Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
De vraag van frank huizinga aan maarten van bottenburg

De vraag van Frank Huizinga aan Maarten van Bottenburg

31 maart 2009

Opinie

De vraag van… Frank Huizinga, woordvoerder van de KNVB
Aan… Maarten van Bottenburg, bijzonder hoogleraar sportontwikkeling

De vraag
Wat is een goede definitie van topsport/topsporter; welke criteria kunnen daarbij gehanteerd worden?

Het antwoord
Deze vraag van Frank Huizinga vloeit voort uit een discussie met Frans Thuijs, de voormalige trainer/coach van Ellen van Langen, die een onderscheid voorstelt tussen profsporter en topsporter. Thuijs vindt dat het topvoetbal in Nederland weliswaar profsport is, maar daarmee nog niet per se topsport kan worden genoemd. Huizinga deelt die mening niet en wijst in zijn repliek ten eerste op de uiteenlopende eisen die verschillende takken van sport (individuele/teamsporten, contact/niet-contactsporten, spel/meetsporten) stellen en ten tweede op de professionele organisatie en begeleiding van het topvoetbal. Volgens Huizinga gaat het aanbrengen van een scheiding tussen profsport en topsport mank: ook Ellen van Langen en Sven Kramer hebben hun olympische medailles verzilverd, maar het publiek zal hen toch echt eerder als topsporters zien dan als profsporters, zo besluit hij zijn reactie.

Deze discussie is meer dan een taalspel. Het gaat hier om een belangrijke kwestie met een diepere betekenis: met het bepalen van een definitie van topsport(er) worden grenzen getrokken tussen wie wel en wie niet tot de topsport(ers) mogen worden gerekend. Daarmee wordt tevens bepaald wie wel en wie niet in aanmerking komen voor regelingen, voorzieningen en middelen die voor topsporters en hun begeleidingsteams ter beschikking staan. Bovendien gaat het om erkenning en waardering. Het aanzien van de topsporters is de afgelopen decennia gestegen. Tot de categorie topsporter willen sporters graag worden gerekend. Vooral als zij dag en nacht met hun sport bezig zijn en allerlei andere zaken daarvoor opzij zetten. Voor veel atleten is topsport niet alleen een primaire activiteit of zelfs een beroep; het is hun leven.

Tot eind jaren tachtig bestond er in Nederland geen officiële definitie van topsport en topsporter. Dat was niet zo vreemd, want van een topsportbeleid was tot die tijd nauwelijks sprake. Verschillende ontwikkelingen zorgden eind jaren tachtig voor een ommekeer. Verscheidene atleten luidden de noodklok. NOC en NSF richtten het Comité Topsport op en startten besprekingen over een fusie die onder meer een professionalisering van het topsportbeleid mogelijk maakte. En de maatschappelijke waardering voor presteren nam in bredere zin toe waardoor ook de rijksoverheid anders tegen topsport ging aankijken.

In het verlengde van deze ontwikkelingen gaf het toenmalige ministerie van WVC opdracht aan de jurist Heiko van Staveren om de knelpunten in de rechtspositie van de topsporter in kaart te brengen en de mogelijkheden te verkennen om hierin verbetering aan te brengen. Zijn onderzoeken openden de weg naar de instelling van het Fonds voor de Topsporter in 1994: één van de eerste daden die Erica Terpstra verrichtte als staatssecretaris van sport in het eerste kabinet-Kok. Stortingen van de rijksoverheid en de Stichting Nationale Sporttotalisator vulden dit fonds met tientallen miljoenen. Uit de rente- en beleggingsopbrengsten konden vervolgens uitkeringen aan topsporters worden gedaan: eerst in de vorm van onkostenvergoedingen, later in de vorm van stipendia.

Om te bepalen welke atleten voor uitkeringen uit het Fonds van de Topsporter in aanmerking kwamen, werd zorgvuldig gedefinieerd wie tot de categorie topsporters behoorde. Daarbij werd gekozen voor een afbakening naar prestaties, aangevuld met een begrenzing van disciplines die als topsport gelden. Tegenwoordig geldt de definitie dat iemand topsporter is als hij of zij “internationaal op het hoogste seniorenniveau (EK’s, WK’s en Olympische Spelen) meedoet binnen een erkend topsportonderdeel”. Daarbij worden verschillende statusniveaus gehanteerd. Topsporters krijgen een A-status als zij tot de beste acht van de wereld behoren, en een B-status als zij zich onder de beste zestien scharen. Dit geldt echter alleen voor sporters die uitkomen in ‘een erkend topsportprogramma’, ofwel: in een categorie van sportdisciplines die door NOC*NSF zijn aangewezen. Tot deze categorie behoren bijvoorbeeld wel dressuur maar niet voltige, wel rolhockey maar niet bandy en wel windsurfen maar niet kitesurfen. De reguliere disciplines van atletiek en voetbal behoren ook tot de erkende topsportonderdelen, maar beachsoccer bijvoorbeeld niet.

Tot zover het formele antwoord op de vraag van Frank Huizinga. Er zit echter ook nog een andere, meer gevoelsmatige lading in zijn discussie met Frans Thuijs. De topsporters die onder de definitie vallen zijn formeel erkende topsporters, maar leven en sporten zij wel allemaal als échte, wáre topsporters? Dat is het punt dat Frans Thuijs maakt: het beeld van topvoetballers is dat zij veel minder voor hun sport doen dan bijvoorbeeld topatleten, terwijl zij een veelvoud verdienen en veel meer publicitaire aandacht genieten. Dat steekt en zorgt ervoor dat topvoetballers een relatief laag aanzien genieten onder de categorie erkende topsporters in Nederland; een gevoel dat jaarlijks aan de oppervlakte komt bij de verkiezing van de sportman, sportvrouw en sportploeg van het jaar.

Er spelen hier twee argumenten. Het eerste is de omvang van de trainingsarbeid en de wijze waarop iemand ‘voor de sport’ leeft. Het tweede betreft de beloning die hij of zij daarvoor ontvangt. Thuijs vindt profvoetballers eigenlijk geen topsporters vanwege het eerste argument. En dat is extra pijnlijk vanwege het tweede argument. Of die eerste redenering terecht is, valt overigens te betwijfelen. Atletiek en voetbal vragen immers, zoals Huizinga terecht aangeeft, om totaal verschillende vormen van training en belasting. Het is moeilijk voorstelbaar dat de topclubs in het betaalde voetbal, die al zo’n lange ontwikkeling hebben gekend en waarin tegenwoordig zoveel financiële belangen spelen, niet het maximale uit hun spelers trachten te halen.

Het eerste argument is ook van toepassing op sporters die tot de wereldtop behoren in kleinere, minder verspreide en prestigieuze sportdisciplines. Iemand die bij de beste acht ter wereld behoort in poolbiljarten, bowling, Latin dansen, go, petanque of rolhockey wordt anders beoordeeld dan iemand die een vergelijkbare prestatie neerlegt in bijvoorbeeld een atletiek-, zwem- of volleybaldiscipline. Daarvoor telt niet zijn of haar inkomen, maar primair de wijze waarop iemand voor zijn of haar sport leeft en de tijdsinvestering die daarmee gepaard gaat. Dit is echter geen sluitend argument, want iemand die een vergelijkbare investering doet, maar niet op niveau presteert, zal niet als topsporter worden gezien. En omgekeerd, zal een wereldkampioen in een prestigieuze sport wel als topsporter worden erkend, ook als hij of zij naar verhouding minder tijd in zijn topsport investeert, al komt dat in de huidige topsport nauwelijks meer voor.

Afgaande op de topsportklimaatmetingen in Nederland, waarover begin juni 2009 een boek van mijn hand verschijnt *), traint de helft van de erkende topsporters (met een A- en B-status) in Nederland meer dan zeven keer en twintig uur per week. Voor een kwart ligt dit op tien keer en vijfentwintig uur per week. Een tiende traint meer dan twaalf keer en meer dan dertig uur per week. Terwijl de helft van de topcoaches van mening is dat er harder getraind zou moeten worden, vinden de meeste (erkende) topsporters dat zij voldoende trainen. Sommigen voelen de druk en hebben de wens om meer te gaan trainen. Anderen menen het maximum te hebben bereikt of juist de neiging te hebben te veel te trainen. Zij zijn op zoek naar de ideale verhouding tussen trainen en rusten, met niet meer maar meer effectieve trainingsuren: “Meer trainen maakt ons niet beter dan de rest; slim trainen wel”, stelt één van de topsporters bijvoorbeeld. Wat dat betekent, zullen trainers en topsporters per sportdiscipline verschillend invullen.

Volgende keer de vraag van Maarten van Bottenburg aan Werner van Helsen, buitengewoon hoogleraar trainings- en bewegingsleer aan de KU Leuven, en FIFA- en UEFA-trainingexpert en -instructeur:
In welke zin en mate wijken de optimale trainingsintensiteit en trainingsomvang in het voetbal af van andere (typen) sporten?

NOOT*) Maarten van Bottenburg. m.m.v. Agnes Elling, Remco Hoekman en Remko van den Dool (2009). Op jacht naar goud. Het topsportklimaat in Nederland, 1998-2008. Nieuwegein: ARKO Sports Media. Dit boek verschijnt begin juni 2009 en wordt gepresenteerd tijdens een congres over topsport.

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.