18 juni 2013
Opinie
De vraag
We hebben net de eerste aanvraagronde 'Sportimpuls Kinderen Sportief op Gewicht' achter de rug. Eén van de lastigste dingen bij aanvragen is dat de subsidieverstrekkers vragen om een structurele, dekkende financiering na afloop van de subsidieperiode. Ervaring van vorige subsidierondes leert dat dit wellicht ondoenlijk is. Maatschappelijke projecten zijn nu eenmaal lastig structureel te financieren met andere middelen dan subsidiegelden. Zeker voor verenigingen. Hoe kijkt NISB daar tegenaan?
Het antwoordBeste Ben,
‘Resultaten behaald in het verleden, bieden geen garantie voor de toekomst’. Die zinsnede kennen we allemaal, maar geldt dat ook andersom: als je slechte ervaringen in het verleden hebt, moet je dan nu ook het koppie laten hangen? De kern van mijn betoog zal zijn dat het vroeger misschien moeilijker was, maar dat juist nú de tijd rijp is voor nieuwe manieren van financiering. Dan moeten sportaanbieders nieuwe wegen bewandelen en moeten partijen als NISB, VSG en NOC*NSF hen daar nog beter in ondersteunen.
Eerst even een stukje historie. De Breedtesport Impuls (BSI) is volgens mij de start van programma’s waarbij het ministerie van VWS vanaf 2000 via subsidies gemeenten wil stimuleren om lokaal beleid te ontwikkelen en projecten te starten. Met als doel het sporten en bewegen te stimuleren vanwege de positieve effecten op gezondheid, participatie, leefbaarheid etc. Daarna hebben we de Buurt-Onderwijs-Sport Impuls (BOS) gehad, het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen (NASB), de Brede Impuls Combinaties (Combinatiefunctionarissen, Buurtsportcoaches) en de Sportimpuls, waar Kinderen Sportief op Gewicht op dit moment onderdeel van uitmaakt.
Bij al deze impulsen was en is de aanname van het ministerie dat er lokaal een behoefte is om met de inzet van sport en bewegen een bijdrage te leveren aan de oplossing van maatschappelijke vraagstukken. Via het ter beschikking stellen van subsidies geeft het ministerie gemeenten en nu ook sportaanbieders (Sportimpuls) de mogelijkheid aan die behoefte invulling te geven. Het woord zegt het al, het is een ‘Impuls’. De landelijke overheid wil met financiële middelen de (op)start van een ontwikkeling of verandering ondersteunen, maar kan en wil dit niet structureel doen. Zij vindt dat de verantwoordelijkheid daarvoor bij de lokale partijen ligt. Ik vind het dan ook volstrekt logisch dat het ministerie vraagt om verankering van het (vernieuwde, veranderde) beleid en de activiteiten, lokaal.
Als ik terugkijk op de verschillende impulsen, dan ben ik wel positief gestemd over het effect dat ze hebben gehad op lokaal beleid en lokale veranderingen. Bijna alle gemeenten hebben deelgenomen aan een of meerdere impulsen, of nemen daar nog aan deel. We zien duidelijk een toenemende aandacht voor lokaal sportstimuleringsbeleid en verankering van sport en beweegbeleid. Het Mulier Instituut heeft hier in 2011 - in opdracht van NISB - onderzoek naar gedaan. Daaruit is naar voren gekomen dat twee derde van het sportbeleid neergelegd is in een sportnota. Een derde wist sportbeleidsdoelstellingen een plek te geven in een andere beleidsnota, veelal de gezondheidsnota. Waar we wat minder zicht op hebben is of beleid zich ook vertaalt in concrete uitvoeringsplannen.
Naast borging in beleid hebben de impulsen ook andere effecten (gehad). Ze hebben geleid tot agendasetting, landelijk, provinciaal en lokaal bij beleidsmakers. Ook zijn ze van invloed geweest op kennisontwikkeling en is innovatie gestimuleerd, zoals vernieuwing van en meer vraaggericht sportaanbod, intersectorale samenwerking, vernieuwing van lokaal subsidiebeleid, de aandacht voor het werken met programma’s en aanpakken die eerder succesvol waren alsook de introductie van de Combinatiefunctionaris en de Buurtsportcoach. Ook hebben de impulsen op tal van plaatsen lokale netwerkvorming tot stand gebracht.
Het lukt niet altijd, dat klopt. Dat heeft regelmatig te maken met (lokale) politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Bijvoorbeeld een andere politieke wind die gaat waaien en de financiële crisis is daar op dit moment natuurlijk van invloed op. En laten we eerlijk zijn, soms komt een goed idee of plan uiteindelijk niet tot bloei of is er sprake van opportunisme bij degenen die gebruik maken van de impuls: graag ‘vangen’, maar niet doorzetten. Ook rekent VWS de deelnemer aan de Impuls niet af op het wel of niet slagen van de lokale verankering. Het is ook lastig hard te maken. We zien wel voorbeelden waar het lukt, vaak door de kracht van lokale professionals, maar kennen niet of nauwelijks verdienmodellen die breder implementeerbaar zijn.
Met de Sportimpuls doen we nu voor het eerst ervaring op met de voorwaarde van borging en structurele financiering van projecten die door private partijen (sportverenigingen en andere sportaanbieders) worden aangevraagd. Mijn zegen heeft dat zeker! Als we pretenderen dat we door sporten en bewegen van burgers een bijdrage kunnen leveren aan maatschappelijke vraagstukken, dan moet je als initiatiefnemer (sportaanbieder) je plannen kunnen onderbouwen en naar de lange termijn durven kijken. Uiteindelijk werk je met gemeenschapsgeld.
Voor maatschappelijke projecten is het niet eenvoudig ze (financieel) te verankeren, zodat ze na afloop van de Impuls gecontinueerd worden De doelgroepen waar men zich op richt, zijn vaak niet financieel draagkrachtig, dus via deelnamegelden of contributies kunnen kosten - ook op termijn - niet compleet gedekt kunnen worden. Maar via een kleine financiële bijdrage is er wel een inkomstenstroom te realiseren. En het vragen van een financiële bijdrage heeft ook andere voordelen, zoals betrokkenheid en binding. Ook zal de deelnemer kritischer naar het aanbod kijken en dat houdt de sportaanbieder scherp.
Naast eigen bijdragen kun je natuurlijk ook naar Publiek-Private-Samenwerking (PPS) kijken. Steeds meer bedrijven willen maatschappelijk verantwoord ondernemen en vanuit die visie wellicht ook bijdragen aan sport- en beweegprojecten met een maatschappelijk doel. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Rabobank en Menzis. Wat mij betreft zou de sportaanbieder zich ook op de mogelijkheden van gemeentelijke financiering moeten oriënteren. De ‘Amsterdamse Aanpak Gezond Gewicht’ is daar een mooi voorbeeld van. We hebben het dan niet over sportbeleid, maar over gezondheidsbeleid en preventie. Als een sportaanbieder kan aantonen dat hij met zijn project daar een bijdrage aan kan leveren, dan zal een gemeente daarin mee willen denken en wellicht ook op termijn mee wil financieren. Dan moeten sport- en beweegaanbieders wel de krachten bundelen en gezamenlijk plannen maken. Laat dat nu juist een belangrijk element van de Sportimpuls zijn.
Zijn sportaanbieders daartoe in staat? Ik denk op dit moment in beperkte mate. Dus als sportaanbieders de weg moeten vinden naar een sluitend geheel van gemeentelijke financiering, PPS en lidmaatschapsgelden, dan moeten we hen daarbij ondersteunen. Die opdracht ligt ook bij de ondersteuningsorganisaties van Sport en Bewegen in de Buurt (VSG, NOC*NSF, NISB). En dat vraagt wellicht een intensievere aanpak dan we tot nu toe hebben kunnen bieden. Maar ik ga die uitdaging graag aan en nodig sportaanbieders uit om ons hierop ook met concrete vragen te benaderen.
Daarnaast zou ik ook graag de gemeenten uitnodigen, hier een rol in te pakken. Mede vanwege de drie decentralisaties (Participatiewet, AWBZ en Jeugdzorg) moet preventie extra aandacht krijgen. Sport en bewegen kan daar een laagdrempelige rol in spelen. De Sportimpuls-projecten bieden een uitgelezen mogelijkheid om dit verder te onderzoeken. In principe heeft men daar twee jaar de tijd voor (looptijd van een Sportimpuls-project). Als aangetoond wordt dat het project succesvol is, kan dit voor de gemeente een reden zijn om het vervolg te financieren. En dan uit andere budgetten dan het sportbudget.
Van sportaanbieders vraagt dit een professionele aanpak en ondernemerschap. Men heeft een ‘product’ te verkopen. Aan het bedrijfsleven en/of de gemeente en natuurlijk de ‘sportconsument’. Daarvoor krijgt men een mooie ‘startsubsidie’ mee voor twee jaar. Welke ondernemer wenst dit niet? Uit de verdediging dus en in de aanval!
Volgende keer de vraag van Hans Arends aan Noémi Boekel, projectadviseur Gezond & Vitaal bij Werkgevers in de sport (WOS):Deel dit bericht:
0 reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste!
Voeg je reactie toe
Wij sturen jou één keer per week een e-mail met de belangrijkste opinies en artikelen van Sport Knowhow XL.