Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
De vraag van wilfred van buuren aan pieter breuker

De vraag van Wilfred van Buuren aan Pieter Breuker

17 januari 2012

Opinie

De vraag van… Wilfred van Buuren, medewerker van GUTS, ofwel Gay Union Through Sports (voorheen stichting Homosport Nederland genaamd) en specialist op het gebied van sportgeschiedenis en sportarchieven
Aan… Pieter Breuker, voorzitter van de Sportwereld

De vraag
Nederland heeft een mooi en interessant sportverleden. Hoe is de stand van zaken wat betreft de beoefening van sportgeschiedenis in Nederland?

Het antwoord
Beste Wilfred,

Je hebt een relevante en interessante, maar tegelijk ook veelomvattende vraag gesteld. Weet dat ik me in het onderstaande - op het oog wat lang uitgevallen antwoord - toch heel erg heb moeten beperken.

Het wetenschappelijke onderzoek naar de sportgeschiedenis van Nederland is laat op gang gekomen, zeker in vergelijking met de gang van zaken in ons omringende landen als België, Duitsland en Frankrijk. Gelukkig is er langzamerhand een voorzichtige kentering. Die komt ook tot uiting in de publieke belangstelling voor sportgeschiedenis. Volgens een recent onderzoek van Fons Kemper van het Mulier Instituut heeft in 2011 maar liefst 48% van de Nederlandse bevolking tussen de 15 en 80 aantoonbare interesse in het onderwerp laten zien.

Het onderzoek naar de sportgeschiedenis van Nederland is lang een journalistieke aangelegenheid geweest. In feite loopt deze traditie - waarvan de oorsprong rond 1900 ligt - nog steeds door. Als recent voorbeeld daarvan geldt De sportcanon. De sportgeschiedenis van Nederland (2011), een project van de sportredactie van de Volkskrant.

Het wetenschappelijk onderzoek is niet alleen laat, maar ook traag op gang gekomen en het had bovendien lange tijd een incidenteel, persoonsgebonden karakter. Ter illustratie noem ik een drietal voorbeelden: Johan Huizinga. Homo ludens (1936), C.G.M. Miermans. Voetbal in Nederland. Een onderzoek naar de maatschappelijke en sportieve aspecten (1955) en J.J. Kalma. Kaatsen in Friesland. Het spel met de kleine bal door de eeuwen heen (1972). Pas vanaf de jaren ’70 heeft het wetenschappelijk onderzoek een belangrijke impuls gekregen door het werk van twee historisch georiënteerde sociologen. Het gaat om Ruud Stokvis met: Strijd over sport. Organisatorische en ideologische ontwikkelingen (1979) en De sportwereld. Een sociologische inleiding (1989) en om Maarten van Bottenburg met: Verborgen competitie. Over de uiteenlopende populariteit van sporten (1994).

Vanaf het eind van de vorige eeuw wordt het sporthistorisch onderzoek in Nederland ook door sporthistorici ‘pur sang’ beoefend. In dit verband noem ik: André Swijtink. In de pas. Sport en lichamelijke opvoeding in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog (1992), Wilfred van Buuren en Theo Stevens. Sportgeschiedenis in Nederland (1998) en: Wilfred van Buuren en Peter-Jan Mol. In het spoor van de sport. Hoofdlijnen uit de Nederlandse sportgeschiedenis (2000). Een uitermate nuttig overzicht van alle sporthistorische onderzoek in Nederland tot 2006 geeft Wilfred van Buuren (m.m.v. Peter Los en Nico van Horn) (red.). Bibliografisch apparaat voor de Nederlandse Sportgeschiedenis (2006).

Van recente datum ook zijn wetenschappelijke sporthistorische congressen (waarvan de resultaten steeds zijn gepubliceerd). Het betreft ‘Sportgeschiedenis in Nederland’ (1997), ‘Sporthistorie tussen feit en mythe’ (2004) en ‘Friese sport. Tussen traditie en professie’ (met duidelijke verbindingen met nationale thema’s).

Ook vanaf het eind van de 20ste eeuw ontstond een meer georganiseerde aandacht voor sportgeschiedenis. In dit verband moet vooral de in 1995 opgerichte stichting de Sportwereld worden genoemd. Deze organisatie telt ongeveer 130 donateurs, heeft een eigen website (www.desportwereld.nl) en een eigen tijdschrift (de Sportwereld). Daarvan zijn intussen 62 nummers verschenen. de Sportwereld is op weg uit te groeien tot een volwaardig sporthistorisch tijdschrift. Een stimulans in die richting is de beoogde samenwerking met Sportimonium - het sporthistorische tijdschrift in Vlaanderen - en met de afdeling Historische Kinesiologie en Sportgeschiedenis van de KULeuven. Overigens wordt sporthistorisch onderzoek ook steeds meer digitaal gepubliceerd. Naast de al genoemde website www.desportwereld.nl is www.sportgeschiedenis.nl van de sporthistorici Micha Peters en Jurryt van de Vooren het vermelden waard. Een bron voor kwantitatieve en vooral ook statistische data vormt de (alleen tegen betaling toegankelijke) website www.infostradasports.com (ook voor gegevens buiten Nederland).

Van nog recenter datum, maar van doorslaggevende betekenis voor de toekomst van het wetenschappelijke onderzoek naar sportgeschiedenis is de institutionele bemoeienis met het wetenschapsgebied. Een voorlopig hoogtepunt vormde de instelling in 2004 van de (bijzondere) leerstoel voor sportgeschiedenis aan de VU (sinds 2008 overigens om ondoorzichtige redenen vacant). Positief is ook de (landelijke) ‘Dag van het Sportonderzoek’ (sinds 2010, onder auspiciën van het Mulier Instituut). Weliswaar staan sportbeleid en sportontwikkeling daarop centraal, maar er is ook ruimte voor sportgeschiedenis.

Tot zover het positieve nieuws. Voorgaande schets laat zien dat het veld in beweging komt en dat is verheugend. Toch moet er nog veel gebeuren. Ik beperk me tot enkele kernzaken:

1. het verder institutionaliseren van sportgeschiedenis, met name op de universiteit. Naast het aanstellen van hoogleraren en vakdocenten heeft het opzetten van onderzoekprogramma’s een hoge prioriteit. Op dit moment wordt er op institutioneel niveau (Mulier Instituut, Huygens ING en de Sportwereld) gewerkt aan het samenstellen van een breed onderzoekprogramma;

2. het samenwerken met verwante disciplines (bijvoorbeeld geschiedenis, cultuurgeschiedenis, sociologie, bewegingswetenschappen), ook in internationaal verband (bijvoorbeeld met de KULeuven);

3. het opzetten van een professioneel sporthistorisch tijdschrift (op basis van de Sportwereld en Sportimonium);

4. het regelmatig (één- of tweejaarlijks) organiseren van een sporthistorisch congres;

5. het opzetten van digitale databanken. Een goed begin vormt de in 2011 geopende Databank Sportbonden, sportclubs en sportperiodieken in Nederland tot 1940, samengesteld door Michel van Gent van het Huygens ING (te raadplegen via www.historici.nl). De beschreven sporten zijn voetbal, gymnastiek, hockey, korfbal, schaken en tennis, met ongeveer 14.000 records.

Sporthistorici kijken beroepsmatig terug, maar ze kunnen eindelijk ook vooruitblikken. Ze hebben naast een verleden nu ook een toekomst.

Volgende keer de vraag van Pieter Breuker aan Koen Breedveld, directeur Mulier Instituut:
In hoeverre is het in Nederland gelukt om etnische minderheidsgroepen actief aan sport te laten deelnemen?

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.