21 september 2010
Opinie
De
vraag
Heel veel talent redt het niet. Wat zijn volgens jou de
oorzaken? Wordt het talent onvoldoende herkend of onvoldoende begeleid of zijn
er nog andere duidelijke oorzaken aan te wijzen. Wat zijn volgens jou de juiste
criteria bij het vinden en ontwikkelen van talent?
Het antwoordTalentidentificatie
en talentontwikkeling zijn actuele items, mede doordat in internationale studies
wordt aangegeven dat daar nog veel winst valt te behalen in de internationale
concurrentiestrijd van de topsport. Zelf ben ik niet zo van het
concurrentiedenken maar meer van de continue verbeteringen als centraal concept
in de topsport. Ik wil dan ook ingaan op de mogelijkheden tot verbetering van
talentherkenning en talentontwikkeling in Nederland.
Om te beginnen wil ik enkele kanttekeningen plaatsen bij de opening van je vraag ‘Heel veel talent redt het niet’. Daarbij wil ik ten eerste wijzen op de onduidelijkheid rond het label ‘talent’. Het label talent wordt toegekend door verenigingen, sportbonden, gemeenten, sportraden, Olympische Netwerken, scholen, coaches, ouders, ooms en tantes, journalisten, enzovoort. Ook in wetenschappelijk onderzoek en publicaties vind ik uiteenlopende onderzoeksgroepen variërend van ‘regionale selecties’ tot ‘spelend in hoogste landelijke jeugdcompetities’, of ‘deelnemers aan Nationale Kampioenschappen’. Waar ik op wil wijzen is dat naarmate de definitie ruimer wordt gekozen en de groep groter is, het aantal afvallers ook groter zal zijn.
Ten tweede kunnen we constateren dat we het eigenlijk in Nederland al heel goed doen als we kijken naar het aantal topsporters met prestaties in de mondiale top acht gerelateerd aan het aantal inwoners. Kennelijk vinden we veel talent en/of weten we ze vrij goed te ontwikkelen. Ik denk dat de voornaamste oorzaak is gelegen in het dichte netwerk van verenigingen en sportcompetities en de hoge deelnamegraad bij de jongste jeugd. Vervolgens is het voor sportbonden in een klein land als Nederland makkelijk alle goed presterende talenten in hun sport te volgen en bij elkaar te brengen voor trainingen of wedstrijden.
Dan stap ik echter ook gelijk over op de ruimte voor verbetering en wil daarbij enkele thema’s kort toelichten. Feitelijk begint het met het onderkennen dat er geen standaardantwoorden zijn voor alle sporten. De karakteristieken per sport verschillen zeer. Prestatiebepalende factoren, de invloed van groei en ontwikkeling, spreiding en populariteit in Nederland, mondiale concurrentie, team, ploeg of individuele sport, specifieke kenmerken van denksporten enz. enz. bepalen elk dat er per sporttak zeer verschillende knelpunten en oplossingen zijn.
Fysiek analfabetisme
Laat ik beginnen met de fysieke
variant van het leren lezen en schrijven, ofwel het ‘fysieke alfabet’. We weten
al lange tijd dat onze jeugd het fysieke alfabet niet meer beheerst en deze vorm
van fysiek analfabetisme vinden we kennelijk in Nederland acceptabel. Dit
alfabet, ofwel de basisvormen van bewegen, is een voorwaarde voor het ontdekken
van het plezier aan spelen en bewegen als basis voor een leven lang sporten.
Waarom lukt het ons niet al onze schooljeugd dagelijks een uurtje te laten
sporten? Betere leerprestaties, vele positieve gezondheideffecten en nog een
lange lijst van voordelen zijn onderzocht en beschreven. Deze overstijgen verre
de belangen voor talentontwikkeling en topsport maar ook daar zijn de voordelen
evident, door de bredere basis en speelervaring worden plezier en aanleg ervaren
en ontdekt door het kind zelf, de ouders en leerkrachten.
Scouten versus selecteren
Sportbonden blijken in de
praktijk overwegend te selecteren op prestatieniveau maar weten dat
prestatieniveau nog niet goed te wegen in relatie tot biologische leeftijd,
ontwikkelruimte en dus toekomstpotentieel. Na een eerste selectie worden
periodiek her-selecties gemaakt waarbij ‘achterblijvers’ afvallen en ‘inhalers’
worden toegevoegd. In sporten waarin de prestatiebepalende factoren grotendeels
afhankelijk zijn van groei en ontwikkeling is de in- en uitstroom dan ook groot.
Een bekend verschijnsel dat hiermee samenhangt is het geboortemaandeffect
(invloed van de geboortedatum op wel of niet geselecteerd worden op jonge
leeftijd). In teamsporten of ploegonderdelen kan bovendien de positie of het
specialisme dat nodig is voor het team talenten af laten vallen omdat ze niet in
hun ‘voorkeur’ worden ontwikkeld. Ook de vroege keuze voor een vereniging en
daarmee voor een bepaalde sport kan voor Nederland in ons nadeel werken. Coaches
en sportbonden zullen dus bijvoorbeeld in wedstrijdstructuur, scouting- en
selectiemethoden en doorstroommodellen deze valkuilen moeten compenseren.
Mate van aanleg
We kijken volgens mij nog te veel naar
sporters met ‘bovengemiddelde aanleg’ en mijden door grote selecties de risico’s
iemand over het hoofd te zien. We zijn erg gefocust op incidenten die aantonen
dat iemand op jonge leeftijd als middelmatig werd gezien maar later toch de
absolute top bleek te halen. Ik betwijfel niet dat er lessen in deze incidenten
zitten maar opmerkelijk is hierbij natuurlijk dat al deze voorbeelden het altijd
wel hebben gehaald! De overgrote meerderheid van de succesvolle topsporters
toont extreme waarden op beslissende kenmerken.
Talentscouting zou zich volgens mij meer op die extreme waarden en die onderscheidende kenmerken moeten richten. Daarvoor zullen we deze kenmerken - of set van kenmerken - per sporttak of specialisme beter moeten identificeren en definiëren. Vervolgens kunnen we per sporttak een effectieve scouting of identificatiestructuur organiseren.
Doorstroom van talenten is loslaten!
‘Het talent is van
de sporter’ moet in elke sport centraal staan. Hiermee wordt bedoeld dat een
sporter ten allen tijde zelf beslist wat hij met zijn of haar talent wil doen,
bij elke vereniging of bij welke coach. Coaches of verenigingen moeten talenten
niet remmen in de keuze voor een andere coach, vereniging of programma. Dit
gebeurt nog veel onder de vlag van ‘clubtrouw’ of ‘ploeggenoten niet in de steek
laten’ of ‘we hebben je zo ver gebracht en nu...’. Coaches of verenigingen die
zich - vaak met de beste bedoelingen voor de eigen club - van dit soort
argumenten bedienen moeten toch eens goed nadenken wiens belang voorop moet
staan. Iemand die goed is in wiskunde adviseer je om naar de beste universiteit
te gaan en iemand die erg veel aanleg heeft voor viool blijft niet op de
plaatselijke muziekschool hangen, omdat die haar al zo ver heeft gebracht!
Ook coachtalent scouten en ontwikkelen
Het is niet
logisch als we veel gaan investeren in het scouten en ontwikkelen van toptalent
onder potentiële topsporters maar dit niet doen onder potentiële topcoaches of
potentiële talentcoaches. Ik noem beide bewust apart omdat het coachen van
topsporters een ander vakmanschap vereist dan het opleiden van talenten (in het
Engels heet het zo treffend een performance coach en een
development coach). Ik vind de veelgehoorde opmerking dat ‘de beste
coaches met talenten moeten werken’ dan ook niet juist. Je hebt de beste coaches
voor opleidingsprogramma’s voor talenten en de beste coaches voor
topsportprogramma’s. Coaches die beide beheersen zijn eerder uitzondering dan
regel. We hebben in de meeste sporten in Nederland van beide te weinig met
voldoende kennis en ervaring.
Niet meer voor vrijwilligers
Het coachen en ontwikkelen
van talenten vanaf een bepaalde leeftijd en niveau is niet langer geschikt als
vrijetijdsbesteding voor vrijwilligers of parttime coaches. Het herinrichten van
de leef- en trainingssituatie, de grote veranderingen in de leefstijl van jonge
sporters op een kwetsbare leeftijd, de toenemende trainingsbelasting, de langere
periodes van huis, de intensieve combinatie van sport en onderwijs en het soms
al op jonge leeftijd zelfstandig wonen vereisen professionele, fulltime en
vakkundige begeleiding. Ouders en talenten verdienen het om serieus te worden
genomen en moeten kunnen vertrouwen op professionele en vakkundige begeleiding
die voldoende beschikbaar is om goed voorbereid trainingen te geven en optimale
randvoorwaarden te verzorgen. De benodigde omvang van de programma’s en de
complexiteit van het ontwikkelproces vragen onverdeelde aandacht en voldoende
sportechnische en sociale veiligheid!
Organiseer het ontdekken van (het eigen) talent
In het
primair onderwijs kan een algemene screening waarbij de beheersing van
het fysieke alfabet (basis bewegingsvaardigheden) wordt vastgesteld, toetsing
van de beweegnorm (in relatie tot eet en leefpatroon) en bewegingsapparaat. Op
basis hiervan kan een beweeg- of leefstijladvies worden gegeven, een aanvullend
les of voorlichtingsprogramma voor achterstand in basisvaardigheden
(bijvoorbeeld het behalen van een zwemdiploma) of slechte leefstijl gecombineerd
met een advies voor sporten waar het kind meer of minder aanleg voor heeft zodat
de kans op het plezier beleven aan de gekozen sport(en) wordt vergroot. Deze
screening en advisering kan bijvoorbeeld in groep 3 en 8 worden
uitgevoerd.
Voor 12 -14 jarigen zou op een landelijke actiedag (liefst door en met scholen) elke leerling op vrijwillige basis een screening kunnen doorlopen waarbij aanleg voor bepaalde clusters van sporten wordt vastgesteld (bijvoorbeeld teamsporten, duursporten, explosieve sporten, denksporten). Hier zou met name moeten worden gekeken naar fysieke maar vooral ook naar de niet-fysieke factoren die succes in sport kunnen bepalen.
Tot slot kan voor een aantal laat specialisatiesporten op 16-18 jarige leeftijd met een aantal zeer specifieke tests worden nagegaan of iemand de uitzonderlijke kenmerken vertoont die voor deze sporttakken nodig zijn. Hiermee heb je voor alle sporten de belangrijkste scoutingfase gestructureerd (vroeg, midden of laat specialisatiesporten). In deze zienswijze worden jongeren bewust gemaakt van hun talenten en voorkeur, kiezen om daar iets mee te doen is uiteraard aan henzelf.
In dit bestek is het ingaan op de grote verschillen in aard en aantal prestatiebepalende factoren per sport te complex. Wel wil ik wijzen dat voor de sporten waar fysieke waarden het meest bepalend zijn we aardig weten waar we naar moeten zoeken. Als het echter om kwaliteiten die meer in de cognitieve of mentale hoek zitten, wordt het al lastiger. Ook weten we nog te weinig over wat zich op welke leeftijd manifesteert en of bepaalde componenten nog (op latere leeftijd) te ontwikkelen of te trainen zijn. Ik zou eveneens nog meer factoren kunnen noemen die het rendement van talentontwikkeling kunnen vergroten zoals het creëren van een optimale lerende omgeving, de rol van de sportclubs, prestatiecultuur, wel of niet centraliseren, verbetering van de flexibiliteit van het onderwijs voor talenten, lessen uit andere landen enz.
Tot slot: De talenten (sporters en coaches) die het in 2028 moeten gaan doen moeten we in de komende vier jaar vinden en ontwikkelen!
Volgende keer de vraag van Ad Roskam aan John Hellemans, bondscoach Triathlon:Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.