2 november 2010
Opinie
De
vraag
De studie ‘Nederland in de top 10’ is een document waar veel
ambitie uit straalt. De ambitie kan alleen bereikt worden door een vrij hard
beleidsplan, wat niet echt eigen is aan de Nederlandse cultuur. Ik begrijp dat
er daarom toch wel wat kritiek op de inhoud van het plan is gekomen. De
doelstellingen zouden niet realistisch zijn, de gewenste investeringen zouden
beter op een andere manier aangewend kunnen worden, het rapport zou niet in lijn
zijn met het Olympisch Plan 2028, enzovoorts. In Nieuw Zeeland - waar ik mijn
ervaring in de topsport in de laatste dertig jaar heb opgedaan - is sinds zes
jaar ook een soortgelijk beleid gevoerd ten aanzien van zeven bevoorrechte
sporten die geacht worden de beste medaillekansen te hebben. Dat programma kreeg
aanvankelijk ook veel kritiek, vooral van de sporten die het moesten doen met
minder steun en subsidie. De niet bevoorrechte sporten hadden echt moeite zich
te handhaven, laat staan zich te verbeteren. Het resultaat is dat sinds de -
voor Nieuw Zeeland toch wel succesvolle - Olympische Spelen in Beijing de
‘mindere’ bonden toch wat meer financiële en andere steun krijgen, zodat ze
betere kansen hebben zich te ontwikkelen en om zich internationaal te kunnen
meten. Mijn vraag is of NOC*NSF zich definitief aan dit plan gaat houden of dat
er nog ruimte is iets met de vele reacties te doen. Wat is het antwoord van
NOC*NSF op deze aanvankelijke reacties?
Het antwoordDe
vraag van John Hellemans is de vraag van een deskundige die door langdurige
ervaringen in Nieuw Zeeland de discussie in Nederland over onze Top 10 ambitie
wat vanaf 'afstand' kan bekijken. Heel goed dat John dit doet en ik geef graag
antwoord op zijn vragen.
Er zijn inderdaad veel reacties gekomen op het presenteren van de studie ‘Nederland in de Top 10’. Deels instemmend en vaak ook kritisch. In ieder geval zijn het over het algemeen reacties die betrokkenheid met het Nederlandse sportbeleid weergeven. Dat sport de mensen niet onverschillig laat en een studie over de topsport in Nederland zoveel gepassioneerde reacties losmaakt, doet me veel deugd.
De inderdaad gehoorde kritiek dat topsport de ontwikkeling van de breedtesport in weg zou zitten als je met stevige topsportambities komt, gaat voor mij te veel uit van een concurrentiegedachte. En eerlijk gezegd had ik gedacht dat we die al wat langer achter ons hadden gelaten. Immers, een internationaal sterke Nederlandse topsport kan volgens ons alleen gebaseerd zijn op een brede, stevige en fijnmazige algemene sportstructuur. En andersom, het maatschappelijke en economische belang van een brede sportsector heeft een sterke absolute top nodig. Net zoals Nederlandse topprestaties in de wetenschap afstralen op het totale onderwijs. En, juist de brede acceptatie van het Olympisch Plan geeft aan dat de waarde voor Nederland van zowel de top- als de breedtesport ziet. Nu het vergrootglas even boven de topsport houden om te bezien wat er voor de toekomst nodig is, doet aan de waarde en de noodzaak om ook in de breedtesport te investeren niets af. Integendeel zou ik zeggen.
De meer inhoudelijke reacties op de studie ‘Nederland in de Top 10’ gaan veelal over de noodzaak serieus in de topsport te investeren en over de discussie tot hoever je gaat met het aanbrengen van focus.
Over de noodzaak om in topsport serieus te investeren sluit ik me graag aan bij woorden van Ton Boot, die simpelweg over de studie aangaf dat de Top 10 gedachte weliswaar algemeen geaccepteerd lijkt, maar tot nu toe alleen een gedachte blijkt te zijn van goedwillende individuen. Willen we die Top 10 echt bereiken, stelde hij, dan weten we nu met deze studie wat ons te doen staat en moeten we daar hard aan gaan werken. En dat heeft consequenties, zeker ook financiële. Daar sluit ik me graag bij aan. Over de hoogte van de benodigde investeringen en over waar die dan vandaan moeten komen, zal het laatste woord nog niet gezegd zijn. Zeker is dat het - zoals in het regeerakkoord van het kabinet Rutte staat - van een samenwerking tussen de sport, het bedrijfsleven en de overheid zal moeten komen. Wij pakken die handschoen binnenkort graag op met Edith Schippers, de minister van sport.
En dan is daar de 'focusdiscussie' zoals ik 'm maar even voor het gemak noem. De studie heeft daarover veel losgemaakt. Vooral door te melden dat nu ongeveer een kwart van de topsportsubsidies naar takken van sport gaat die samen voor het overgrote deel van de Nederlandse successen zorgen. In landen met vergelijkbare ambities ontvangen de succesvolle sporten juist het grootste deel van de taart. Ook John Hellemans schrijft daar over als hij de topsportcultuur van Nieuw Zeeland met die van Nederland vergelijkt. Dit gegeven dat niet eerder zo expliciet bekend was, heeft veel losgemaakt en terecht. Zowel bij die takken van sport die de medailles halen, als bij de andere. En die discussie gaat ook nog wel even door.
De studie geeft aan dat er, overigens net als in het verleden, gekozen dient te worden in welke sporten we op grond van de Top 10 ambitie vanuit de collectieve middelen gaan investeren. Het gaat dan natuurlijk in ieder geval om de takken van sport die medailles leveren, en om die takken van sport die daar dicht bij zitten, en om die takken van sport die we als Nederland voor Nederland belangrijk vinden, en om…….. En zo kan ik nog even doorgaan. Dat proces van kiezen zal de komende tijd in de sport plaatsvinden tijdens het opstellen van de Sportagenda 2013-2016. De plannen zijn dus nog niet in beton gegoten zijn. Het komt er nu op aan de juiste keuzes te maken.
Eén ding is al wel zeker, voor alle takken van topsport moet het mogelijk zijn naar de absolute top toe te groeien als het talent zich daar voor aandient. De studie zelf is daar klip en klaar over. De meeste landen waarmee we concurreren om een positie in de top 10 hebben veel meer inwoners. Dat betekent dat wij zeer zorgvuldig met onze talenten om moeten gaan. En daar helpt het hechte netwerk van verenigingen en competities zeer bij. Het is daardoor in elke tak van sport mogelijk de grootste talenten er uit te pikken.
En zo ben ik weer terug bij het begin. Het Nederlandse sportmodel gaat uit van een stevige verbondenheid tussen de top- en de breedtesport.
Volgende keer de vraag van Gerard Dielessen aan Gijsbregt Brouwer, specialist op het gebied van sport & nieuwe media:Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.