Go with Golazo
Sportknowhowxl
Home
Opinie
De vraag van eric van der burg aan cees vervoorn

De vraag van Eric van der Burg aan Cees Vervoorn

10 juli 2012

Opinie

De vraag van… Eric van der Burg, wethouder sport in Amsterdam
Aan… Cees Vervoorn, lector Topsport en Onderwijs aan de HvA/UvA en ex-topzwemmer

De vraag
Ik ben overtuigd van de stelling ´zien sporten doet sporten´. De (top)evenementen die wij naar Amsterdam halen en de side events die wij hier omheen organiseren inspireren onze jeugd om ook te gaan sporten. Ik geloof er dan ook in dat bijvoorbeeld de Olympische Spelen enorm kunnen helpen om de sportparticipatie van kinderen te verhogen. Over dit effect is echter veel discussie. Hoe kijk jij hier als (ex)topsporter tegen aan?

Het antwoord
Als ex-topsporter mag ik reageren op de stelling ‘Zien sporten, doet sporten!’. Voorwaar geen makkelijke opdracht omdat er door mij op vele manieren naar deze stelling kan worden gekeken. Om er een paar te noemen: als ex-topsporter, als oud-directeur van de ALO Amsterdam, als wetenschapper, als Chef de Mission van de paralympische ploeg, als trainer/coach, als vader maar ook als ‘believer’. Kortom, moeilijk maar ook uitdagend. Ik ga dan ook vanuit verschillende rollen op de stelling reageren.

Als ex-topsporter. In deze rol ben ik er van overtuigd dat de stelling klopt. Ik herinner mij nog alle momenten, dat ik als zwemmer(tje) na het kijken naar een wedstrijd nog gemotiveerder was om hard te trainen en beter te worden. Dat ik me weer voornam om meer aan mijn techniek te werken omdat andere zwemmers zo mooi zwommen en ik nog niet! Dat ik baalde na een gemiste training omdat ik hoorde dat de andere zwemmers wel die tien keer honderd meter vrije slag met vertrek elke minuut en vijftien seconden hadden gezwommen. Ja dus!

Als oud-directeur van de ALO Amsterdam. Ook hier moet ik toegeven dat ik geloof in de stelling. Naast het leren van goed bewegen geven wij onze studenten mee dat zij kinderen op een verantwoorde manier (pedagogisch/didactisch) moeten introduceren in het bewegen. Dit betekent in de praktijk vooral dat kinderen plezier moeten hebben in wat zij doen en dat kinderen ook nog het gevoel hebben dat zij na een les Lichamelijke Opvoeding wat geleerd hebben. Ieder kind op zijn eigen niveau aanspreken en zorgen dat ze allemaal weer naar de volgende les uitkijken. De eigen vaardigheid van de docent is hierbij een belangrijke voorwaarde omdat al jaren blijkt dat bij een goed voorbeeld al het voorgaande makkelijker wordt gerealiseerd dan wanneer dit niet het geval is. Ja dus!

Als wetenschapper. In al die jaren dat ik tijdens mijn promotieonderzoek - en daarna - in een onderzoeksomgeving heb gewerkt en op sportgebied mijn licht heb laten schijnen over een heel palet aan onderwerpen is mij duidelijk geworden dat het ‘Ard en Keessie’-effect niet bestaat. Anders gezegd: grote internationale successen van prachtige atleten, zeer zichtbaar op televisie, de radio of in de kranten leidt niet tot een verhoging van sportdeelname in die betreffende tak van sport. Het goud van het volleybalteam in 1996 werd zelfs behaald in een neergaande trend wat betreft ledenaantallen van de NeVoBo. Zelfs geen kleine opleving te bespeuren. Nee dus!

Als Chef de Mission van de paralympische ploeg. Als bezoeker van revalidatiecentra, sportclubs en bijeenkomsten in zowel binnen- als buitenland heb ik vaak gezien dat een goede introductie in opnieuw leren bewegen en sporten werkte. Met name als onze topatleten mee gingen om hun verhaal te vertellen en lieten zien wat zij weer en meer konden, ook in het licht van de toegenomen kwaliteit van hun leven. Hoe snel er bij succes weer een lach op het gezicht kwam van mensen die eerst het gevoel hadden dit nooit te kunnen bereiken. Ja dus!

Als trainer/coach. Tijdens mijn werkzaamheden als trainer bij zwemvereniging De Dolfijn uit Amsterdam heb ik het genoegen gehad te mogen werken met de grootste zwemmers uit het einde van de vorige eeuw. Gedreven door een constante nieuwsgierigheid hoe het prestatievermogen te verbeteren en in een constant gesprek met de zwemmers haalden we hier prachtige resultaten. Maar wat mij ook altijd is opgevallen is de gretigheid waarmee die topzwemmers elke keer weer nieuwe dingen wilden leren omdat zij dit hadden gezien bij andere sporters of andere zwemmers. Kortom een constante wens tot verbetering gebaseerd op wat zij zelf voelden en wat zij elders zagen. Ja dus!

Als vader. Mijn twee kinderen zitten anders in hun interesse in bewegen dan ik, heb ik geleerd. Mijn zoon heeft heel lang heel intensief gehockeyd op een hoog niveau, had volgens zijn vader aanleg om ver te komen maar had ook andere interesses en zaken die hij belangrijk vond. Recent is hij gestopt met hockey en heeft zijn aandacht verschoven naar andere vormen van sporten en intensief bewegen. Een deel van zijn keuzes zijn daarbij weer bepaald door de mensen met wie hij heeft gesproken en die hij heeft gezien. Mijn dochter daarentegen heeft aanzienlijk minder met sport. Zij vindt het leuk om te doen zolang ze zelf kan kiezen wat zij doet, wanneer zij dit doet en hoe lang zij dit doet! Soms betekent dit dat er wekenlang niet gesport wordt. Derhalve een ‘kleine ja’!

Als ‘believer’. Deze rol is de makkelijkste maar tevens ook de verzwakker van mijn hele betoog tot nu toe! Omdat ik nu eenmaal in de kracht van bewegen geloof! Ja, ik ben een enorme ‘believer’. Ik geloof in de kracht van sport, ik geloof dat wanneer je met jonge mensen gaat bewegen, dit leidt tot meer bewegen. Ik geloof in de kracht van side events bij grote evenementen ter stimulering van bewegen en sportdeelname. Ik geloof dat wanneer er bij nieuwbouw rekening wordt gehouden met ruimte en inrichting om te spelen, kinderen dit ook zullen gaan doen. Ik geloof dat goed bewegen leidt tot een betere cognitieve ontwikkeling van jonge mensen. En ik geloof erin dat de Olympische Spelen een enorme impuls kunnen geven aan sportparticipatie. Ik geloof dat plezier in sport en bewegen van alle kinderen is, niet afhankelijk van religie, huidskleur of het inkomen van je ouders. En ik geloof dat het een grondrecht is van kinderen om te leren bewegen op een passende manier. Ik geloof zelfs dat wij als ouderen daar een plicht toe hebben.

Belangrijk bij deze opsomming is echter wel dat wij hier met elkaar achter gaan staan, dat wij met elkaar de juiste keuzes durven te maken en dat wij met elkaar weten dat ’zien bewegen, doet bewegen’ op zich, niet voldoende is. Dit moet op een goede uitdagende, bij het kind passende manier worden aangeboden door daarvoor opgeleide professionals die zelf het plezier uitstralen dat ze door willen geven aan de kinderen. Het is een plicht en een recht! Ja dus!

Als wetenschapper (met de enige ‘nee dus!’) moet ik vaak denken aan de discussies die er rond deze stelling worden gevoerd. Discussies die de stelligheid ervan betwisten en die vaak aangeven dat er geen causaal (oorzakelijk) verband is aangetoond tussen goed bewegen, met plezier bewegen en allerlei effecten die hieraan worden verbonden. Daarin heeft men gelijk! Echter, de reactie hierop van mijn zeer gewaardeerde collega prof. dr Willem van Mechelen is er een die ik u niet wil onthouden. Hij zegt: ‘het feit dat er geen causaliteit is aangetoond wil niet zeggen dat deze er niet is!!’

Kortom, ik zal blijven (onder)zoeken totdat ook deze laatste ‘nee dus!’ is veranderd in een ‘ja dus!’. Daarna zal de stelling nooit meer een discussie opleveren, daar ben ik van overtuigd!

Volgende keer de vraag van Cees Vervoorn aan prof. Willem van Mechelen, als hoogleraar bedrijfs- en sportgeneeskunde verbonden aan VU medisch centrum:
Hoe kan Nederland het obesitasprobleem bij jonge kinderen en de ambitie om in 2016 een sportland te worden vanuit jouw expertise het beste aanpakken?

Deel dit bericht:

0 reacties

Nog geen reacties. Wees de eerste!

Voeg je reactie toe

Meer over:

Blijf op de hoogte

Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de 
belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.