Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
De vraag van rené van den burg aan jaap wals

De vraag van René van den Burg aan Jaap Wals

16 oktober 2012

Opinie

De vraag van… René van den Burg, directeur WOS, Werkgevers in de Sport
Aan… Jaap Wals, directeur Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie

De vraag
Beste Jaap,
In een recent Twitter-bericht en in een artikel in het KNGU-blad houd je een pleidooi voor professioneel werkgeverschap bij sportverenigingen. Je schetst bijvoorbeeld de wens tot goede afspraken met werknemers vanwege kwaliteit en continuïteit. Denk je dat professioneel werkgeverschap inderdaad een levensader voor sportverenigingen is en hoe zou dit dan het beste inhoud kunnen krijgen? Is het ook financieel haalbaar en hoe zie je deze vorm van professionalisering in relatie tot de vrijwilligers? Hoe ziet deze ontwikkeling er ‘over tien jaar’ eruit, in het algemeen en ook ten aanzien van gymnastiekverenigingen in het bijzonder?

Het antwoord
Beste René,

Met veel plezier ga ik in op je uitdagende vragen. In een veranderende omgeving wordt het voor gymsportclubs lastiger om benodigde vrijwilligers te vinden en te behouden. Ik zie langzaam een ontwikkeling op gang komen waar steeds meer betaalde medewerkers ingezet worden om de taken en werkzaamheden in een club rond te krijgen, zowel op bestuurlijk terrein (verenigingsmanagers) als op sporttechnisch terrein (trainer/coaches), alsmede een combinatie van beide (combinatiefunctionarissen en buurtsportcoaches). Om hier op een goede manier het hoofd aan te kunnen bieden, zijn er naar mijn mening voor de toekomst drie elkaar overlappende en belangrijke ‘levensaders’ voor maatschappelijk succesvolle (gym)sportclubs. Schaalvergroting, betere (eigen) accommodaties en professionalisering. Bij het concretiseren van de laatst genoemde ‘levensader’ is goed werkgeverschap naar mijn mening fundamenteel. Mij staat een aantal doorontwikkelingen voor ogen om goed werkgeverschap binnen gymclubs verder inhoud te geven en de kwaliteit en continuïteit beter te borgen, te weten: het creëren van verbindingen op lokaal niveau, het organiseren van nieuwe instroom en het gestalte geven aan een arbeidsvoorwaardenbeleid en loopbaanperspectief. Deze voorziene ontwikkelingen staan niet los van elkaar; ze dienen in samenhang met elkaar te worden gezien.

1. Verbindingen op lokaal niveau creëren
Op verschillende wijzen is het m.i. mogelijk tussen clubs vernieuwende verbindingen te creëren. Zowel sportspecifiek als sporttak overstijgend. Hiervoor is het wel een vereiste dat clubbesturen lef moeten hebben en breder moeten durven te kijken. Concreet betekent dit dat clubs kunnen denken aan het ontwikkelen van een satelliet-model, het koppelen van clubs met werkgeverservaring aan clubs die willen investeren in professionalisering, vrijwilligers/bestuurders meer voorbereiden op en begeleiden op weg naar een werkgeversrol; stimuleren van meer sporttak overstijgende (lokale) samenwerking tussen sportclubs (een trainer geeft les bij meerdere clubs ( bijvoorbeeld gym–gym of gym–zwemmen) waardoor meer fulltime banen kunnen worden gecreëerd (zekerheid en inkomen); het versterken van samenwerking door te komen tot meer multifunctionele sportclubs; het in kleine gemeenten (veelal op het platteland) de clubs in de dorpskernen operationeel laten zijn onder één (professioneel) gezamenlijk bestuur; het aanstellen van clubmanagers die eveneens als coach voor vrijwilligersorganisatie optreden en samenwerkingsmogelijkheden zoeken met vrijetijdssector en leisurebedrijven (Sport & Fun).

2. Nieuwe instroom organiseren
Binnen de sport wordt vaak op een traditionele wijze aan werving en selectie gedaan. Om de goede mensen binnen te krijgen en te behouden, is het goed om daar ook eens van een andere kant tegenaan te kijken. Binnen een sportbond zijn veel jonge mensen uit de zogenaamde Y-generatie (16–23 jaar) actief. Recent onderzoek door de uitzendorganisatie ‘Studentwerk’ heeft voor (gym)sportclubs hele interessante informatie opgeleverd over wat deze generatie motiveert om te werken. Uit dit onderzoek zijn o.a. de volgende ‘key sellingpoints’ voor potentiële werkgevers naar voren gekomen. Deze leeftijdsgroep zoekt passend en uitdagend werk, hoeft niet perse een fulltime baan (als zij economisch gezien maar kunnen doen wat nodig is en wat zij willen), wil tijd overhouden om leuke dingen te doen, hopt snel naar verschillende functies, niet de werkgever maar ‘community’ is bindmiddel en hecht waarde aan persoonlijkheidsontplooiing. Begin dit jaar heeft in één van de KNGU-districten een onderzoek plaatsgevonden naar goed werkgeverschap onder de gymclubs en onder het technisch kader. Grappig genoeg kwam daar dezelfde conclusie uit: men hecht uiteraard wel aan het verdienen van geld, maar persoonlijkheidsontwikkeling scoorde veruit het hoogst.

Specifiek voor deze doelgroep betekent het dat clubs bewust gemaakt moeten worden dat zij hun kader een officiële vergoeding moeten betalen, daarbij niet de hoogte van het uurbedrag profileren als belangrijkste sellingpoint, maar accentueren en beleiden dat werken in de (gym)sportsector uitdagend is en men zich heel goed persoonlijk kan ontwikkelen.

De gymsport kan hier als geen ander van profiteren, indien aanvullend een aantal (rand)voorwaarden worden ingevuld, zoals bijvoorbeeld een platform voor een ‘community’ van technisch kader en als opleidingskansen (co-creatie) beter worden benut die de KNGU als ‘grote’ sportorganisatie heeft. Talenten moeten vroegtijdig geïdentificeerd worden en geprobeerd moet worden deze beter vast te houden. De Y-generatie is geen ‘waterdrager’ maar wil verantwoordelijkheid dragen en uitgedaagd worden.

3. Het gestalte geven aan een arbeidsvoorwaardenbeleid en loopbaanperspectief
In het verlengde van bovengenoemde punt is het verder ontwikkelen van een arbeidsvoorwaardenbeleid en loopbaanperspectief onontkomelijk. Dit vraagt om een omslag in denken en doen bij de clubs. Zo leeft bij een groot deel van de clubs nog steeds het idee dat belastingafdrachten en sociale premies niet nodig zijn. (Gym)sportclubs zijn autonoom en bepalen zelfstandig hun eigen arbeidsvoorwaardenpakket. Naar mijn idee zou het helpen als er collectieve richtlijnen/afspraken komen voor de (gym)sportclubs met betrekking tot arbeidsvoorwaarden.

De eerste stap in deze omslag is om Provinciale Sportservices (en andere spelers op dit gebied in de markt) meer in te zetten en te benutten voor het uitbesteden van werkgeverschap. Werknemers worden gedetacheerd bij clubs; meer inzet van zzp-constructie waarbij meerdere clubs opdrachtgever zijn, het opleiden van bestuurders en goed werkgeverschap middels workshops promoten en stimuleren op het lokale niveau inzake werkgeverschap door bijvoorbeeld WOS, Sportservices en andere (sport)ondersteuningsorganisaties, de samenwerking met opleidingsinstituten op lokaal/regionaal niveau versterken ook voor stage- en afstudeermogelijkheden, loopbaanpaden ontwikkelen zowel op technisch als op clubmanagement gebied, ontwikkelen van talent development en stimuleren van het begrip jobrotation tussen clubs met wellicht een mobiliteitsshop voor de sportsector.

Het realiseren van het bovenstaande kan natuurlijk niet binnen de huidige financiële mogelijkheden van heel veel clubs. Bij verdergaande professionalisering is het onvermijdelijk dat de contributies gaan stijgen, dan wel dat er inspanningen gedaan worden om andere (structurele) inkomstenbronnen aan te boren. De sporter vraagt steeds meer naar kwaliteit en is bereid daarvoor (meer) te betalen. Ook de bereidheid om vrijwilligerstaken binnen de club te vervullen, neemt af terwijl het werk wel moet gebeuren. Onvermijdelijk dat dit vroeg of laat in de kostprijsberekening opgenomen moet worden, want kwaliteit heeft nou eenmaal een prijskaartje.

Ook de afbakening in de taken tussen de beroepskrachten en vrijwilligers zal de nodige spanningen blijven opleveren, maar kan voor een groot gedeelte opgelost worden door een duidelijke scheiding in rollen aan te brengen. Ondanks het feit dat er nog vele problemen opgelost moeten worden, is het m.i. verdere professionaliseren onvermijdelijk en verloopt parallel aan het proces dat zich in de afgelopen decennia bij veel landelijke sportorganisaties en vergelijkbare andere sectoren al op centraal en decentraal niveau heeft afgespeeld. Het lokale niveau zal daarin langzaam volgen.

Kortom professionalisering en goed werkgeverschap binnen (gym)sportclubs is een belangrijke levensader voor de kwaliteit en continuïteit en zal naar mijn verwachting in de komende jaren (versterkt) toenemen.

Volgende keer de vraag van Jaap Wals aan Annelies Knoppers, hoogleraar in de pedagogiek en diversiteit in sport en lichamelijke opvoeding:
Beste Annelies,
Trainers, coaches en begeleiders moeten niet alleen over sporttechnische vaardigheden beschikken, maar ook over pedagogische kwaliteiten. Ze creëren daardoor in alle situaties een veilig(er) sportklimaat, waarin (jonge) sporters zich op hun gemak voelen en op een sociale manier met elkaar omgaan. Ook leveren ze zo een belangrijke bijdrage aan de persoonlijke ontwikkeling van sporters. Welke laagdrempelige randvoorwaarden kunnen sportverenigingen creëren in/rond het (topsport)trainings- en wedstijdsituaties die zoveel mogelijk de risico’s van onpedagogisch handelen en negatieve coaching kunnen voorkomen?

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.