De vraag van… Harry Kraan, sportpsycholoog en mental coach
Aan… Marije Elferink-Gemser, lector Sporttalent én Programmamanager Center of Expertise Sport- en Beweegtalent, beide aan de HAN
De vraagZouden we in Nederland het succesvolle Engelse model van Olympische Spelen 2012 van talentontwikkeling en topsport kunnen kopiëren? En zou zo'n kopie in de Nederlandse sportcultuur kunnen werken, denk je?
Het antwoord
Beste Harry,
Met het ‘succesvolle Engelse model’ doel je waarschijnlijk op de manier waarop de Engelse sportkoepel (UK Sport, het orgaan voor topsport in Groot Brittannië) haar talenten identificeert en vervolgens begeleidt naar de top.
Op de website van UK Sport -
www.uksport.gov.uk - wordt een goede beschrijving gegeven van de peilers waarop hun benadering berust. De samenwerking tussen de UK sport en het English Institute of Sport (EIS) wordt het Performance Pathway Team genoemd en richt zich op de volgende gebieden:
1. Verzorgen van kennis voor managers en coaches op het gebied van talent identificatie en ontwikkeling. Daarbij wordt ook gekeken naar wat de sport kan leren van andere werkgebieden waar talent van belang is, zoals toneel, ruimtevaart of chirurgie.
2. In kaart brengen en meten van de effectiviteit van het ontwikkeltraject naar de top en de sportprestaties. Hiervoor wordt onder andere een zogenaamde Talent Health Check gedaan. Doel is om efficiënte, duurzame ontwikkelprogramma’s te maken.
3. Gericht en innovatief onderzoek om beter inzicht te krijgen in de weg naar de top.
4. Toepassen van zogenaamde
‘technical frontline solutions’: het organiseren van gerichte wervingscampagnes.
In negen nationale wervingsprojecten zijn zevenduizend sporters getest, die allen daarvoor nog niet bekend waren in het UK World class system. Vanaf 2007 hebben deze projecten geresulteerd in het selecteren van honderd nieuw geïdentificeerde atleten, die bij elkaar aan 293 internationale wedstrijden hebben deelgenomen en 102 internationale medailles hebben gewonnen. Er heeft zelfs een klein aantal geacteerd op de Paralympische of Olympische Spelen (met twee gouden en één zilveren medaille) binnen vier jaar na talentherkenning.
Het onderzoek dat in Engeland op dit terrein gedaan wordt, wordt uitgevoerd binnen de organisatie van UK sport zelf. In Nederland wordt dit veelal uitgevoerd door Universiteiten en Hogescholen; ook in samenwerking met NOC*NSF. Op het gebied van onderzoek naar talentherkenning en talentontwikkeling in Nederland zijn het voornamelijk de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) en de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) die zich op deze thema’s richten.
Om op de vraag in te gaan of een kopie van het Engelse systeem ook in Nederland zou werken, ben ik terughoudend. Ik ben van mening dat het zeker goed is om kennis te hebben van andere, succesvolle modellen. Niet alleen van het Engelse model maar ook van benaderingen uit andere landen zoals bijvoorbeeld de
‘Long Term Athlete Development’ uit Canada en de
‘Talent Transfer’ uit Australië. Waar mogelijk moeten we daar ons voordeel mee doen maar we zullen altijd uit moeten gaan van onze eigen situatie.
De Nederlandse situatie is uniek waarbij bewegingsonderwijs op school plaatsvindt en we een eigen sportsysteem van bonden en verenigingen hebben. Met het kopiëren van een buitenlands model lopen we het risico de plank (deels) mis te slaan. Dat komt omdat we te maken hebben met verschillende sportculturen tussen de landen. Door te kopiëren lopen we achter terwijl we de expertise hebben om ons te onderscheiden en juist een voortrekkersrol kunnen vervullen.
Een van de punten waarin we internationaal koploper zijn, is de multidimensionele en longitudinale benadering van talent. In veel landen wordt vooral gekeken naar fysieke kenmerken van talent (een voorbeeld is de Engelse wervingscampagne
‘Tall and Talented’). Hoewel ook hier nog veel winst te behalen valt, dringt in Nederland steeds meer het besef door dat fysieke kenmerken weliswaar randvoorwaardelijk zijn maar dat vooral cognitieve en psychologische kenmerken cruciaal zijn voor sporttalent om het beste uit zichzelf te halen.
Een sleutelbegrip hierbij is zelfregulatie. Uit de promotieonderzoeken van Laura Jonker en Tynke Toering aan de RuG zijn duidelijke relaties aangetoond tussen hoge scores op zelfregulatie en het halen van de top. De meest succesvolle talenten zijn beter in staat heldere en realistische doelen te stellen en nemen meer verantwoordelijkheid voor hun eigen leerproces. Zij profiteren meer van dezelfde training dan diegenen die lager scoren op zelfregulatie en ontwikkelen zich sneller in dezelfde tijd. Het gaat met andere woorden niet primair om het aantal uren dat getraind wordt maar veel meer om wat er uit die training gehaald wordt.
Dit geldt overigens niet alleen voor sporttalenten maar voor iedereen die het beste uit zichzelf wil halen, niet alleen in de sport maar bijvoorbeeld ook in muziek en studie. Door het creëren van een uitdagende leeromgeving kan de zelfregulatie gestimuleerd worden. Op de HAN worden sinds de start van lectoraat ‘Herkennen en Ontwikkelen van Sporttalent’ in 2012 programma’s ontwikkeld, geïmplementeerd en geëvalueerd ter stimulering van de zelfregulatie en daarmee de sportprestaties. Het gaat hierbij vooral om zogenaamde ‘Train de trainer’- programma’s waarbij trainers, coaches en/of vakdocenten handvaten krijgen aangereikt om de zelfregulatie bij jongeren te stimuleren. De verwachting is dat als deze programma’s breed ingezet gaan worden hier op de lange termijn veel winst mee gehaald gaat worden en meer talenten hun potentie daadwerkelijk gaan waarmaken.
Een ander voorbeeld is de manier waarop het NOC*NSF sinds een jaar de talentprogramma’s van de bonden analyseert. Dit gebeurt tegenwoordig door middel van het zogenaamde Talent Program Review (zie ook op Sportknowhowxl.nl:
NMC Bright analyseert met NOC*NSF talentprogramma’s bonden, april 2013). In plaats van een vooraf opgestelde checklist af te werken, wordt aan de bond gevraagd een kritische reflectie te geven van hun eigen talentprogramma. Wat gaat er goed en waar is nog ruimte voor verbetering? Daar waar verbeterpunten worden gesignaleerd, stelt het NOC*NSF een team van experts op dat thema samen om met de vertegenwoordigers van de bond, de trainers, coaches en sporters op de trainingslocatie mee te denken over een plan van aanpak. Op deze manier wordt maatwerk geleverd op die onderdelen waar het nodig is. Dit getuigt van een lange termijn visie waar in de toekomst de vruchten van geplukt kunnen gaan worden.
Een derde voorbeeld waarmee ons land zich op termijn mee kan gaan onderscheiden, is de ‘Slimme Sportkeuze’. De basis voor een goede talentherkenning en talentontwikkeling is dat een kind terecht komt in een sport die past bij zijn of haar kwaliteiten en waar het veel plezier in beleeft. Kinderen kunnen alleen hun sportpotentie waarmaken als ze ook daadwerkelijk in aanraking komen met de sport die het beste bij hen past en daar veel tijd en energie in kunnen steken. 'Zonder de schaatsen aan te trekken wordt niemand een topschaatser'. Vooral het bewegingsonderwijs op school kan hier een belangrijke rol in spelen. Vakdocenten hebben meer dan trainers een sportoverstijgend perspectief op de ontwikkeling van kinderen en vertegenwoordigen een belangrijke doelgroep in het helpen van kinderen bij het maken van de juiste sportkeuze. De verwachting is dat een slimme sportkeuze op termijn eveneens bijdraagt aan het verhogen van het niveau van de Nederlandse topsport.
Samenvattend, als we oog blijven houden voor de ontwikkelingen in het buitenland maar vooral uitgaan van onze eigen kracht zullen we op termijn het niveau van de Nederlandse topsport verhogen zonder de noodzaak een buitenlands systeem te kopiëren. Het gaat dan om zaken als het ondersteunen van slimme sportkeuzes, gebruik maken van de potentiële kracht van het bewegingsonderwijs, in blijven zetten op talentherkenning en –ontwikkeling vanuit een multidimensionele en longitudinale benadering en het creëren van een uitdagende leeromgeving voor onze talenten.
Volgende keer de vraag van Marije Elferink-Gemser aan Jo Lucassen, senior onderzoeker bij het Mulier Instituut in Utrecht:Tijdens de Dag van het Sportonderzoek is jou de Boymansprijs 2013 uitgereikt voor je dissertatie ‘Excellente trainer/coaches voor excellente sport’. Zie je een verband tussen de inzichten die je onderzoek heeft opgeleverd en recente onderzoeksbevindingen over de positieve resultaten omtrent de stimulering van zelfregulatie van sporters ten aanzien van de ontwikkeling van hun sportprestaties?