Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
De vraag van jan kossen aan jan loorbach

De vraag van Jan Kossen aan Jan Loorbach

1 september 2015

Opinie

De vraag van… Jan Kossen, algemeen directeur van de zwembond
Aan… Jan Loorbach, voormalig voorzitter van de commissie Goed Sportbestuur

JanKossen150De vraag
Er wordt in verschillende sportbonden gesproken over het bestuursmodel. Daarbij komt vaak een Raad van Toezicht in combinatie met een directeur-bestuurder, of statutair-directeur aan bod. Hoe verhouden die modellen zich met de zeggenschap van de aangesloten verenigingen bij die betreffende sportbond?

Het antwoord
JanLoorbach150Op het niveau van NOC*NSF en de Nederlandse sportbonden komt de vraag op of het traditionele verenigingsmodel voor hen nog wel adequaat is. Aanleiding voor deze heroverweging ligt in de zich wijzigende rol en verantwoordelijkheden van bonden en in de ontwikkeling van opvattingen over de allocatie en uitoefening van bestuurlijke verantwoordelijkheid en het toezicht op die bestuurlijke activiteit. In het navolgende ga ik uit van het model dat verenigingen de leden van de bond zijn (zoals de bonden de leden van NOC*NSF zijn).

De traditionele, eenvoudige behoefte waarin het verenigingsmodel voorziet is dat een aantal mensen met elkaar samenwerkt om een gezamenlijk doel te bereiken. Dus bijvoorbeeld om een tennisbaan te huren, die te onderhouden en erop te spelen. Daar brengt die groep dan geld voor bijeen (contributies) en wijst een aantal mensen aan (het bestuur) om de dagelijkse gang van zaken te regelen voor het collectief. En dat collectief, de ledenvergadering, beoordeelt dan het goede functioneren van dat bestuur.

"Bonden en ook NOC*NSF functioneren helemaal niet meer volgens het eenvoudige adagium van 'door de leden, voor de leden'"

Bonden (en ook de vereniging NOC*NSF) hebben zich natuurlijk vanaf zo'n overzichtelijk clubje ver doorontwikkeld en functioneren helemaal niet meer volgens het eenvoudige adagium van 'door de leden, voor de leden'. Binnen een bond worden heel veel activiteiten ontwikkeld die minder of meer ver af staan van wat de 'gewone sporter' in ruil voor zijn contributie van zijn vereniging verwacht; er is vaak heel veel meer inkomen uit andere bronnen dan de contributies (Lotto, VWS, sponsors, uitzendrechten) en er is een professioneel apparaat waar de werkelijke executieve deskundigheid en arbeidscapaciteit zit, en niet meer zo zeer bij het traditionele bestuur (dat meestal nog wel het bestuursorgaan is in de zin van ons rechtspersonenrecht). Dat leidt tot enkele vragen.

Een eerste vraag is of de ledenvergadering nog wel het meest geschikte orgaan is ('het hoogste orgaan binnen de vereniging') om het bestuur te benoemen, te controleren en te ontslaan en om zo het beleid van de bond te laten staan of vallen. Je zou kunnen zeggen dat de 'oude' rechtvaardiging voor deze functie hierin ligt dat het bestuur de contributies voor de leden beheert en besteedt ('ze doen het van onze centen') en dat alle activiteiten ook door de leden kunnen worden beschouwd als 'gekocht' met hun contributie.

"Een aantal bonden kiest ervoor de verantwoorde beoefening van 'haar' sport ook te bevorderen voor niet-leden"

Maar dat is dus al lang niet meer de situatie. Voor de bevoegdheden van de ledenvergadering zijn dus andere rechtvaardigingen nodig dan: 'ze doen het van mijn geld', als het gaat om besteding van inkomen uit geheel andere bronnen, soms aan bestemmingen die niet zo heel direct te herleiden zijn tot ledenbelang (vaak topsportgerelateerd en ver weg van de breedtesportbehoefte van het overgrote deel van de leden). Daar komt nog bij dat een aantal bonden er kennelijk ook wel voor kiest de verantwoorde beoefening van 'haar' sport ook te bevorderen voor niet-leden (mede in de hoop dat dat ertoe leidt dat schaatsers, wielrenners, wandelaars, squashers, etc. de overstap naar een vereniging alsnog maken).

Samengevat: hebben bonden niet vaak een takenpakket ontwikkeld waar de ledenvergadering geen volledige affiniteit meer mee heeft en leidt dat er niet toe dat de ALV door andere belangen wordt gedreven dan waar de bond (ook) de dienaar van is geworden?

Vrijwilligersbestuur uit de tijd?
Een tweede vraag is of met de toegenomen eisen van professionaliteit, beschikbaarheid en productiviteit van het management van een bond het niet achterhaald is dat het verenigingsrechtelijke orgaan - dat (wettelijk) belast is met de formulering en de uitvoering van beleid - bestaat uit een bestuur van over het algemeen hoog gekwalificeerde en maatschappelijk goed gepositioneerde vrijwilligers die echter op zijn best twee keer per maand vergaderen en dan individueel misschien nog een commissie voorzitten (met een voorzitter die dan nog eens wekelijks contact met de directeur heeft)?

Het idee dringt zich op om te bezien of deze orgaanfunctie niet moet worden opgedragen aan de directeur/werknemer die geselecteerd is (en gehonoreerd wordt) op zijn managerial capaciteiten en die die taak voltijds vervult (de keuze dus die de KNSB heeft gemaakt; het is ook het model van de KNVB).

Die gedachte ‘vloekt’ met het oude verenigingsdogma ‘van de leden, voor de leden’ maar sluit wel beter aan bij de taken van een gecompliceerde organisatie als een (grotere) sportbond met een aanzienlijk budget en met inkomen uit een variëteit aan bronnen en een grote variëteit aan bestedingsdoelen, die ook meebrengen dat er meer directe stakeholders moeten worden bediend dan alleen de leden.

Vervolgvraag
Een derde vervolgvraag is dan hoe het toezicht op het bestuur moet worden geregeld als de professionele directeur het verenigingsrechtelijke bestuursorgaan wordt en het bestuur ‘oude stijl’ die hoedanigheid dus verliest. Dat die dan de rol van ‘Raad van Commissarissen’ of ‘Raad van Toezicht’ in de schoot geworpen krijgt is een gemakkelijk opkomende gedachte, maar wacht even: in het verenigingsmodel is de algemene ledenvergadering al belast met de toezichthoudende functie.

"De verdeling van de toezichthoudende taken tussen de ledenvergadering en een RvC/RvT vraagt wel de aandacht"

Toch valt er veel te zeggen voor een extra toezicht-instantie die zich als RvC (of RvT) gedraagt (samengesteld volgens een competentiematrix, met een intensievere, meer regelmatige en concretere betrokkenheid dan een ledenvergadering die twee keer per jaar bijeenkomt.) De verdeling van de toezichthoudende taken tussen de ledenvergadering en een RvC/RvT vraagt dan wel de aandacht. Logischerwijze blijft de ledenvergadering het hoogste orgaan waaraan ook de RvC/RvT rapporteert. Benoeming en ontslag zullen waarschijnlijk ook aan de ledenvergadering voorbehouden blijven.

'Wethouder Hekking'-syndroom
Bij dit alles moeten we ons ook weer niet blindstaren op de formule structurering volgens het verenigingsrecht en daar alle heil van verwachten. Feitelijk gedragen in veel bonden de besturen (die dus statutair het bestuursorgaan zijn) zich als bestuurder op afstand met feitelijk haast een commissarisrol; die besturen geven de professionele directeur de ruimte om met grote (gedelegeerde) executieve bevoegdheden de dagelijkse gang van zaken te bepalen. Tegelijk hoor je vanuit het veld toch vaak dat directeuren zich niet zeker voelen van hun mandaat en dat hun bestuurders nog wel eens te onpas 'wethouder Hekking' spelen en dat het (daardoor) voor de buitenwereld ook niet steeds duidelijk is wie nu binnen en namens een bond als bestuurder aanspreekbaar is.

Duidelijkheid van de taakverdeling, het gedisciplineerd respecteren van die taakverdeling en het goed communiceren van zo'n taakverdeling binnen en buiten de bondsorganisatie zijn in deze benadering belangrijke organisatorische prioriteiten, waarvoor een Raad van Commissarissen/Raad van Toezichtmodel met de professionele directeur als bestuursorgaan zich goed leent. Sommigen betreuren het ‘offer’ dat door deze keuze het niet meer de leden zelf zijn die het organische bestuurswerk doen. De feitelijke taakverdeling en de duidelijkheid daarover die voor deze romantici wenselijk zou kunnen zijn kan dus ook wel in het traditionele model een plaats krijgen; maar dat begint voor mij wel een beetje ‘het oude denken’ te worden.

Volgende keer de vraag van Jan Loorbach aan Bart Zijlstra, directeur van de Directie Sport van het ministerie van VWS:
Heeft het ministerie van VWS al ideeën voor of visie op de agenda op sportgebied in Europees verband met het oog op het voorzitterschap van de Europese Commissie van ons land in de eerste helft van 2016? Zo ja, welke?

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.