat interesse heeft in meer takken van sport, en meer talenten die minder snel afhaken en vaker doorstoten naar de top.
Dat is nogal een lijstje. Om die waslijst aan doelstellingen te bereiken is beleid nodig en moeten strategieën worden ontwikkeld. Dat vraagt om kennis en onderzoek: cijfers over waar we nu staan en inzichten over waar en hoe er zinvol kan worden ingegrepen. Het sportbeleid heeft een hoge vlucht genomen, maar het onderzoek is daar maar ten dele in meegegroeid. De nieuwe informatie- en communicatietechnologieën hebben daarbij gezorgd voor meer en snellere verspreidingskanalen, maar ook voor wildgroei, en een overstelpend aanbod van meer en minder bruikbare informatie.
Het Olympisch Plan - en het kabinetsstandpunt daarop - vormen de krachtigste impuls die de sport sinds jaren heeft gekend. Het plan vormt een appel aan de sport om te professionaliseren, zich te bezinnen op wat ze vermag en hoe dat te bereiken. Veel keus heeft de sport hier trouwens niet in. Andere sectoren – de gezondheidszorg, het onderwijs, de ruimtelijke ordening, leisure industry – hebben die trajecten al lang geleden doorgelopen. Cycli van onderzoek en analyse, beleidsvorming, implementatie en evaluatie zijn daar heel gewoon. Wil de sport zich met dergelijke partners kunnen meten en inlaten dan zal ze in die professionaliseringsslag mee moeten gaan. Dan zal er meer moeten worden geïnvesteerd in de productie van kennis en onderzoek en in de vertaling en toepassing daarvan in de praktijk.
Voorbeelden van hoe het anders kan, zijn er te over. In de cultuur en in de gezondheidszorg is men al heel gewoon om te werken met vierjaarlijkse cycli van beleidsvoering, en daar de fasering van het onderzoek op af te stemmen. De gegevens die daaruit voortkomen worden snel en toegankelijk gepubliceerd via sites als het Nationaal Kompas voor de Volksgezondheid. De ruimtelijke ordening kent zijn eigen pendant daarvan in het Compendium voor de leefomgeving. In het Verenigd Koninkrijk wordt onderzoek over de maatschappelijke betekenis van sport stelselmatig verzameld en voor iedereen zichtbaar gemaakt in een Value of sport monitor. Niet dat we in Nederland niets doen of niets presteren. Het Nederlandse sportonderzoek is van hoge kwaliteit en kan zich in meerdere opzichten meten met de internationale top. Maar de eens in vier-jaar-enquête (!) die het Sociaal en Cultureel Planbureau kan verrichten onder ruim 10.000 respondenten is toch van een andere orde dan de Active people survey in het Verenigd Koninkrijk, waar jaarlijks (!) 360.000 (!!) burgers worden ondervraagd over hun sport- en beweeggedrag - 1000 inwoners per gemeente.
Wil de sport zijn ambities realiseren, dan ontkomt ze er niet aan om meer te investeren in de kennisinfrastructuur van de sport. In de Kennisagenda sport 2011-2016 *) stellen we voor om:
1. Vijf onderzoeksprogramma’s in te richten rond de thema’s van het Olympisch Plan (Vitaal Nederland, Meedoen, Talentvol, Kaart van Nederland, Nederland in beeld) en daarbinnen onderzoek te doen naar zeven hoofdthema’s (monitoring en databanken; verdiepingsvraagstukken; maatschappelijke betekenis van sport; sport en ruimte; duurzame participatie in sport en bewegen; nieuwe actoren en innovatieve concepten; en talentontwikkeling en presteren).
2. Het verspreiden een kwaliteitsimpuls te geven (doorontwikkeling van bestaande nieuwsbrieven, helpdesks en platformen; organiseren van expertmeetings, congressen; uitloven van prijzen aan onderzoekers en/of aan uitgevers et cetera).
3. Een hoogwaardig online informatie systeem (Sportkompas) te ontwikkelen, waar gezaghebbende partijen hun belangrijkste informatie en gegevens over sport bijeenbrengen, wegen, filteren en waar nodig vertalen.
4. Een nationaal sportscience instituut op te richten om het onderzoek naar prestatiebevordering te coördineren.
5. Doorstromen van kennis te bevorderen door te investeren in kennistransferplaatsen (academische werkplaatsen, ‘embedded researchers’, ‘fieldlabs’).
6. Beleidsmakers meer onderzoekswijs te maken door te investeren in ‘capacity building’, bijvoorbeeld via een tijdelijke impuls voor bij- en herscholing van sportbeleidsmedewerkers.
7. Te investeren in het academisch borgen van kennis (leerstoelen, promotietrajecten, lectoraten, kenniskringen) op belangrijke domeinen waar dit nu grotendeels ontbreekt, met name: sporteconomie, sport en ruimte, sportmarketing/-evenementen, bewegingsonderwijs, sportpsychologie, coaching.
Verwacht wordt dat de totale ontwikkeling van dit programma een additionele investering vergt van minimaal 50 miljoen euro in zes jaar. Met een dergelijke investering kan Nederland een hoog ambitieniveau realiseren op het kennis- en onderzoeksterrein. Dat is een belangrijke voorwaarde om de ambities van het OP2028 te realiseren, en op termijn mogelijk de Olympische Spelen in 2028 naar Nederland te halen.
*) Breedveld, K., G. Molleman, F. Smits, N. Reijgersberg (2010). Kennisagenda sport 2011-2016. ’s-HertogenboschDen Haag: WJH Mulier Instituut Zon MW. Voor het onderzoek zijn 58 beleidsmakers en 25 onderzoekers uit het brede veld van de sport in twee rondes geïnterviewd. De uitkomsten uit die interviews zijn tijdens een expertmeeting aan een selectie van de geïnterviewden voorgelegd, en via een schriftelijke consultatieronde aan alle overige geïnterviewden.
Koen Breedveld, Froukje Smits en Niels Reijgersberg zijn werkzaam bij W.J.H. Mulier Instituut. Gerard Molleman werkt bij bureau Maat.Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.