11 mei 2010
Opinie
De
vraag
In onze maatschappij is een tendens te zien waarin we veel
(alles?) willen regelen en ieder risico proberen uit te sluiten. En lukt dat
niet dan zullen we ons ertegen verzekeren. Een moderne beweegomgeving voor
kinderen is allang geen park, strand of bos meer, maar een court of
playground. Daar mag je op het rode veld basketballen, kun je in de
blauwe zone skaten en op de groene ondergrond een balletje trappen (of net
andersom). En in de zandbak kunnen links van de afscheiding taartjes worden
gebakken en rechts mag worden geschept. Onder ieder muurtje liggen rubber
tegels, want lang niet alle kinderen kunnen door hun knieën veren na een sprong
en gehaaide juristen met claims over aansprakelijkheid liggen altijd op de loer
(want ja, die verzekering stelt ook eisen). Toegegeven, het is wat gechargeerd.
Natuurlijk voorkom je onrust op het schoolplein door de voetballers en de
basketballers, de zandopscheppers en de taartenbakkers te scheiden. Het zijn
toch Ajax- en Feyenoord-supporters in de dop? Of niet? En creëren we ze juist op
deze manier? Want hoe leer je ooit overleggen over als het voor je wordt
geregeld. En waarom moeten je knieën veren als de vloer dat voor je doet? Heeft
onze overgereguleerde omgeving het gewenste effect? Als we kinderen willen laten
opgroeien tot onderhandelingsvaardige, zelfredzame personen, die het vermogen
hebben risico’s te schatten en hun eigen grenzen kennen en ook durven trekken,
is een omgeving waarin zoveel mogelijk wordt geregeld dan wel de juiste
leeromgeving? Is het promoten van het goede gedrag door het slechte gedrag weg
te organiseren de juiste aanpak of slaan we de plank hiermee mis?
Het antwoordJe
slaat de spijker op z’n kop. Nederland is in de regulering op vele vlakken
doorgeslagen, ook op het gebied van bewegen. Dan gaat het zowel om de veiligheid
als de bemoeizucht waar wel en niet bewogen kan/mag worden. En natuurlijk ligt
de waarheid ergens in het midden. Soms is regulering nodig en soms moet je
vertrouwen op de sociale vaardigheden en het inschattingsvermogen van bewegers.
Want waar eindigt het anders? Moeten alle stoepen straks weg omdat senioren er
over vallen? Het is symptoombestrijding, nog even en de belijning verdwijnt uit
sportaccommodaties omdat kinderen er over struikelen. Recent onderzoek leert dat
senioren die Fit+ outdoor fitnesstoestellen gebruiken zich bewuster zijn van hun
lichaam en daardoor hun eigen bewegen beter in kunnen schatten. Dat scheelt in
struikelpartijen. En je pakt het eigenlijke probleem aan waarmee de
zelfredzaamheid van een groeiende groep vergroot wordt.
Door spelen en sporten te institutionaliseren (sporten op het sportveld en spelen op de speelplek) wordt het voor beheerders uitermate overzichtelijk maar gaan we volledig voorbij aan de waarde van de informele beweegomgeving. We willen kinderen (maar eigenlijk toch alle leeftijden) aan het bewegen krijgen en houden. Creëer die mogelijkheden dan ook direct in de buurt. Als je eerst een kwartier moet fietsen haakt menigeen al af. Vroeger kon ik voor het huis stoepranden. Nu is daar een architectonisch verantwoord straatprofiel gemaakt waardoor deze spelfunctie dichtbij huis verloren is gegaan. Stefan Verweij heeft ooit een fantastische tekening gemaakt – een politieman die kinderen uit een boom jaagt omdat ze in een omheinde speeltuin behoren te spelen. Dat is niet meer van deze tijd.
Is een playground daarmee niet goed? Zeker wel, maar niet overal en altijd. Een goed initiatief wordt al snel gekopieerd. Daarom schieten er overal courts en playgrounds uit de grond. De vraag is echter of elke plek en de beoogde gebruikers om zo’n court vragen. Succes van een inrichting van de openbare ruimte wordt voor een groot deel bepaald door zaken die niet direct met bewegen te maken hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om inspraak en participatie vanuit de buurt, om bereikbaarheid, beheersbaarheid, demografische factoren, veiligheid van de route naar zo’n beweegplek en de te organiseren activiteiten. Nog teveel wordt de fout gemaakt om het eindproduct te kopiëren en volledig voorbij te gaan aan de onderliggende succesfactoren. En dat is een gemiste kans. Want budgetten zijn uitgegeven en de wijk is er niets mee opgeschoten.
Leren bewegen is grenzen verkennen en grenzen verleggen. En daarbij kan wel eens wat mis gaan, daar leer je van. Als ik bij het voetballen vroeger een bal op het fietsenhok schoot, dan klom ik op het dak, gooide de bal naar beneden en schatte in of ik naar beneden zou kunnen springen. En als ik dan sprong en dat deed zeer, dan wist ik dat het de volgende keer anders moest. Met de huidige regelgeving rond speeltoestellen creëren we een steeds grotere afstand tussen de harde werkelijkheid (springen vanaf het dak van het fietsenhok) en de valdempende ondergronden bij speeltoestellen. Gevolg is dat de onveiligheid toeneemt, alleen niet direct in de nabijheid van speeltoestellen maar in de grote wereld daar omheen. Een schaafplek is een leermoment. Dat wetgeving rond speeltoestellen inmiddels ook al bepaalt of een omgevallen boom wel of niet als speeltoestel gecertificeerd moet worden geeft in mijn optiek aan dat we te ver doorgeschoten zijn.
Een deel van de oplossing ligt in ‘risk assessment’, laten we eerst goed bekijken wat de (veiligheid) risico’s zijn voordat we besluiten een toestel, object, omgeving onder bepaalde regelgeving te laten vallen. Een ander deel van de oplossing ligt in het doorbreken van de budgettaire verzuiling. Ontschotting zou ook moeten leiden tot bredere kennis op het gebied van bewegen door betrokkenheid van meerdere disciplines bij de inrichting van de openbare ruimte. En dan het liefst al in een zeer vroegtijdig stadium zodat er ook nog structurele wijzigingen mogelijk zijn. Want over de economische en sociale infrastructuur in een wijk of stad wordt al aardig nagedacht maar rond de beweeginfrastructuur liggen er nog tal van kansen.
En onze bijdrage?
Als inrichter van beweegruimten in de
meest brede zin (van topsporthal tot informele speelruimte) kijken wij graag
verder dan alleen het plaatsen van toestellen. Zoals gezegd ligt het succes van
een beweegruimte niet alleen in de toestellen. Wij zien uit naar de eerste
gemeente die de uitdaging aan wil gaan om eens een wijk in te richten volgens
nieuwe inzichten. Waarbij ook bijvoorbeeld de school, sportbuurtwerk en
woningbouwcorporatie betrokken zijn, waar nog mogelijkheden zijn om het
straatbeeld aan te passen (stoepbreedte, aantal parkeervakken, groenstroken,
enzovoorts) en waarbij vanuit de lokale overheid in beweegkansen gedacht wordt
en niet vanuit regelgeving die in de weg ligt. Zo’n wijk voorzien wij graag van
een bewegwijzering – logische formele en informele beweegopties. Waar sport en
spelen soms strak gescheiden zijn en soms naadloos in elkaar over lopen, waar
een wijk ongemerkt in beweging komt en blijft, waar ruimte is voor ontmoeten en
verblijven.
Volgende keer
de vraag van Erik Spiegelenberg aan Bernard Fransen, lid van de ‘Club van
28’:
Geachte heer Fransen, beste Bernard,
Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per twee weken een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.